Jarenlang had ze als een zigeunermeisje op de viool gespeeld, ergens op een binnenplaats in de dichtbevolkte zwarte achterstandswijk Watts in het zuiden van Los Angeles. Altijd blaften er honden, hun gejammer klonk harder met elke streek. Het duurde dan nooit lang voor ergens een raam openging en iemand riep ‘Kan dat gejank nu ophouden?’ En nu stond dat meisje uit Watts, 17 lentes jong en stijlvol gekleed in een elegant pakje, hoge laarzen en een hoed, een slordige 3000 kilometer van huis, op het vliegveld in Detroit. Op weg naar een auditie als soulzangeres. Door de zinderende opwinding die ze voelde bij het idee dat ze er mensen als Marvin Gaye, The Supremes en The Four Tops ging ontmoeten vergat ze bijna dat ze ook nog voor het eerst sneeuw had gezien. Ze moest zichzelf in de armen knijpen.

Een half jaar later, in de zomer van 1965, is Watts het decor van rassenrellen. De aanhouding van een 21-jarige Afro-Amerikaans jongen die door een politieagent wordt verdacht van dronkenschap achter het stuur zet de stad, waar verontwaardiging over discriminatie al jaren sluimert als een veenbrand, in vuur in vlam. Er vallen tenminste 34 doden en 1000 gewonden. Tanks rijden door Bandera Street. Middenin de week vol rellen, op 15 augustus 1965, staat Brenda Holloway als enige vrouw in het voorprogramma van The Beatles als het viertal optreedt in New York voor 55.000 mensen. Als het stof in de stad enigszins is neergedaald geeft platenbaas Berry Gordy het gezin Holloway, dat met zus Patrice en broer Wade nog twee kinderen telt, een aanbetaling op een huis in het westen van Los Angeles. Een huis waar haar moeder tot aan haar dood zal blijven wonen. Ook stuurt hij Brenda naar een charm school waar haar sociale vaardigheden worden bijgebracht, als aanvulling op de etiquette-lessen die ze net als de andere zangeressen bij Motown krijgt van Maxine Powell. Brenda Holloway is kortom ingelijfd bij het platenlabel van ‘the sound of young America’.

Haar eerste single, het weemoedige Every Little Bit Hurts – later veelvuldig gecoverd door uiteenlopende artiesten als The Jam, The Clash, Laura Lee, de Spencer Davis Group en Alicia Keys – is meteen haar grootste hit. Op het podium is ze aanvankelijk een sensuele brok dynamiet, zozeer dat Motown-coryfee Smokey Robinson haar erop aanspreekt. Hij wil niet dat ze zich beweegt als Tina Turner, hij ziet het liefst dat ze gewoon stilstaat en zingt. Ongetwijfeld ziet verwoed womanizer Berry Gordy meer in Brenda Holloway dan een zangtalent. ‘I either sing or I’m your mistress but it’s one or the other,’ schijnt ze tegen hem te hebben gezegd. Terwijl anderen om zijn gunst dingen om maar hogerop te komen – een strijd overigens die glansrijk wordt gewonnen door Diana Ross – probeert Holloway haar baas fysiek op afstand te houden. Daarmee neemt ze een risico, maar het heeft er alle schijn van dat ze ermee weg komt. Gordy stelt haar een gouden toekomst in het vooruitzicht. De gloriedagen van Brenda Holloway bij Motown zijn tussen 1964 en 1967. Nog maar 21 is ze als het succesverhaal prompt eindigt, na een reeks bescheiden hits. Nog voor ze goed en wel is doorgebroken zet Holloway er zelf een punt achter. Op het verschijnen van een enkele gospelplaat na (het totaal onopgemerkte Brand New, in 1980) duurt het vervolgens ruim twintig jaar voor ze weer naar buiten treedt. Met dank aan de northern soul-scene in Engeland die een groot deel van haar Motownliedjes inmiddels koestert als opgepoetst tafelzilver.

