Wonderlijk, hoe het allemaal begon. De eerste keer dat Steffie van den Oord dit domein van kluizen, dossiermappen en microfiches betrad was dat omdat ze, voor het eerst in al die jaren, redenen had om aan het verhaal van een eeuweling te twijfelen. Urenlang had ze bij een oude vrouw in de keuken doorgebracht, ze was tot tranen geroerd. Zo’n aangrijpend verhaal, zo schitterend geformuleerd. En let wel, ze had erg moeten aandringen om het verhaal op te mogen tekenen, normaal gesproken een goed teken. Toch klopte er iets niet, ze kreeg argwaan.

Die ochtend meldde ze zich bij Het Regionaal Archief voor uitsluitsel. Intuïtief had ze het bij het juiste eind gehad, het was een fake verhaal. En dus moest de doorgewinterde interviewster afscheid nemen van een geschiedenis die domweg te mooi was om waar te zijn. Prompt zat ze verlegen om een nieuw verhaal. ‘Ik wil iets met liefde, moord, doodslag en avontuur!’ had ze tegen de baliemedewerker gezegd, een beetje gekscherend. Pfoe, had de man gezucht, dat is lastig. ‘Ik weet het niet hoor.’ En na een korte stilte: ‘Het enige wat ik kan bedenken is de liefdesmoord uit 1712’.

Steffie van den Oord fietst naast me door haar geliefde Nijmegen. ‘Ik hoorde hem wel,’ zegt ze terwijl ze afremt, ‘maar liep een beetje gedachteloos de trap op, richting de uitgang. ‘Hmm,’ mompelde ik, ‘maar als je nog iets weet, laat het me weten’. En halverwege die trap drong pas goed tot me door wat hij had gezegd. Een liefdesmoord? In 1712? Hier in Nijmegen? Ik ben teruggelopen en heb hem het hemd van het lijf gevraagd.’

Ze zet haar fiets op slot en loopt met aanstekelijk enthousiasme voor me uit het gebouw van het archief in. Kind aan huis is ze hier inmiddels. Iedereen die ze begroet krijgt te horen: ‘Je komt toch ook naar de presentatie? En neem je vrouw en kinderen mee!’ Na lang aandringen is het haar gelukt om de boekpresentatie te organiseren in het stadhuis, in de voormalige schepenhal die zo’n cruciale rol speelt in haar boek. Muziekgroep Het Speelhuys, ‘met muziek zoals het toen in de kroegen en bordelen klonk, eigenlijk het 3FM van toen’, luistert de presentatie van haar boek straks op met overgeleverde melodieën uit de tijd van pruiken, kasseien en scharrebier, van hellebaardieren en schouten. Dat heeft ze toch maar mooi voor elkaar gekregen.

De liefdesmoord, dat is het verhaal van Anna Maria Vonk, de vrouw van procureur Huibert Cock, en hun huurder, de Duitse luitenant Behr. Het verhaal van de onwaarschijnlijke adulterij die twee geliefden op 28 maart 1713 op het schavot op de Grote Markt brengt. Steffie van den Oord, foto: Maarten SlagboomVeroordeeld wegens de moord op de bedrogen echtgenoot. Ten overstaan van een mensenmassa wordt zij er – ‘Lichtekooi!’, ‘Karonje!’ – gewurgd aan de paal , en hij – ‘Moordenaar!’ – geradbraakt. In de mensenmassa zoekt de overspelige vrouw vlak voor haar executie plaatsvindt de gestalten van haar vier jonge kinderen. De schavotscène is het slotakkoord van een zaak met folterverhoren met vragen als ‘Heeft u vrouw Cock die avond vleselijk bekend?’ en ‘Dus u wist dat hij uw man om hals wilde brengen?’ Een zaak waarin schrijfster Steffie van den Oord precies drie eeuwen later een Shakespeariaans drama ontwaart.

