Eigenlijk is het een bevrijding. Vroeger ging hij nooit zonder camera de deur uit. Er kon altijd een kleurrijke figuur opduiken die erom schreeuwde een van zijn modellen te worden. Ging hij de deur uit om boodschappen te doen in de supermarkt omdat hij trek had, zag hij daar een prostituee met een grote bos haar en enorme borsten die de moslima’s achter de kassa omstandig uit de doeken stond te doen welke mannen een erectie kregen en welke niet. Met een camera op zak had hij die vrouw onmiddellijk willen fotograferen. Jan Hoek: ‘Het is onuitputtelijk. Toen ik nog studeerde mondde een ontmoeting op straat vaak uit in de vraag: mag ik met je mee naar huis? Ik dwaalde veel over straat, of zat urenlang op een bankje tot er iemand in het vizier kwam die me interesseerde. Mensen vragen je dan: waar vind je die mensen dan? Nou, dat is in mijn vak niet ingewikkeld hoor. Ik kon niet gewoon domweg een praatje maken en dan weer doorlopen. Ik realiseerde me op een gegeven moment dat ik, wilde ik nog normaal over straat kunnen lopen, de camera hier in Amsterdam thuis moest laten. Sindsdien maak ik een strikt onderscheid tussen buitenland en hier thuis. Dat geeft rust.’

Jan Hoek, de onafscheidelijke baseballcap achterstevoren op het hoofd, werkt een Thaise salade naar binnen. Bij het raam zit zijn assistente Frederique op haar mobiel te kijken. Hier wordt op de lome reggae-klanken van Bob Marley menig idee geboren. Op tafel liggen de fotozines uitgespreid die zijn werk in Pattaya bundelen. Drie maanden bracht hij door in het bekendste seksoord in Thailand dat onder meer dienst doet als ‘Disneyland for Adults’. Een van de fotozines bevat uitspraken die hij noteerde (een prostituee: ‘Voor ik aan het werk ga ik altijd even langs de boeddhistische tempel’, ‘Ik vind jou zo leuk dat ik geen geld hoef om met je naar bed te gaan’), een ander bevat zeer expliciete foto’s van het achterwerk van een klant die Hoek ontmoette. ‘Hij is iemand die graag zo goedkoop mogelijk de hele dag door travestieten neukt, vanuit z’n flatje. Ik mocht hem fotograferen maar hij vroeg om een wederdienst: of ik nieuwe profielfoto’s van hem wilde maken voor Grindr en andere seksdating-sites. Hij wilde ook z’n kont een beetje bruin in beeld. Het ziet eruit als het achterwerk van een olifant, vind je niet? Van die gefotografeerde kont heb ik maskers laten maken. En vervolgens heb ik weer foto’s gemaakt van mensen met die reusachtige kont als masker voor hun gezicht.’

Jan Hoek, foto: Maarten Slagboom

We spreken elkaar een week voor de presentatie van de Pattaya Seks Bubble-fotozines in Club Church, een fetisj-gayclub in Amsterdam waar Hoek met zijn oud-Spunk-collega Alma Mathijsen een ‘Thais seksfeestje’ geeft en waar ook onder meer die maskertjes zullen opduiken. Een Thaise jongen zal zich er in een zeemeerminpak hijsen en beschikbaar zijn voor foto’s. Verder belooft het programma karaoke, een pingpongshow, boeddhistische rituelen, live-acts, massage en happy end. Op de begeleidende Facebookpagina van het feest schrijft hij: ‘OK, voor iedereen die z’n familie die dit toevallig gelezen heeft probeert te overtuigen dat het niet vies wordt, maar slechts een boekpresentatie: dat wordt het wel!’

Jan Hoek Pattaya Sex BubbleDe ene week Club Church, de andere week Art Rotterdam – dat zijn de werelden waartussen Hoek zich begeeft. De goedlachse fotograaf, die zijn modellen zoekt aan de rafelranden van de samenleving, gaat niet alleen met zijn onderwerp in gesprek, als het zo uitkomt kan die band veel intiemer worden. Het is dealing en wheeling, alles voor de kunst. En het is ook niet denkbeeldig dat hij met zijn onderwerp naar bed gaat. ‘In Pattaya had ik me voorgenomen een maand geen seks te hebben. Dat hield ik vol, maar toen ik besloot er langer te blijven liet ik dat principe los. Jagen op een foto en jagen op seks lijken erg op elkaar. Uiteindelijk viel de noodzaak weg, om distantie te houden tot die ladyboys die ik wilde fotograferen. Waarom zou ik eigenlijk?’