Van alle zangeressen bij Motown heeft Brenda Holloway (1946) vermoedelijk de meest eigen stijl. Luister hoeveel verbuigingen en kleuren ze binnen ze een eenletterig woord als ‘I’ laat klinken in Too Proud To Cry, hoe ze in Sad Song soepel switcht van totale wanhoop (‘Why don’t you, why don’t you?’) naar ingehouden berusting. Als een universeel fluïdum, een muzikaal prisma waar zelfs de geoefende luisteraar geen grip op krijgt. Haar dictie en articulatie zijn ongekend precies, zeker voor het genre, haar stem het fonetische equivalent van een zwoele zomernacht. Haar zangstijl is voor een belangrijk deel het resultaat van veelvuldig luisteren naar blanke zangeressen als Morgana King en Teresa Brewer, vertelt ze me vanuit haar woning in Los Angeles.

Hoe verhield die muziek zich tot de gospelmuziek waarmee je opgroeide?
‘Ik ben niet opgegroeid in de kerk. Ik ging naar de kerk, maar we zijn nooit ergens lid van geweest. Ik was angstig, zelfs een beetje bang voor God. Pas in de late jaren zestig, toen ik al weg was bij Motown, kwam ik op een dag op Sunset Strip Arthur Blessit tegen, een prediker die een groot zwaar kruis droeg waarmee hij over de wereld reisde en die me de weg wees naar de Heer. Je kunt zeggen dat ik mijn hart aan God gaf op Sunset Strip, maar toen was ik al ver in de twintig. Tot die tijd probeerde ik juist een beetje bij hem weg te blijven. Ik wist niet zo goed wat het zou betekenen als ik christen zou zijn. Mijn achtergrond is dus niet kerks, ik ben klassiek geschoold, speelde viool en piano, en luisterde naar Morgana King, Teresa Brewer, Sarah Vaughan en Dinah Washington. Religie was niet dominant thuis. Ik ben opgevoed door mijn moeder. Mijn vader was geestelijk ziek en bracht de meeste tijd in ziekenhuizen en inrichtingen door. Mijn moeder had het zwaar, ze moest in haar eentje drie kinderen opvoeden. Ze stuurde ons wel naar de kerk, maar zelf ging ze zelden. Ze nam deel aan een PTA, Parent-Teacher Association. Ze geloofde overigens wel hoor. Haar vader was Hispanic en een priester.’

Wat opvalt is dat in vrijwel alle liedjes, zelfs de up tempo nummers, iets tragisch doorklinkt. Er is altijd een droevige ondertoon in je stem.
‘Ja. Dat had denk ik met mijn vader te maken. Zijn situatie was uitzichtloos, het was pijnlijk om te zien en ik was niet in de positie om te zeggen: kom op pa, zet het van je af! Zijn leven was droevig, en dat van mijn moeder als alleenstaande ouder eigenlijk ook. Op die voedingsbodem is niet alleen mijn persoonlijkheid, maar ook mijn stijl gevormd.’

Je lijkt een soort haat-liefde-verhouding te hebben met Every Little Bit Hurts, het nummer waarmee je bekend werd.
(lacht). ‘Het probleem met Every Little Bit Hurts is dat Barbara Wilson, de vrouw van Motown-producer Frank Wilson, al een demo had opgenomen van dat nummer. En Barbara Wilson, die niet lang daarna overleed, was een gospelzangeres die elk nummer, anywhere, anytime, kon zingen. Ik wilde het niet zingen omdat ik haar versie overweldigend vond. Ik kon dat nooit overtreffen. En dan te bedenken dat zij ook een deal bij Motown wilde, net als ik. Maar mijn producer Hal Davis, vastbesloten om mij een grote toekomst te bezorgen bij Motown, was zeer vasthoudend. ‘You’re gonna do this young lady! I’m the manager, you’re the singer, get behind that mic!’ Ik begon te huilen, maar Hal bleef zeggen: het is jouw liedje, Barbara Wilson heeft er geen recht op, je gaat het zingen. Uiteindelijk heb ik de opname gedaan. Wat het ook ingewikkeld maakte was dat het zo’n verdrietige, volwassen tekst was. Ik was zestien en verliefd op verschillende jongens. Verwarrende kalverliefdes stuk voor stuk omdat ik meer bezig was met vioolspelen dan met jongens. Ik probeerde ze allemaal te negeren, maar dat lukte natuurlijk niet dus ik was altijd verdrietig. Wat ik bedoel te zeggen is, ik kon me wel identificeren met Every Little Bit Hurts. Of met zo’n nummer als Hurt A Little Everyday, dat volgens mij geschreven is door Sylvia Moy. Zo was ik: altijd bedroefd. Ik weet het ook niet… Ik had gewoon een volwassen, verdrietige stem. Als ik die opnamen nu beluister hoor ik er ook die snik in terug, die mooie barstjes in haar stem die mijn zus Patrice en ik probeerden te kopiëren van Teresa Brewer. De rest van de stijl, de verbuigingen enzovoorts, is volgens anderen terug te voeren op de Afrikaanse oorsprong van m’n voorouders. Die stijlen door elkaar, dat ben ik.’