Vonk, haar vijfde boek alweer, is een historische roman en een zedenschets, eist een plek op ergens in het niemandsland tussen non-fictie en fictie, en heeft ook wel wat van een Nijmeegse variant op Les Liaisons Dangereuses. Met barokke zinnen als ‘Onder haar rokken en schort probeert hij zich het landschap – Saksisch, nee Nijmeegs glooiend – in kaart te brengen’. Met een moeder van vier jonge kinderen die ervan geniet dat de luitenant haar langzaam uitpakt, ‘alsof ze iets nieuws was, geen afgetobde moeder’. En met een luitenant die op zijn beurt, onmiddellijk nadat hij haar weduwe heeft gemaakt, bij de gedachte aan haar lichaam zijn lid zich alweer voelt oprichten. Op dat moment is hij er van overtuigd dat niemand het lichaam van zijn rivaal, dat hij heeft laten afzinken in de Waal, zal terugvinden. Maar hoewel zo’n lichaam heel snel de rivier af kan drijven, komt het vroeg of laat altijd boven. Steffie van den Oord weet dat. ‘Al giet je het in beton’. Ze heeft navraag gedaan bij de recherche, in het kader van de research voor haar boek.

Om te ervaren hoe het was liet ze zich ook opsluiten in de middeleeuwse keldercel waar haar hoofdpersonage indertijd haar lot afwachtte. In Limburg vond ze een verre nazaat van de scherprechter (‘ik mocht van hem geen beul zeggen’) die haar er trots op wees dat het heus een echt vak was dat zijn welgestelde voorvaderen beoefenden. Duimschroeven aandraaien is één ding, maar ze zó aandraaien dat de duimen niet breken, dat is niet voor iedereen weggelegd. ‘Ik dacht: ik ga me in de beul verplaatsen, ik kan hem als relatieve buitenstaander dingen laten afvragen die ik mezelf afvroeg. En op zeker moment betrapte ik me op vragen als: wat is nou eigenlijk wreder, twintig jaar TBS krijgen in de wetenschap dat je er nooit meer uitkomt, of onthoofd worden? Maar ik realiseerde me ook dat al die zaken waarbij een bekentenis wordt verkregen met behulp van martelen eigenlijk onopgeloste zaken zijn.’

Elk detail van rond 1710 was bruikbaar. Elke kruimel uit een andere rechtszaak die voor couleur locale kon zorgen werd gretig in Vonk verwerkt. Als er op een schilderij in een uithoek achter de notabelen drie wasvrouwen aan het werk waren, maakte ze daar dankbaar gebruik van om uit te zoeken hoe gewone vrouwen er in die tijd uitzagen. ‘Dat is nog wel het ingewikkeldste. Ik weet van Vonk wanneer ze ongesteld was, maar niet hoe ze eruit zag. Ik heb haar rood haar en sproeten gegeven.’

Breuk

Steffie van den Oord is de eerste om het te erkennen: Vonk betekent een breuk met haar eerdere werk dat goeddeels in het teken stond van eeuwelingen, oude van dagen die zo’n eerbiedwaardige leeftijd hadden bereikt dat ze levende geschiedenis waren geworden. Ze brak door met een bundel interviews met honderdjarigen (Eeuwelingen, 2002), schreef boeken over een revuester in kamp Westerbork (Westerbork Girl), over onmogelijke liefdes tussen moffenmeiden en nazi’s (Liefde in oorlogstijd) en over epische familiegeschiedenissen (Oud was ik toen ik jong was). Ze was een chroniqueur geworden van levensverhalen die de twintigste eeuw beslaan.