Behalve in Pattaya was hij in Chiang Mai. Een ladyboy die er werkte vroeg hem: Weet jij een andere manier om geld te verdienen? Hoe doen ze dat in Europa? ‘Mij schoot te binnen dat sommigen hun geld verdienen als levend standbeeld. Daar zag ie wel wat in. Dus heb ik een zeemeerminnenpak voor hem gemaakt waarbij hij als standbeeld op het strand is gaan staan, en later op de drukke hoofdstraat, het Damrak van Pattaya. Na de Thaise coup in mei vorig jaar mocht het niet meer van de autoriteiten.’

Punkvrouwen met baarden

Sinds een jaar of vier heeft Hoek (1984) zijn onderkomen in het gebouw van het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam, op steenworp afstand van andere legendarische vrijplaatsen en krakersbolwerken als het Slangenhuis en Vrankrijk. Ooit was dit het zenuwcentrum van de Nederlandse Fleet Street, in de jaren zeventig werd het gekraakt om sloop te voorkomen, later begonnen Peter Giele en David Veldhoen er de Amok-galerie. Er hangt nog steeds een kraaksfeer en, zo verzekert Hoek me lachend, er lopen nog altijd ‘punkvrouwen met baarden’ rond.

Het is een omgeving die hem op het lijf is geschreven: aan de Spuistraatzijde is het een explosie van felle graffiti-kleuren, red lights en gruizige muren. Als iets zijn werk kenmerkt is het die interesse naar zelfkant, niet uit een hang naar destructie maar vanuit een welgemeende interesse in de levens van verslaafden, transseksuelen, zwervers en verstotenen. Hij heeft het niet eens geheel op eigen kracht hoeven ontdekken. Het was zijn moeder Hanne Hagenaars, kunsthistorica, amateurfotograaf en bevlogen initiator van kunsttijdschrift Mister Motley, die haar zoon er al op jonge leeftijd tijdens vakanties op wees dat het bijzonder oninteressant was om een foto van die tempel te maken waar jan en alleman al een foto van stond te maken. Zou hij niet beter eens de andere kant op kijken? Dáár gebeurde het. En verrek, ze had gelijk. De interessantste verhalen waren niet te vinden waar alle richtingwijzers heen wezen. ‘Ik herinner me goed dat mijn moeder, als we naar het station in Utrecht liepen, altijd wees op een doos waar een zwerver in woonde. Aan de binnenkant van die doos had hij seksplaatjes geplakt. Dat ontroerde haar.’

Het lijkt warempel wel op die reclamespot van De Volkskrant, met dat jongetje op de achterbank dat een zwerver gadeslaat en zijn vader achter het stuur vraagt: ‘Pap?’ Waarop die tekst in beeld komt: Blijf vragen. Jan Hoek wil maar zeggen: wie iets mee wil maken moet op de eerste plaats willen kijken. Zien waar anderen wegkijken. ‘Ik vind dat zo logisch dat ik er niet meer over nadenk. Een fotootje van een gebouw waar mensen voor de rij staan, dat haal je toch van het internet af?’

In Vrij Nederland schreef hij afgelopen zomer een geestige cursus clichés mijden in vakantiekiekjes. Hoe voorkom je dat ze slaapverwekkend saai zijn? Een van de tips: durf lelijk op je foto te staan. ‘De foto’s waar je per ongeluk knap op staat, mag je wel stiekem in een mapje stoppen waar alleen jij er soms naar kunt kijken, ergens in de buurt van je geheime pornovoorraad bijvoorbeeld. Toon foto’s waarop je niet door had hoe strak dat zomerjurkje zat, hoe de vellen van je lijf hingen nadat je een dag vergeten was te smeren of de foto die je vijfjarige zoontje maakte toen je na twee weken ingehouden irritaties huilend je echtgenoot achtervolgde met een koekenpan.’

