In een artikel in een Engelse krant las ik een stuk van een redacteur die het boek Religie voor Atheïsten van Alain de Botton had gelezen en ernstig betwijfelde of het waar was wat de filosoof suggereerde. Klopt dat wel, dat je de schoonheid van een religieus kunstwerk kunt scheiden van de theologische inhoud? De Mattheüs Passie was groots en overweldigend voor een niet-christen, maar die ervaring viel toch in het niet vergeleken bij die van iemand voor wie de man die gekruisigd werd de zoon van God was? Het was in ieder geval de heilige overtuiging van Bach, de componist die in de woorden van Felix Mendelssohn met de Passie ‘het grootste aller christelijke kunstwerken’ had geschreven. Het voordeel, schreef de redacteur, zelf moslim, was dan weer dan hij kon genieten van zoiets als Ruhmayka ya Allah, een Arabische versie van Erbarme Dich die de Libanese altzangeres Fadia el Hage had opgenomen. Dat zou een rechtgeaarde christen maar pijn doen aan de oren, en Bach in zijn graf doen omdraaien.

Ik moest aan die overpeinzing denken toen ik deze zomer tot de conclusie kwam dat er sluipenderwijs steeds meer religieuze muziek in mijn lijst met favoriete nummers was geslopen. Zo ontzagwekkend als Erbarme Dich kan klinken, zo aangrijpend is ook de gospelmuziek van Clara Ward of Marion Williams. En alle soulzangeressen die volgden, vrijwel allemaal zijn ze geschoold in de baptistenkerken van de Verenigde Staten. Niet zelden schakelden ze na hun seculiere carrière weer terug op gospel. Om soms op hoge leeftijd de twee genres weer te combineren. ‘You know I’m a church girl!’ riep de inmiddels 75-jarige Candi Staton toen ik haar vorige maand zag optreden in Amsterdam. Ze wiegde met haar heupen en straalde erbij. Op I’d Rather Be An Old Man’s Sweetheart (Than A Young Man’s Fool) volgde Hallelujah Anyway en zo wisselden profaan en devoot elkaar de hele avond bij toerbeurt af. Church girls en church boys zijn het allemaal, mijn helden en heldinnen. Hun God mag dan geen noemenswaardige rol in mijn leven spelen, de muziek die tot wasdom kwam in de kerk des te meer.

In ons vakantiehuis besloten mijn dochter en ik deze zomer een lijst te maken met onze favoriete liedjes. Met de iPod en Spotify bij de hand. Dat is een leuke, maar soms ook confronterende bezigheid, want wat ligt er inmiddels veel in al die liedjes besloten. Het liedje dat ik met een paar brugklasgenoten playbackte tijdens muziekles en waarbij het voelde alsof we voor een vol stadion stonden. Het liedje dat ik liet horen toen het meisje dat ik zo leuk vond eindelijk bij mij alleen op de kamer was. Het liedje waarnaar we luisterden op het krapbemeten anonieme kamertje ergens tienhoog in een Aziatische stad, overdag gescoord bij een kraam met illegaal gekopieerde cassettebandjes. Het liedje waarmee we de dansvloer innamen als de dj eindelijk, eindelijk ons verzoek had ingewilligd. Het liedje waarop we rouwden, gezeten op kille kuipstoeltjes naast een ziekenhuisbed. Het liedje waarin we een passend citaat vonden voor op het geboortekaartje. Het liedje dat in de bioscoop klonk tijdens de aftiteling waarbij we beiden in stilte onze tranen plengden. Enzovoorts, enzovoorts.