‘Eigenlijk trok het me to-táál niet, 1712. Die pruikentijd, ik had daar helemaal niks mee. Liefde, bloed, avontuur, oké… Maar 1712? Gaandeweg vond ik het fascinerend om te ontdekken dat driehonderd jaar geleden, hier in deze stad, zo’n onmogelijke liefde mogelijk is gemaakt in zo’n herberg. Zo’n heel gewone vrouw met vier jongere kinderen, ik had zoiets gewoon niet verwacht. De eeuwelingen van wie ik altijd de verhalen had opgetekend zijn ademende archieven. Maar nu ontdek ik dat archieven ook ademen. En dat niet alleen, in de archieven slaan ze elkaar de hersens in, ze plegen overspel. Nou ja, ze hebben vleselijke conversatie, nog mooier. Die archieven barsten kortom van het leven, met mensen van vlees en bloed. Ineens steken er uit dat muffe papier vijf personages de kop op, met liefdes, zwangerschappen, woede, noem het maar op. Ik vond het erg leuk om in Behrs huid te kruipen, omdat hij iemand is die ergens vol voor gaat. Gek genoeg gaat zo’n minnaar-moordenaar me makkelijker af dan een vrouw als Vonk. Hij had kunnen zeggen: ik heb een avontuurtje gehad met die vrouw, maar ze is getrouwd en daar laat ik het bij. Maar nee, hij wil met haar vluchten naar Luik, hij gaat tot het uiterste. Je kunt zeggen: wat een drammer, en dat is hij natuurlijk ook. Maar iemand die het onmogelijke najaagt, dat vind ik ontroerend.’

Aan de balie heet het dat Steffie van den Oord in de studiezaal van het archief bij het meubilair is gaan behoren. Daar, aan die tafel waar nu een filoloog geconcentreerd over papieren zit gebogen, bracht ze met rode konen talloze uren door. Nu, vele bezoeken later, volstaat een simpel ‘Is het weer zover?’ en vooruit, andermaal wordt inventarisnummer 986 uit het rechterlijk archief opgediept. Ze popelt om te laten zien waar het allemaal mee begon. Ah kijk, daar zijn de stukken. Deze vier centimeter, daar moest ze het mee doen. Ze slaat de dossiermap open en laat een stapel brieven zien. De originele brieven van Behr, en de ‘translaten’, vanuit het Duits in het Nederlands. ‘Mijn getrouwen gelief, ik hoor met veel liefde dat ik gisteren den ganschen dag uwer gedachten geweest ben. Weesch verzekerd dat het bij mij ook zo geweest is’.

Pièce de résistance is de belofte van trouw, de met bloed ondertekende verklaring van Behr waarin hij zijn geliefde vraagt om haar kinderen te verlaten. Ze bladert door de stapel. ‘Hier kijk, hier vind je de martelverhoren. Behalve dat die liefdesbrieven mij fascineerden omdat ze zo’n dwangmatig en dichterlijk karakter hadden vroeg ik me af: wat is dit voor een liefde, komt het niet alleen van hem? Zelfs tijdens het schrijven van het boek nog twijfelde ik eraan of het wel echt liefde was, en of het wel echt om een liefdesmoord ging. Ik vond het zo’n rare gast, het leek wel alsof hij alleen maar stalkt en bedreigt. Het leken de brieven van een waanzinnige. Hoe weet ik wat zij ervan vond? Dat was tegelijk irritant en een drijfveer. Tijdens het schrijven begon ik het gaandeweg te snappen. En raakte ik ervan overtuigd dat het wel degelijk een wederzijdse liefde was. Ik vond het bijvoorbeeld heel veelzeggend dat hij niet is gevlucht na de moord. Hij vertrouwde erop dat het wel goed zou komen. Hij heeft alles op alles gezet om haar te krijgen en was zeker van een goede afloop. Zij op haar beurt blijft tijdens de martelverhoren volhouden dat ze niet medeplichtig is. ‘Al trekken ze me met vier paarden uiteen,’ zegt ze, terwijl haar man vermist wordt en allang het gerucht gaat dat hij is vermoord. Heel bijzonder. Een potig wijf, niet voor de poes, dat fascineerde me. Ik heb alles laten lezen aan een oud-rechter en die zei: het is een interessante casus want: wat is medeplichtig? Als je ervan weet en je doet niks, of als je mee handelt?’

