Lang vormde punk voor mij het ijkpunt. Uitgerekend de muziekstijl die ons eind jaren zeventig van zoveel had bevrijd was zélf ongemerkt de bron van een reeks ongeschreven dogma’s geworden. Liedjes mochten eigenlijk niet langer dan drieënhalve minuut zijn, gitaarsolo’s waren uit den boze, net als andere toonbeelden van virtuositeit. Dansbaar? Niet cool. New Order, was dat niet verdacht, die vette beats? Wat zeg ik, verdacht? Hoogverraad, dat was het.

1, 2, 3 go! Dát was de maatstaf. Korte, puntige liedjes, doeltreffend als muzikale precisiebombardementjes. Dus zo slap als die oprolbare flexidiscs waren, die bij lijfblad Vinyl werden gevoegd, zo onwrikbaar waren mijn in beton gegoten standpunten over popmuziek. Het heeft veel tijd gekost voor ik de dogma’s waarmee ik mezelf had opgezadeld weer kwijtraakte. Toen dat eenmaal lukte, ergens halverwege de jaren negentig (met dank nota bene aan een generatie die zelf tot wasdom was gekomen in de punktijd, onder wie Karl Hyde en Björk) lag ineens alles open. Eigenlijk best leuk, dansmuziek, en wat zou het eigenlijk dat een nummer langer dan tien minuten duurde? Wat een vrijheid! En het duurde niet lang voor ik een ander tijdperk vond, een ander ijkpunt om alles aan af te meten. Want hoezeer ik ook genoot van de herwonnen vrijheid, die zinloze drang om een oertijd te definiëren was kennelijk niet verdwenen.

Het zijn de jaren geworden van rond mijn geboorte. De late jaren zestig, en de vroege jaren zeventig. Precies tijdens die jaren waarin in de rockmuziek alles gebeurde waartegen punk in verzet kwam, zo ontdekte ik, werd de allermooiste muziek gemaakt in de soul-studio’s in de Verenigde Staten. Vertrekpunt waren de Deep Soul Treasures-cd’s die Dave Godin halverwege de jaren negentig samenstelde, en van daaruit dijt het reservoir tot op de dag van vandaag steeds verder uit. De thematiek is eigenlijk altijd eender: er wordt gesmacht, omdat de liefde voorbij is. Vrijwel altijd is er een derde in het spel. Zelfs als er sprake is van een concept-album (nog zo’n verboden vrucht in de punktijd) is de driehoeksverhouding de kern. Vrijwel altijd zijn het de vrouwen die me raken, de zangers – het is niet anders – hebben, een enkele uitzondering daargelaten, toch iets aanstellerigs, ik wantrouw ze een beetje. Het zijn de vrouwen die weten wat liefdesverdriet is. En vooral hoe je dat geloofwaardig kan ombuigen naar troostrijke muziek. Een van de zangeressen die mij betoverden, is het allerjongste zusje van een van de beroemdste soulzangeressen aller tijden. Ik heb het over Carolyn Franklin (1944-1988). Ongetwijfeld speelt het feit dat ze haar veel te korte leven lang in de schaduw van haar grote zus stond een grote rol. Dat gegeven ontroert al op voorhand, ze heeft een streepje voor, precies zoals Dee Dee Warwick me uiteindelijk ook meer raakt dan haar beroemde zus Dionne. Die andere zus van Aretha, Erma, die is me net te nadrukkelijk, te schreeuwerig, te stoer.

It’s True I’m Gonna Miss You werd geschreven door Mattie Simpkins en Kenneth Williams. Een paar seconden van dat orgeltje, die lichte galm waarmee haar stem haar intrede doet, en ik geef me al gewonnen. Koud kunstje. Hier is geen houden aan, dit is muziek die gaat over totale overgave. En dan te bedenken dat ze nog wel zo trots begint. Man, wat houdt ze zich groot: “Lord knows I’ve still got my pride”. Maar zie, zodra de vertraging in het tempo inzet, nog voor het in gospel gedrenkte achtergrondkoortje ook maar een noot heeft kunnen zingen, geeft Carolyn zich bloot. Ik beken! Lieve hemel, wat mis ik je. Ze blijft het maar herhalen, en vooruit, nog een tempowisseling en ze is zelfs bereid een hele opsomming te maken van alles wat ze mist. Waar is de trotse, zelfverzekerde façade van daarnet gebleven? Verdwenen naar de achtergrond, zodat ons een klein inkijkje in de ziel wordt gegeven. Dat is precies het voorrecht van de deep soul-luisteraar, je hebt meteen een vertrouwensband. Altijd legt de zangeres haar hele hebben en houwen op de draaitafel, het maakt van de luisteraar, of hij wil of niet, een weke therapeut die niet anders kan dan begripvol knikken.

Net als haar zussen is Carolyn dochter van Barbara en (Reverend) C.L. Franklin. Ze begon met zingen toen de familie verhuisde naar Detroit, Michigan. In de New Bethel Baptist Church van haar vader, dat spreekt. Toen ze zag dat haar zussen successen boekten met seculiere muziek begon ze zelf ook nummers te schrijven. Aretha’s Ain’t No Way bijvoorbeeld werd door Carolyn geschreven. Onder de bezielende leiding van Jimmy Radcliffe (bekend van There Goes The Forgotten Man) maakte ze in New York een aantal glorieuze elpees. Hoewel It’s True I’m Gonna Miss You en All I Want To Be Is Your Woman de nodige airplay kregen, bleef het grote hitsucces uit.

Vanaf 1976 trok ze zich terug uit de muziekindustrie en zong ze alleen nog af en toe in het achtergrondkoor van haar zus. In de film The Blues Brothers (1980) zien we haar ook in die hoedanigheid. Nadat haar vader bij een roofoverval gewond raakte, keerde ze terug naar Detroit, waar ze samen met Erma en hun broer Cecil hun vader verzorgden tijdens zijn laatste levensjaren. In 1988 overleed Carolyn Franklin – 43 jaar jong – aan de gevolgen van borstkanker. Ook Erma, die andere zus die probeerde in de voetsporen van Aretha te treden, overleed aan de gevolgen van kanker.

Sinds jaar en dag vormen die jaren rond 1970, als deep soul haar hoogtijdagen kent, mijn nieuwe meetlat. Te vroeg is niet goed (het geluid is dan niet vol genoeg, de muzikale aankleding te kaal, de tekst niet openhartig genoeg; je moest eens weten hoe zo’n lijst ongemerkt steeds verder uitdijt, als je niet uitkijkt herhaalt de geschiedenis zich) – te laat is ook niet goed (opletten, disco-invloeden!). En ik moet erg oppassen dat ik bij de nieuwste R&B-ontdekking die mijn dochter vandaag de dag doet niet meteen alles wegwuif en haar doorverwijs naar de platenkast (“Fantastisch, die Alicia Keys, maar moet je dit eens horen, dit is het echte werk”). Niet doen! Blijven opletten! Nooit meer dogma’s.

(verschenen op de site Nummer van de dag, op 10 november 2013)