Er was in de Motownjaren nog wel discussie over de vraag of soul voorbehouden was aan zwarte muzikanten. Als een blanke artiest een contract tekende was dat gevoelig nieuws.
‘Het was de tijd van de zwarte burgerrechtenbeweging, dus dat speelde volop. Het lijdt geen twijfel dat het zwarte muziek was. Totdat songschrijvers zoals Smokey Robinson steeds ‘wittere’ muziek gingen schrijven. The Four Tops, The Supremes, dat waren de acts die echt crossover waren, maar het bleef desondanks zwarte muziek. Omdat het uit onze ziel komt, uit onze kerk, en uit onze geschiedenis en voorouders. Ik heb nooit problemen gehad met de term zwarte muziek. Zeker niet nu zwarte muziek ieders muziek is.’

Was je achteraf gezien wel zo’n logische match voor Motown? Je leek er niet helemaal in te passen met je klassieke scholing en stijl.
(lacht). ‘Sowieso was er een geografische afstand natuurlijk. Ik was de eerste Westcoast-artiest die ooit tekende bij Motown. Als ik in Detroit, of op z’n minst in de buurt van die stad, was opgegroeid dan had ik er prima in gepast. Het was een bedrijf vol met jonge mensen die het allemaal wilden maken. Voor de andere jonge dames vormde ik met mijn talent een bedreiging. Ze waren stuk voor stuk bang ik dat ik hun plek zou innemen, of erger, ze voorbij zou snellen. Hoewel ik hard gewerkt heb om er te komen was ik niet bezig om andermans plek in te nemen. Mijn doel was platen opnemen en hits scoren, zo simpel was het.’

Wat betekent het als je je piektijd als zangeres al op zo’n jonge leeftijd hebt?
‘Ik had nog niet het verstand om na te denken over wat er op lange termijn zou gebeuren. Ik ben halverwege een opnamesessie met Smokey Robinson opgestapt en vertrokken bij Motown. Dat is een van de grootste vergissingen geweest die ik heb gemaakt in mijn leven. Ik was te gretig, ik wilde hits, een ster zijn, en wel onmiddellijk. Ik had het geduld domweg niet om op mijn tijd wachten. Ik ben ervan overtuigd dat die gekomen zou zijn als ik niet was weggerend. Gedeeltelijk neem ik dus mezelf kwalijk dat het Motownverhaal daar eindigde. Anderzijds nam ik het Berry Gordy kwalijk dat hij al zijn beloftes niet na kwam. Er waren zo ongelooflijk veel artiesten, hij kon ze niet allemaal de aandacht geven die ze verdienden, al helemaal niet omdat er een groep was die hij naar de hoogste regionen wilde brengen. The Supremes. Het kon niet anders of er vielen mensen tussen wal en schip.’

Dacht je op dat moment: wacht maar, ik ga het ergens anders maken?
‘Nee. Ik was overtuigd van mijn eigen talent, maar ik wist ook dat daar bij Motown de mensen rondliepen die me tot volle wasdom konden brengen. De schrijvers, de producers die pasten bij de zangeres Brenda Holloway. Dus toen ik Motown verliet was ik er klaar mee. Eigenlijk heeft het tot de jaren negentig geduurd voor ik de de draad enigszins oppakte, met dank aan een grote schare northern soul-adepten in met name Engeland. Dat was geweldig. Ik was nooit een echt grote ster geweest, hooguit had ik indertijd ster-potentie. De sterrenstatus kwam pas toen ik ouder was en herontdekt werd door Europeanen’.