Ik pakte er een oude vergelijkbare lijst bij die ik een jaar of acht geleden maakte. Veel van de nummers die toen nog hoog scoorden zijn uit de lijst verdwenen. Liedjes van groepen waarvoor ik me ooit door de Paradiso-menigte worstelde om maar vooraan te komen doen nu aanstellerig of gedateerd aan, en vallen genadeloos overboord. Onder de liedjes die er de afgelopen jaren bij zijn gekomen – recente nummers maar vooral veel uit de jaren rond mijn geboorte – doemt opvallend vaak een en dezelfde naam op. Soms als artiest, soms als (co-)auteur, soms als achtergrondzangeres. Het is een naam waarvan ik nog maar een paar jaar geleden nooit had gehoord.

De naam van ‘Joshie’ Jo Armstead.

Wie Jo Armstead hoort, hoort alles wat soul in de gouden tijd zo mooi maakt. Een kerkmeisje dat zich waagt aan grootsteedse, seculiere muziek en haar lustgevoelens en opwinding er precies zo uitgilt als ze dat in de kerk doet tijdens het bejubelen van de Heer. Het is hunkering, een brandend verlangen, maar een waar Gods zegen op rust. I Feel An Urge Coming On. There’s Not Too Many More. I’ve Been Turned On. Zelden wordt je als luisteraar zo dwingend tot de orde groepen als wanneer Jo Armstead in de eerste seconden van I’ve Been Turned On zingt: ‘Let me testify!’ Je hoort het meteen: protesteren helpt niet, deze vrouw moet haar verhaal kwijt, laat alles waarmee je bezig bent maar even uit je handen vallen en geef je eraan over. Luister dan toch! Het is alsof ze de eerste vrouw in de geschiedenis die dit heeft meegemaakt. Ze heeft voor het eerst geheel in vuur en vlam gestaan, het was like a miracle from above. Goddelijk. Als ze ten overstaan van iedereen kond doet van haar ervaring met de man die haar het verschil tussen jongens en mannen bijbracht is haar gil er een van de overwinning.

Jo Armstead is een zangeres die krachtig klinkt, zelfbewust en uitdagend. Met onweerstaanbare arrangementen (van meester-arrangeur Mike Terry) en een groove die het onmogelijk maakt stil te blijven zitten. Het is overgave aan het volle leven zoals je dat eigenlijk ieder moment zou willen ervaren. Wie Jo Armstead hoort in haar hoogtijdagen heeft even het gevoel dat alles mogelijk is, alle obstakels en bedenkingen smelten als sneeuw voor de zon. Al is het maar even, voor die drieënhalve minuut.

Wie is deze vrouw?

Josephine Armstead (1944) was er ook een, een church girl. In de kerk van haar moeder in Yazoo City in Mississippi. Stel je voor, een vrouwelijke dominee in de jaren veertig, het moet veel wenkbrauwen hebben doen fronsen. Rosie Armstead was gewijd in de African Methodist Episcopal Church, de enige kerk die indertijd vrouwen wijdde. Later keerde ze terug naar de Baptistenkerk. ‘Mijn moeder was geen dominee die hel en verdoemenis predikte, haar boodschap was er een van liefde en vergeving,’ vertelt Armstead in een van de weinige interviews die ze gaf. ‘Het grootste deel van de familie hield erg van feesten. Mijn moeder was er altijd bij, niet zeurend, ze was er gewoon. Het was een familie van samen drinken en eten, en lol hebben. Mississippi heeft een dynamiek van kerk, juke joints en zanglessen. Ik zat bij de zangvereniging op school, zong in de kerk en bezocht de clubs waar de hippe bands kwamen. Ik vond het intrigerend en was gewoon goed in zingen.’ Behalve met gospel groeit ze ook op met Delta-blues. Het is haar grootvader, een dranksmokkelaar en gokker die Shine wordt genoemd vanwege z’n glimmende kale kop, die haar die duivelsmuziek laat horen. Haar eerste ervaring doet ze op als zangeres bij Bobby ‘Blue’ Bland.