Jan Hoek en zijn moederIn een Mister Motley gewijd aan het thema Onze Ouders legde hij uit waarom hij als kind vooral niet iets in de kunst wilde doen, juist vanwege zijn moeder. ‘Dat zou toch voelen als het zoontje van de directeur die gedurende zijn studietijd enkel cocktails drinkt en prostituees bezoekt met de creditcard van zijn vader, en later toch de fabriek mag overnemen. Ik heb echt geprobeerd om andere dingen te doen, maar het is mislukt.’

Aanvankelijk maakte hij naam als een van de schrijvers van Spunk, het aan NRC verbonden jongerenwebzine. Op z’n 24e besloot hij alsnog naar de Rietveld Academie te gaan. Zijn moeder gaf daar toen nog les. ‘Ik was dolblij toen bleek dat de aartsvijand van mijn moeder in de toelatingscommissie zat en besloot mij aan te nemen,’ schrijft hij. ‘Zo kwam ik in ieder geval niet binnen via de connecties van mijn moeder. Eenmaal op school besloot ik de eerste jaren zo min mogelijk over mijn moeder te vertellen. Ik wou op mijzelf staan en vooral niet het zoontje van zijn. Het voelde alsof ik me moest schamen voor mijn moeder in de kunst en op een gegeven moment was ik dat zat.’

Een moeder die je liefde voor kunst voedt heeft ook nadelen. ‘Zo plaatste ze ooit een foto van mijn bepukkelde puberrug op de voorkant van The Dummy Speaks en liet ze tijdens een lezing op de Rietveld, waar ik toen al op zat, foto’s zien van mij als jongetje gekleed in een heel klein onderbroekje in slaap gevallen in een ridderpak. Daar staat tegenover dat ik me nu vrij voel in mijn werk net zo veel compromitterende foto’s van haar te maken als ik wil.’

Stadsmasaï

In Ethiopië fotografeerde hij ‘sweet crazies’, daklozen met een psychiatrische aandoening, alsof ze net van de catwalk zijn gestapt, in Tanzania mengde hij zich onder de Masaï. Bij de Masaï ging het hem erom niet alleen de platgetreden paden te mijden (plaatjes met felrode tuniek in de natuur, u kent ze), maar ook om juist te laten zien welke mengvormen er zijn. ‘Als je die stadsmasaï ziet, dan zie je ineens hoe je bedot wordt: je ziet ze nooit met Nike-schoenen aan, terwijl ze die allemaal dragen. Het is de omgekeerde wereld: veel fotografen denken ‘laat ze die schoenen maar uitdoen, want dan klopt het beeld’. Terwijl het dan dus juist niet klopt. Ik wilde ze niet als freaks uit zo’n Peijnenburg-reclame neerzetten. Ik heb uiteindelijk zeven stadsmasaï gecast, onder wie een filmstudent die luistert naar de naam Godlisten. Ik vroeg ze hoe ze zelf graag gefotografeerd zouden willen worden. Die filmstudent zei: ‘als spin’. Dus ik begon meteen te bedenken hoe ik die wens in vervulling zou kunnen laten gaan. Pas later begreep ik dat hij eigenlijk bedoelde ‘als Spiderman’, maar toen waren we gelukkig al ver met het realiseren van de spin. Ik heb dat spinnenlichaam gemaakt van plastic, tape en bamboe en we hebben de foto gemaakt bij een mijngroeve. Ik vind het zelf een van m’n mooiste foto’s. Hij komt uit een heel eenvoudig gezin, z’n vader is net als veel andere Masaï beveiliger, ze worden gezien als betrouwbaar en sterk. Ze zijn arm, wonen in een hutje zonder stroom. Als het donker wordt is het daar ook echt donker. Hij kreeg de kans om aan het Kilimanjaro Film Institute te gaan studeren en heeft waanzinnig originele ideeën. Zijn ouders leven het leven dat je nu eenmaal leeft daar, maar hij maakt geweldige sculpturen in z’n kamer. Zo inventief, dat ik tegen ‘m zei: jij bent ook een kunstenaar, net als ik. Waarop hij zei: maar ik kan helemaal niet schilderen. Een schilderij maken, dat is voor hen synoniem aan kunst.