Het is nauwelijks voor te stellen dat je er klaar mee was, na Motown. Je had niet alleen als zangeres, maar ook als songschrijver of als producer door kunnen gaan.
‘Ik had van alles kunnen doen, inderdaad. Maar ik deed het niet. Als ik iets ouder was geweest had ik waarschijnlijk een meer vooruitziende blik gehad. Dan had ik een keer diep adem gehaald en gedacht: mijn tijd komt wel. Dan had ik ook aan mijn verdere toekomst gedacht, en me gerealiseerd dat die liedjes mij zouden overleven zodat mijn toekomstige kinderen van de opbrengsten zouden profiteren. Als ik minder koppig was geweest was ik de ster geworden die Berry Gordy in mij zag. Ik was het zo zat om er elke keer als ik aankwam in Detroit weer achter te komen dat Gladys Knight of een andere zangeres de avond ervoor de liedjes al had opgenomen die mij waren beloofd. Steeds weer die teleurstelling, ik had het gevoel dat er met me gesold werd. En ik laat niet met me sollen, dus was het: de groeten! Ik denk dat mijn ongeduld ook met mijn afkomst te maken had. Ik kom uit Watts, in die tijd een getto. Mijn moeder leefde niet alsof we in een getto woonde, ze had een zwak voor mensen met handeltjes. Toen ik voor het eerst naar Motown ging hees ze me in een pakje dat uit een kledingboetiekje van een van haar vriendinnen kwam. Zonder er een cent voor te betalen mocht ik daar uitkiezen wat ik wilde: een hoed, laarzen, enzovoorts. Ik kwam uit een getto maar zag eruit als een ster. Bij Motown dacht iedereen dat ik alles had wat ik wilde. In werkelijkheid had ik alleen connecties, maar verder geen cent. Zij woonden in een appartement, ik in een huis. Anders dan de anderen was ik klassiek geschoold, ik hield van genres die ze nauwelijks kenden en had mijn hele jeugd lang violist willen worden. Ik denk dat ik ook in die zin een bedreiging vormde, omdat niemand wist – ikzelf evenmin – wat er van mij zou worden.’

‘Toen ik weg was bij Motown was ik niet meer geïnteresseerd in zingen. Van de weeromstuit richtte ik me op familie, ik wilde trouwen, een gezin stichten. En de kerk begon ineens een grote rol te spelen in mijn leven. Het probleem is dat we vaak een waanbeeld hebben van wat een christen moet zijn. Maar al te vaak betekent het: een teruggetrokken leven leiden, naar de kerk gaan, nog eens de Bijbel lezen. Alsof je niks meer kunt doen dan de Heer prijzen blahblahblah. Een totale misvatting natuurlijk, want een door God gegeven talent moet je gebruiken. In plaats daarvan begroef ik het. Het enige wat ik nog deed was achtergrondzang. Achtergrondzang bij mijn zusje Patrice, sessies bij jan-en-alleman, hele nachten opblijven. Ik werkte hard maar alles wat met mijn eigen talent te maken had ontkende ik. Ik luisterde nog wel eens naar Brenda Holloway, naar haar verbuigingen, haar gekreun en haar dictie, maar nooit gaf ik mezelf er de credits meer voor. Dat kwam pas terug door de northern soul-revival. Toen kreeg ik voor het eerst weer het gevoel dat ik iets bijzonders had gedaan. In de States stel je niks meer voor als je niet iedere zes maanden een hit hebt’.