‘Joshie’ Jo Armstead – de bijnaam Joshie dankt ze aan haar snelheid op het sportveld in haar middelbare school-tijd – komt op haar achttiende bij The Ike & Tina Turner Revue via haar dertien jaar oudere zus Velma, die korte tijd met Ike Turner getrouwd was nadat hij haar gespot had tijdens een optreden als pianist in de Beer Garden in Yazoo City. Samen met Delores Johnson en Eloise Hester vormt ze een van de eerste bezettingen van het fameuze achtergrondtrio The Ikettes en onder die naam nemen ze ook een paar singles op, waarvan I’m Blue een hitje wordt.

Ike Turner kijkt de kunst af bij de vrouwelijke achtergrondgroep The Raelettes van Ray Charles en geeft het fenomeen achtergrondzangeressen een totaal nieuwe lading. Als artiest heeft Armstead de grootste achting voor Ike, ze weet van het misbruik van Tina maar het gebeurde in het geniep. Wat ze ook weet is dat ze niet haar leven lang in de Ike & Tina Revue mee wil draaien. Daarvoor vindt ze het veel te leuk om zelf te creëren. En dat ze talent heeft, daarvan is ze inmiddels wel overtuigd.

Ze zegt de Ikettes vaarwel, probeert in Los Angeles zonder veel succes aan de bak te komen en verhuist niet lang daarna naar New York, waar een aantal familieleden woont in Brooklyn, onder wie haar tante. In New York start ze een solocarrière onder de naam Deena Johnson, naar het schijnt hoofdzakelijk om te ontsnappen aan de toorn van Ike Turner. Onder dat pseudoniem brengt ze twee singletjes uit (The Breaking Point en I’m A Sad Girl). Ze verdient haar geld met het inzingen van jingles en tv-commercials en doet achtergrondzang voor onder anderen James Brown en Walter Jackson.

Maar het echte werk begint als ze Nick Ashford en Valerie Simpson leert kennen.

Bryant Park

Church boy Nick Ashford moet zich behoorlijk ontheemd voelen als hij in 1964 vanuit Michigan arriveert in New York, vastbesloten om er als danser aan de slag te gaan. Hij heeft wel wat audities, maar is niet goed genoeg voor de hoge New-Yorkse maatstaven. Het geld gaat er in rap tempo doorheen en hij zwerft een paar maanden dakloos door de stad. In Bryant Park is nog steeds het bankje te vinden waar hij vaak sliep. ‘Nick Ashford slept here’ staat op een klein plaatje dat op de bank is bevestigd sinds Valerie Simpson het kocht: de ultieme American Dream.

De eerste versie van Ain’t No Mountain High Enough is dan ook geen liefdesliedje, het is het gevoel dat Ashford beschrijft als hij op een ochtend door Central Park West loopt en zichzelf op een peptalk trakteert: het gaat me lukken, ik ga New York veroveren. In de White Rock Baptist Kerk in Harlem, waar hij heengaat in de hoop op een gratis maaltijd, loopt hij de 17-jarige Valerie Simpson tegen het lijf die in het koor zingt. Het klikt, en ze beginnen samen liedjes te schrijven.

Simpson in een interview: ‘De gospelgroep waar ik deel van uitmaakte had nieuwe nummers nodig. Hij was goed in teksten. Er was een piano daar en een oefenruimte die we voor 15 dollar konden huren. Een bezoeker vroeg of we ook liefdesliedjes konden zingen, want dan zou hij ons kunnen helpen een platenmaatschappij te vinden. Het duurde niet lang voor we met onze eerste liedjes de ronde deden in de buurt rond 50th Street en Broadway, waar de meeste labels waren gevestigd. Onze eerste bundel liedjes deden we voor een totaalprijs van 75 dollar van de hand. Op dat moment werden we voorgesteld aan Jo Armstead. Ze kende iedereen bij de labels en hielp ons de deuren te openen. Ze was van Nicks leeftijd, was een Ikette geweest en had wat liedjes geschreven in Chicago. Zij wist meer over de business dan wij’.