‘Ik vind het belangrijk dat mijn modellen zich in het eindresultaat kunnen vinden, maar ik vind het ook belangrijk dat ik ze in een ongemakkelijke, lullige situatie breng. Anders wordt het saai. Goed voorbeeld is ook een andere Masaï-jongen die mij vroeg: hoe krijg ik een blank meisje? Hij wilde zo op de foto komen dat elk blank meisje voor ‘m zou vallen. Ik heb hem mooi op de foto gezet, het is ook een knappe jongen, maar wel met een Marilyn Monroe-stropdas om en een beetje een glazige blik in z’n ogen. Voor ons doet het erg seventies aan, maar vanuit Tanzaniaans perspectief is het heel cool, denk ik.’

Er was ook nog een mooi zijproject: hij vroeg studenten van het Kilimanjaro Film Institute in Arusha een tentoonstellinkje samen te stellen over blanken. Hij laat foto’s zien van westerse toeristen die zich onbespied wanen en Afrikaans gaan dansen of in Masaï-slippers rondlopen, maar ook van een rijtje witte uien met bloemkoolroosjes aan het hoofd, de associatie die iemand had bij blanken (‘mzungu’) op het strand. ‘Er was ook iemand die z’n tanden zette in bloederig, rauw vlees. Hij had eens een films gezien over zombies en sindsdien waren zombies ongeveer synoniem aan blanken.’

Het is een procedé dat Hoek vaker toepast: mensen die hij fotografeert geeft hij vaak ook een opdracht. De werkwijze mondde ook uit in een samenwerking met de Ghanese schilder Stan Aziz, die hij opdrachten gaf die onlangs leidden tot een gezamenlijke tentoonstelling die nu te zien is in De Balie. Zo schilderde Aziz de lokale dokters en dorpsgekken die Hoek niet voor zijn camera kreeg toen hij zelf door Ghana reisde.

Hoeks werkwijze voorkomt dat het louter lullige net-niet-glamourfoto’s zijn geworden. Voor de Masaï-reeks fotografeerde hij ook een meisje dat graag glamoureus op de foto wilde, met een mooi modern gebouw op de achtergrond en een coole auto. Hoek plaatst haar liggend op de motorkap, maar weet er precies dat detail in te fietsen dat het ontroerend maakt: haar voeten steken een beetje omhoog, waardoor het tafereel iets vertederends kinderlijks krijgt.

Luiers

Al jaren loopt de fotograaf met een denkbeeldige wensenlijst in z’n hoofd rond. Een model uit Almere. Iemand die luiers draagt. Iemand die hij bij ‘m thuis uitnodigt en vervolgens in al zijn eigen kleren laat poseren. In Hoeks geest gaat de verbeelding voortdurend met alles en iedereen op de loop. Pattaya stond op zeker moment op die lijst omdat hij ook wel eens een ander continent wilde bezoeken dan Afrika. Ook daar wemelt het immers van de sweet crazies, verworpenen der aarde en sekswerkers. ‘Ik werd er op zeker moment ook gek van dat ik in Afrika steeds gebeld werd door NGO’s. Alsof ik een soort ontwikkelingswerker was, die daar kon samenwerken met de expats. Om ‘Afrikanen in hun kracht te zetten’ of zoiets. Onzin natuurlijk. Ik geloof niet eens in ontwikkelingshulp. Ik geloof er alleen in dat je een individuele band met iemand kan opbouwen. Het voelt vaak alsof ik op de vlucht ben voor instanties. In Thailand had ik even geen Mondriaanfonds om aan te denken, geen subsidieregelingen.’

Een van de modellen van Jan Hoek die het meest in het oog springt is Kim, een Amsterdamse verslaafde die hem vertelde dat ze droomde van een modellenbestaan. Jan Hoek, die haar droom zelf mede had aangewakkerd door haar te vertellen dat Kim Feenstra ooit drie maanden dakloos was, maakte die droom waar. Hij maakte een serie met haar waarop de breekbaar ogende, graatmagere Kim onder meer poseert op een motor, en zwaar opgemaakt gekleed gaat in tijgerprint. ‘Ze vroeg me of ik dacht dat er na publicatie van die foto’s meer mensen zouden gaan bellen. Ik weet het niet, zei ik, maar ik denk het niet.’