Je begroef niet alleen je talent, je begroef Brenda Holloway.
‘Ja. Ik vond haar een bad girl. Ze was niet in staat gebleken de ster te zijn die ze dacht te gaan worden toen ze zeven of tien jaar oud was. Ik had geen echt grote hits op zak dus ik voelde me mislukt in die zin. Voor iemand die niet meer zo sterk in de schoenen staat is de kerk een veilige toevluchtshaven. Maar het gevolg was dat ik mijn talent bij het oud vuil gooide. Ik geloofde daar echt in, dat je niet aan een carrière als ster kon werken als een goed christen. Van mijn zelfverzekerdheid was niks meer over. Ik was weer net zo onzeker als vroeger. Mijn moeder zei tegen mij dat Patrice mooi was, en ik lelijk. Later begreep ik het wel. Dan zei ze: ‘Sorry, ik bedoel het niet zo. Je lijkt erg op je vader, ik was kwaad op hem en ik reageerde het af op jou’. En je moet je ook voorstellen dat ze mij al kreeg toen ze nog op de middelbare school zat. Ik was de oudste van drie, en kreeg het soms te verduren omdat ik te veel op m’n vader leek.’

Motown liet intussen een persbericht de deur uitgaan waarin stond dat je vertrok omdat je voor God wilde zingen.
‘Onzin, ze dwongen me. Het slaat ook nergens op want de gospelwereld is behoorlijk kliekerig. Daar kom je echt niet zomaar tussen met zo’n achtergrond als ik had. Ik had er in het geheel niet de papieren voor. In de meeste gevallen word je totaal niet geaccepteerd als je de overstap van r&b naar gospel maakt. Andersom ook niet trouwens. Dus ik had me behoorlijk in de nesten gewerkt. Ik ben nog wel met het producerstrio Holland-Dozier-Holland aan de slag geweest na Motown, maar zij konden me geen hit bezorgen.’

Je vertrek had ook niets te maken met de levensstijl waar je in werd getrokken, zoals wel eens is gesuggereerd?
‘Niet direct, hoewel er natuurlijk wel veel gaande was. Veel drugsgebruik, veel uitspattingen en gedoe tussen mensen. Ik wist wel dat ik de levensstijl niet wilde die er een paar jaar later toe leidde dat er zoveel doden vielen, denk alleen al aan Jimi Hendrix en Janis Joplin. Drugsverslaving was een reëel gevaar. Maar een levensstijl waar je niks meer mocht doen, was ook niet aanlokkelijk. Toch is dat precies waar ik heen werd gedreven. En dan helpt een persoonlijkheid als de mijne niet. Ik cijferde mezelf weg.’

Dan is er nog het grote onopgeloste mysterie. In 1968 verscheen een single, I Can’t Make It Without Him, onder de naam Brendetta Davis. Geproduceerd door Barry White. Al jaren gaat het gerucht dat Brendetta Davis dezelfde is als Brenda Holloway en dat het pseudoniem diende om het lopende contract met Motown te omzeilen. Klopt dat?
‘Weet je, het is zo lang geleden… Ik heb zo veel achtergrondwerk gedaan met Barry White in die tijd.. Ik denk niet dat ik het was. Ik durf het niet met zekerheid te zeggen omdat ik zelfs al voor de Motowntijd met hem aan potentiële hits werkte, dus ook ver voor hij zelf succes kreeg met zijn eigen sound. Barry was als een grote broer voor me. Zijn oordeel was zo belangrijk voor me dat ik toen ik You Made Me So Very Happy had geschreven als eerste Barry belde. Ik durfde dat niet bij Motown voor te stellen zonder zijn goedkeuring. Dus ik liet een stukje horen over de telefoon en hij zei met die zware stem van ‘m: ‘I think you’ve got a hit. I’m coming over.’ Daarna zong ik het voor Berry Gordy en voor Patrice, die me hielp met de tekst. Alleen met de brug tussen de coupletten en het refrein kwamen we er niet helemaal uit. De brug is door Frank Wilson geschreven, de man die ook het liedje schreef dat me qua tekst het meest dierbaar is, I’ve Got To Find It. Het makkelijkste liedje om te zingen was When I’m Gone van Smokey, het moeilijkste mijn eigen You Made Me So Very Happy. Ik had het zelf ook liever zo gezongen als Blood, Sweat & Tears, die er een hit mee scoorde, maar Berry wilde het in een andere stijl. Er werden vijf miljoen exemplaren van verkocht, daar niet van. Maar om terug te komen op je vraag, ik deed veel achtergrondzang, voor iedereen hier in Hollywood, en het wemelde van de zangeressen. Als ik het liedje hoor herken ik de manier waarop ik verbuigingen maak met mijn stem niet helemaal. Het zou heel goed kunnen dat de zangeres van I Can’t Make It Without Him iemand anders was, een van Barry White’s protegees. Maar zeker weten doe ik het niet.’