Jo Armstead weet inmiddels de weg in New York. Ze maakt indruk met haar levenslustige instelling, is streetwise en bruist van het schrijftalent. Ze heeft al redelijk wat opdrachten en ook al wat liedjes weten te slijten. Ergens in Brooklyn een paar straten van het huis van haar tante, had ze Val & Nick al zien optreden. Ze herinnert zich dat ze niet lang daarna Valerie Simpson ontmoette op het kantoor van een producer en haar piano hoorde spelen. Zelf kon ze aardig piano spelen, maar hier kon ze niet aan tippen. ‘Vanaf dat moment stalkte ik haar. Uiteindelijk ontmoette ik ook haar schrijfpartner Nick, met wie ze toch nog geen relatie had. Valerie en ik begonnen wat dingen samen te doen. Een paar maanden later was Nick terug en dat was hoe we als schrijftrio begonnen. Ashford, Simpson & Armstead was het. Daarvoor was het Valerie & Nick. Ahmed Ertegun wilde ons tekenen bij Atlantic maar Jerry Wexler was niet kapot van ons. Daarom tekenden we bij Scepter Records, waar ik platenbaas Florence Greenburg al kende.’

Met Let’s Go Get Stoned hebben Ashford, Simpson & Armstead hun eerste echt grote hit te pakken. Het succes ervan verbaast Simpson nog steeds. ‘Het is gênant! Een paar church kids die hun eerste hit hebben met een liedje dat Let’s Go Get Stoned heet. Het vraagt elke keer weer om uitleg.’

De uitleg is deze: het trio heeft een afspraak bij Scepter Records maar heeft nog geen nieuw materiaal, ze kampen met een klein writers’ block. Op een gegeven moment roept Ashford uit: ‘Let’s go for a drink, let’s go get stoned!’. De volgende ochtend zit het drietal wat verdwaasd op het labelkantoor, met lege handen. Laat maar horen, zegt de labelvertegenwoordiger. En Nick Ashford, wetende dat hij niets te verliezen heeft, begint uit z’n hoofd het Let’s Go Get Stoned-refreintje te zingen. De dames vallen hem bij met ad libs. Waarop de vertegenwoordiger zegt: ‘Als jullie dit afmaken, zorg ik ervoor dat Ray Charles het gaat zingen. En hoewel het nummer aanvankelijk door anderen wordt gezongen, is dat uiteindelijk echt wat er gebeurde: Ray Charles nam het op en het werd een hit, in 1966. Simpson: ‘Het was vooral gênant omdat veel mensen dachten dat het over drugs ging, terwijl het oorspronkelijk over drinken ging. Het bleef lastig dat liedje te verdedigen. Het was een hit, maar we konden het applaus niet helemaal in ontvangst nemen.’

Let’s Go Get Stoned wordt een jaar later gevolgd door I Don’t Need No Doctor, eveneens gezongen door Ray Charles. Het drietal schrijft ook een reeks liedjes voor artiesten als de piepjonge Bettye Lavette, Tina Britt, Betty Everett, Aretha Franklin en Maxine Brown. Het leidt ertoe dat ze in het vizier komen van Motown’s schrijvers- en productietrio Holland-Dozier-Holland dat New York bezoekt op zoek naar nieuw talent.

‘Het was precies het juiste moment,’ zei Valerie Simpson een paar jaar geleden, in een van de eerste interviews na het overlijden van haar man. ‘Nick zocht ze op in het Hilton met een paar van onze demo’s. Het duurde maar en duurde maar en hij stond al op het punt om te vertrekken, maar Holland-Dozier-Holland wilden Ain’t No Mountain High Enough. Ze wilden iets voor Marvin Gaye en Tammi Terrell. We hadden dat nummer net af en wisten dat het een hit zou worden. Eigenlijk hadden we het al aan Dusty Springfield beloofd maar we belden haar op en zeiden: ‘We gaan ermee naar Detroit!’ We zijn naar Motown gegaan en hebben er een duet van gemaakt.’