Met veel van zijn modellen houdt Hoek contact. Soms is het de hoogste tijd om Kim weer op te zoeken. ‘Ze is clean, maar woont nog altijd in een pand vol verslaafden. Nadat ik die sessie met haar had gedaan heeft ze van het bedrag dat ze ermee verdiende een keer een zakje speed gekocht. Dat had ik verdiend, zei ze. Sindsdien heeft ze bij mijn weten niks meer gebruikt.’

Het is hem de afgelopen jaren al tig keer gevraagd: is het moreel wel verantwoord, zo’n kwetsbare vrouw de illusie geven dat er misschien een modellenbestaan voor haar is weggelegd? Jan Hoek lacht. In zijn optiek is het eigenlijk zo dat een foto die dit soort vragen niet oproept op voorhand al een beetje saai is. ‘Ik heb van meet af aan gezegd: joh, daar ben jij, net als ik, al veel te oud voor. Ik heb haar niet voorgelogen. In institutioneel helpen geloof ik niet, net zomin als in ontwikkelingswerk, maar een een-op-een-verbintenis aangaan vind ik heel OK. Kim is wel een geval apart. Die mensen in Afrikaanse landen die ik portretteer merken er vervolgens niets meer van. Ik nodig ze uit voor een expositie, maar er komt natuurlijk nooit iemand, het speelt zich allemaal buiten hun gezichtsveld af. Voor iemand hier in Nederland zoals Kim is het anders. Kijk, hier, zo stond ze twee jaar geleden voorop de Parool-bijlage PS, met die foto op de motor. Super Model Kim staat er bij. Zij wordt er echt op aangesproken. Ze is bang dat mensen denken dat ze er heel veel geld mee verdiend heeft. Terwijl ze dagelijks haar geld bijeen moet sprokkelen voor haar Euroshopper-bier en champignonsoep, haar favoriete gerecht. Ze vindt de foto’s overigens erg mooi. Alleen de wintersport-foto, waarbij ze op ski’s staat, dat vindt ze niks. Dat was ook helemaal mijn idee.’

Jan Hoek inventariseert de dromen en verlangens van zijn onderwerp. ‘Soms ben ik zelf het vertrekpunt, soms mijn model. Als ik iets nieuws probeer, is dat nooit op stijl, laat staan techniek. Ik geef helemaal niets om techniek.’ Diane Arbus, die al in de jaren vijftig foto’s maakte die later het etiket outsidersfotografie kregen opgeplakt, was lange tijd een inspirerend voorbeeld. ‘Ze legde niet alleen vast, maar werd vrienden met iedereen, ging echt intieme relaties aan met haar onderwerp. Diane Arbus was echt obsessed, ze heeft meer dan een miljoen foto’s gemaakt. Maar een groot verschil met mij is: zij zou nooit een set voor iemand bouwen. En ze heeft zelfmoord gepleegd, dat ligt ook niet in mijn bedoeling. Ik denk dat de Oekraïense fotograaf Boris Mikhailov dichter bij me staat. Hij is ook iemand die de grenzen opzoekt van wat je van een model kunt vragen.’

Een volgend project wordt een serie in Zuid-Afrika. Samen met mode-ontwerper Duran Lantink gaat hij moffies fotograferen, homojongens die zich als straattravestiet manifesteren. En vervolgens in Nederland met Nederlandse modellen de serie opnieuw maken. Wat ginds begint als een documentaire-project wordt hier uiteindelijk modefotografie.’ Nu nog de financiering rondkrijgen.

Wat laat al dat werk nu uiteindelijk zien? Een onmogelijke vraag, maar toch: ‘Achter jou daar hangen foto’s van Masaï. De levens die we leiden zijn in eerste instantie zo onbegrijpelijk voor elkaar en toch behoren de Masai, net als Porno-Joy en Kim en de sweet crazies en jij en ik allemaal tot dezelfde soort. Het laat zien op hoeveel verschillende manieren je je leven kan leiden. Er is geen leidraad.’

© Schift, januari 2015

De bundeling fotozines over Pattaya wordt donderdag 29 januari gepresenteerd in Club Church in Amsterdam.
In De Balie in Amsterdam is tot en met 5 februari The Stan/Jan Show te zien.