De naam Brendetta Davis maakt het dan weer juist aannemelijk. Je heette Davis indertijd.
‘Ik was getrouwd met een Davis inderdaad. Albert was een dominee en het was geen gelukkig huwelijk. Na achttien jaar zijn we gescheiden, maar mijn vier kinderen heten Davis. Hij is ernstig ziek nu.’

Dus terwijl veel van je collega’s halverwege de jaren zeventig discoplaten opnamen…
‘Zat ik thuis met de kinderen, ja. Ik wou dat ik gewoon was gaan zingen en optreden zodat ik hun horizon verbreed had in plaats van ze zo te beknellen. Ze hadden er veel van kunnen leren met mij op tournee te gaan. In plaats daarvan was ik een echte moederkloek, ze hadden weinig vrijheid bij mij. Ik was een overbezorgde moeder. Ik heb nooit iets van mezelf gehad behalve mijn kinderen. Als kind had ik geen huisdieren, geen poppen, niets, ik compenseerde dat denk ik door mijn hele leven aan mijn kinderen te wijden en ze te verheerlijken. Met als gevolg dat ik torenhoge verwachtingen van ze had, die natuurlijk soms niet anders dan tot teleurstelling konden leiden. Uiteindelijk zijn ze allemaal goed terechtgekomen hoor.’

Ik begreep dat je kinderen er geen idee van hadden dat hun moeder ooit zo beroemd was.
‘Nog steeds niet! Maar ze wilden er ook niet aan hoor. ‘Je moet ons niet vertellen dat je een ster was, je bent gewoon Brenda Davis, onze moeder!’. Een van mijn dochters – ze woont nu weer even hier bij mij omdat ze op zoek is naar een appartement – geloofde pas dat ik echt een succesvolle zangeres was toen ze een programmaboekje van de Hal Awards zag. Al die optredens, de overzeese tournees, en mijn eigen dochter accepteerde pas dat ik een ster was toen ik een Hal Award kreeg. Een maand geleden nog zag ze mijn gezicht ergens op een boek. ‘Wow mam, je bent echt een ster,’ zei ze.’

En hoe reageer je daar nu op?
‘Ik geef ze nu gelijk. En zeg erbij dat er mensen zijn die mijn talent en vakmanschap respecteren. Ik voel me daar nu prima bij en heb er lol in om te zingen.’

Heb je er wel eens over gefantaseerd wat voor muziek je had opgenomen in de jaren zeventig en tachtig als je carrière niet voortijdig geknakt was?
‘Het ligt er natuurlijk aan met welke schrijvers ik was gaan werken, maar het meest waarschijnlijke is dat ik veel met Smokey Robinson was blijven werken. Hij was mijn favoriete songschrijver indertijd en ik weet dat ze in mij een opvolger van Mary Wells zagen. Ik was ook binnengekomen bij Motown met een nummer van haar, When I’m Gone, ik klonk een beetje zoals zij. Dus het zou ofwel in het verlengde van die stijl zijn geweest, met Smokey aan mijn zijde, ofwel gospel, als het me gelukt zou zijn tot dat circuit door te dringen. Maar in het gospelcircuit zaten ze echt niet te wachten op iemand die bij Motown vandaan kwam.’

Toch zijn er voldoende voorbeelden van soulzangeressen die de overstap maakten naar gospel, zoals Candi Staton.
‘Ja, maar zij richtte zich echt op de gezangen van de dominee. Ik ken Candi, zij heeft zich echt overgegeven aan de kerk. Ze is heel gelovig, heel lief, een prachtvoorbeeld van wat christendom kan zijn, maar ik denk niet dat ik zo zou kunnen zijn. Ze heeft nooit haar best hoeven doen om zo te zijn, het zit in haar natuur. Dat geldt voor mij niet. Ik zou ongelooflijk mijn best moeten doen om zo te zijn. Zij is verliefd op God. Ik ook wel, maar niet op die manier, snap je. Ik vertaal het liever in het helpen van andere mensen.’