Daarmee eindigt het driemanschap. Jo Armstead moet even geaarzeld hebben, maar besluit haar eigen weg te gaan. ‘Na een tijd voelde ik aan dat Nick vond dat ik niet meer echt nodig was. Dat werd vervelend. Juist omdat het mijn contact met Florence bij Scepter was dat ons aan dat contract had geholpen’. Ze vertrekt naar Chicago en leert er een zakenman kennen die haar voorstelt aan een jongen die net een label is begonnen, Melvin Collins. Met hem runt ze binnen de kortste keren twee labels: Giant Records en Gamma, en ze treden ook in het huwelijk.

Payola

De samenwerking noch het huwelijk met Collins is denderend. In de basis was de verdeling: Joshie schreef, hij produceerde. Maar Collins had geen zakelijk instinct, hij deed maar wat. ‘Het enige wat hij deed was de boel promoten, wat rondhangen met radio-dj’s en ze met geld en een drankje zover krijgen dat ze ons draaiden. Payola was heel gebruikelijk in die kringen. Maar Melvin liet me nooit zien waar al het geld bleef, hij hield alles verborgen voor me. Hij was een macho jongen, die niets in mijn naam wilde doen en ook mijn mening niet wilde horen. Aan de andere kant ben ik blij dat hij zich nooit bemoeide met de creatieve kant van het verhaal.’

Over muziekstijlen zijn ze het niet altijd eens, blijkt uit uitspraken die ze doet in het boek Chicago Soul (1992) van journalist Robert Pruter. Na een ruzie met Melvin over welke muziek ze gaan opnemen: ‘Ik ging gewoon naar Detroit, punt uit. Blut, zonder geld. Ik ontmoette Mike Terry daar en ik wist dat dat de muziek was die ik wilde opnemen’. Vanuit de Windy City reist ze regelmatig naar Detroit, waar ze met verschillende artiesten werkt aan wat haar beste werk zal blijken te zijn. Met arrangeur Mike Terry reist ze naar die stad om te werken aan Ruby Andrews’ Casanova (Your Playing Days Are Over). Samen vinden ze een eigen sound. Met hem maakt ze ook onder meer Jealous Kind Of Fella van Garland Green, en haar eigen Stone Good Lover.

Briljant is ook een groot deel van de nummers die Armstead en Terry opnemen met de zangeres Rhetta Hughes voor haar plaat Re-light My Fire (1969). Voor Hughes schrijft ze onder meer het nummer You’re Doing It With Her, dat helemaal Joshie-stijl is. Ook His Happiness, dat ze schrijft samen met Rhetta’s broer Tennyson Stephens, is Joshie op haar best. Een andere belangrijke muzikale partner, naast Terry, is Syl Johnson. Met hem schrijft ze onder meer Come On Sock It To Me. Ook neemt hij een funky versie op van haar I Feel An Urge Coming On.

De labels bungelen aan de rand van het faillissement als Armstead vertrekt. Als ook de voornaamste geldschieter van de labels, de plaatselijke zakenman Cubie Coleman, sterft, valt het doek. Als Jo en Melvin scheiden is er van het geld dat ze hebben verdiend niets over.

Overigens blijft Armstead al die tijd op goede voet staan met Ashford & Simpson, die intussen furore maken bij Motown en de ene na de andere klassieker schrijven voor Marvin Gaye & Tammi Terrell, Diana Ross en Gladys Knight. Zo kan het gebeuren dat Jo Armstead samen met haar twee voormalige schrijfpartners de achtergrondzang doet in Diana Ross’ monumentale versie van Ain’t No Mountain High Enough en ze ook schrijft aan Simpson’s solodebuut Exposed, waarop ze ook is te horen als achtergrondzangeres.

In 1972 staat Jo Armstead – naast onder anderen haar vriendin Rhetta Hughes – op de planken van Broadway in Melvin Van Peebles’ musical Don’t Play Us Cheap, over verwikkelingen tijdens een feest in Harlem. In de rol van Mrs Washington zingt Jo Armstead de sterren van de hemel. Vooral You Cut Up The Clothes is een prachtig in gospelstijl gezongen klassieker. ‘You cut up the clothes in the closet of my dreams. You pulled off the sleeves and ripped out the seams. Got me a needle, got me a thread, Got me a thimble and I’m moving on’. Een jaar later volgt nog een Broadwayproductie, Seesaw. In 1974 brengt ze nog Stumblin’ Block, Steppin’ Stones uit op het aan Stax gelieerde Gospel Truth en daarna, als Stax de deuren sluit in 1975, houdt het op. Ze keert terug naar New York en richt zich volledig op werk als achtergrondzangeres en commercials, schrijft zo nu en dan nog een hitsingle (onder anderen voor Gladys Knight), zingt een paar nummers op Futures van Burt Bacharach, ontwerpt kleding en wordt manager van Alonzo Ratliff, kampioen weltergewicht-boksen uit Chicago. Ze studeert in 2002 af aan The New School in New York.

Optimist

Uiteindelijk heeft Joshie Jo Armstead altijd meer gehouden van het creatieve deel: het schrijven en produceren van liedjes. Tournees, waarin ze met haar eigen materiaal op pad ging, hebben haar nooit zo getrokken. Armstead is altijd muziek blijven maken, maar leidde de afgelopen decennia een leven in de luwte. Dit jaar, op oudjaarsavond om precies te zijn, trad ze ineens weer op, in Brooklyn. Na zes jaar zeuren had de organisatie van de club Dig Deeper het voor elkaar gekregen en was ze overstag gegaan. Vooralsnog eenmalig. Ze zong I Don’t Need No Doctor en andere klassiekers.

Ik besloot contact te zoeken. ‘I’m a true optimist that believes in living in the present. I rarely talk about the past…’, schrijft ze in een antwoord op mijn mail. In een latere mail geeft ze aan dat haar gedachten helemaal in beslag genomen worden door een rechtszaak die Syl Johnson heeft aangespannen tegen het hiphop-duo Eric B. & Rakim dat hij beschuldigt van plagiaat van I Feel An Urge Coming On. ‘Het wordt steeds gecompliceerder,’ voegt ze eraan toe. Haar hoofd staat nu niet naar een interview.

Gevraagd naar de muzikanten die haar zelf inspireerden noemde Jo Armstead eerder de naam van Marian Anderson, een klassieke altzangeres die deel uitmaakte van de civil rights movement, de eerste Afro-Amerikaanse zangeres was die met de New York Metropolitan Opera zong en ook de eerste die (door president Roosevelt en zijn vrouw) werd uitgenodigd om op te treden in het Witte Huis. Ook een church girl. Vanzelfsprekend. Net als Jo’s dochter Chandra, overigens. Ik vond een amateurfilmpje op YouTube waarin ze samen met haar moeder The Lord Will Make A Way zingt in de New King Solomon M. B. Church in Jo’s geboorteplaats Yazoo City. Chandra werd overigens een veelgevraagd achtergrondzangeres. Onder meer bij Ashford & Simpson.

Nick Ashford overleed in 2011. Valerie Simpson, net als Jo Armstead de zeventig gepasseerd, neemt nog steeds muziek op en runt de Sugar Bar in Manhattan, waar ze zelf ook nog wel eens achter de piano plaats neemt. Dan speelt ze I Don’t Need No Doctor of een van die andere klassiekers. Kijk, dat zou ik dus wel willen weten, of Joshie zich daar nog wel eens onder het publiek begeeft. En in welke kerk ik me op zondagochtend moet vervoegen wil ik kans maken een flard op te vangen van haar zang.

Zodra ze alsnog wil praten, hoort u van mij. Intussen laaf ik mij aan al die ontdekte vintage liedjes en zoek ik verder. Wie weet zag ik er nog een over het hoofd.

© Schift, augustus 2015