Heb je nog contact met andere Motown-artiesten?
‘Een enkele keer zing ik met ze, zoals onlangs tijdens een avond met The Velvelettes en The Contours. Het meest regelmatig werk ik met Kim Weston. Vaak zijn het projecten van producer David Gest of optredens en festival onder de northern soul-vlag. Een paar weken geleden nog heb ik opgetreden samen met de inmiddels 85-jarige Mable John in New Orleans. Los van de optredens zie ik veel voormalige Motown-collega’s jaarlijks tijdens het feest rond de Hal Awards dat Berry Gordy en Janie Bradford jaarlijks organiseren. Aanstaande vrijdag ga ik trouwens naar Thelma Houston hier in de Catalina Club in LA, samen met mijn vriend en een paar vriendinnen, onder wie Freda Payne.’

Ik begreep dat je ook in het koor zit van Blinky Williams, een andere Motown-coryfee.
‘Blinky is een van mijn levenslange vriendinnen. Hal Davis was mijn vriendje, en Hal Davis was Blinky’s vriendje.’

Tegelijk?
(lacht). ‘Ik hoop het niet. Je weet het nooit met mannen, hè. Hij zou het me niet verteld hebben, haha. Nee, zij kwam na mij. Maar Blinky en ik hebben veel meer gemeen, ook zij heeft een Motowngeschiedenis die niet alleen feestelijk is. Haar Hollywood Choir bestaat helaas niet meer. Toevallig moest ik gisteren nog aan haar denken toen ik langs de kerk van haar broer reed. Ik moet haar nodig weer eens bellen. Als wij straks uitgesproken zijn bel ik Blinky!’

Wat voor leven leid je nu?
‘Een rustig leven, ik heb het goed. Ik zing als ik wil, ik krijg aardig betaald, ik zie mijn dochters veel, zeker nu er twee op zoek zijn naar een ander huis. Ik kan zonder enige aarzeling zeggen dat dit de gelukkigste tijd van mijn leven is. En ik ben verslaafd aan een dagelijkse portie Forensic Files op tv. Ik hou ervan in die hoofden te kruipen. Wat beweegt mensen om het criminele pad op te gaan, of iemand te vermoorden? En hoe wordt zo’n zaak opgelost, hoe zit het met dna-bewijs? Dat interesseert me bovenmatig. Verder zing ik gospel, ik ga naar de kerk of uit eten. En ik heb een geweldige man, de liefde van m’n leven met wie ik na veertig jaar weer herenigd ben. Hij is nu mijn manager. Ik werk ook aan een aantal nieuwe nummers, samen met de broer van Lamont Dozier. Het wordt een plaat die ik zelf produceer en waarop ik word bijgestaan door mijn dochters. Als je vindt dat ik kan zingen, moet je mijn dochter Anysha eens horen! Zij is een kruising tussen Aretha Franklin, Brenda Holloway en Anita Baker. Een van de liedjes heet The Other Woman. Zelfs mijn kleinkinderen werken eraan mee. Als ik een script zou mogen schrijven om uit te tekenen hoe mijn leven eruit zou moeten zien, zag het er precies zou uit als nu het geval is. Weet je, ik zou ook wel weer viool willen spelen. Mijn kleinkinderen hebben de vorige kapot gemaakt dus ik zal een nieuwe moeten kopen. Ja, dat ben ik vast van plan.’

De enige keer dat we je viool horen spelen is tijdens een live-opname van Summertime, in 1966.
Verheugd: ‘Ja, dat klopt! Summertime was een van mijn vaders favoriete liedjes. Ik hoorde die opname nog niet zo lang geleden toen ik aan het pakken was voor een trip naar Londen. En weet je wat ik dacht toen ik dat terug hoorde? Ik dacht: woho, dat klinkt lang niet slecht, Brenda Holloway!’

© Schift, oktober 2015