Nijmegen

Op fluistertoon, om de bezoekers in de stille ruimte niet te storen, alsof we hier een complot smeden: ‘Kom, ik laat je een aantal lokaties zien.’ We lopen de stad in. Een grijze oktoberdag, het is stil op straat. Ze is nog meer van de stad gaan houden, zegt ze. Van garnizoenstad Nijmegen, van wat vermoedelijk de oudste stad van Nederland is, van de rode stad die nog niet zo lang geleden doorging voor het ‘Havana aan de Waal’.

We lopen het Gapershof in, waar eens ook de ‘Gapersgas’ was. ‘Hier, achter de H & M, moet Vonk hebben gewoond. Het is bijna niet voor te stellen, maar het moet zo zijn. Ik kon het reconstrueren doordat ik achterhaalde wie haar buren waren die hiernaast een pand hadden. Anna Maria Vonk moet vanuit dit steegje zo de Grote Straat op zijn gelopen die toen echt de hoofdader van de stad was die leidde naar de pont over de Waal beneden. Daarginds, waar je die automatiek ziet, daar moet herberg De Drie Kronen zo ongeveer hebben gezeten.’ Beneden, in de verte stroomt het water van de Waal. De rivier die, zoals ze het in Vonk schrijft, ‘tegen de stad aan schurkte en zich na een koele omhelzing weer met een bocht van de stad afkeerde, als na een gril’.

We passeren In De Blaauwe Hand, het oudste café van de stad, waar ze in haar studententijd werkte. ‘Ik ben er ontslagen,’ lacht ze, ‘omdat ik de kelder niet in durfde om een vat te verwisselen, bang als ik was voor de grote spinnen die daar zaten. Maar ik stond ook gewoon veel te lang met klanten te praten.’ Aan de overkant De Waagh, het pronkstuk van de benedenstad, indertijd De Hoofdwacht geheten. ‘Hier om de hoek hing de draaikooi voor overspelige vrouwen. Als je heel goed kijkt zie je de contouren nog in de muur. Vonk is er zelf niet in beland, maar ze moet er regelmatig vrouwen in hebben zien zitten. Je zou toch denken dat dat een afschrikwekkend effect zou hebben hè? Ze heeft zoveel op het spel gezet, alleen daaruit blijkt al dat ze verliefd moet zijn geweest. Zo’n draaikooi… Als je in deze tijd getrouwd bent en vreemdgaat zet je je relatie op het spel, maar vroeger hadden je handelingen nog veel meer consequenties. Alles is nu vrijblijvender. Ik besef nu beter hoe bijzonder deze tijd is. Ik zou absoluut niet terug willen in de tijd – al die vrouwen die stierven in het kraambed, en je werd om het minste geringste gegeseld of verbannen – maar ik heb het nodig dat ik de geschiedenis dichtbij haal. Het is net als naar een ontwikkelingsland gaan. Dan ben je na je terugkeer ook zo blij met wat je hebt.’

Overal, in nissen, op pleintjes en bij doorgangen, vond Steffie van den Oord geschikte plekken om te schrijven. ‘Ik wilde niet meer aldoor thuis zitten, het schrijven in de openlucht beviel me goed. Zonder laptop, gewoon op papier. Een illustratrice die net als ik een werkruimte heeft in de Vrouwenschool zei tegen me: volgens mij gebeurt er meer tussen je hand en je hoofd als je gewoon met de hand schrijft. Ik denk dat ze daar gelijk in heeft. Ik merk het ook als ik aan het bellen ben en gedachteloos een krabbeltje zet op het papiertje dat voor me ligt. Voor je het weet maak je een echte tekening, en sta je na afloop van het telefoongesprek versteld van wat je hebt getekend. Iets dergelijks speelt ook bij het schrijven met de hand. Ik wil niet anders meer. M’n handschrift is er ook weer veel beter op geworden.’

Moordenaresje

Vorig jaar, vlak voor ze zich aan Vonk zette, beet ze zich vast in een interessante oorlogszaak. Het verhaal van Atie Ridder-Visser, een Leidse verzetsvrouw die een jaar na de oorlog alsnog een collaborateur vermoordde. Later bleek dat de man, werktuigbouwkundig ingenieur Felix Guljé, zelf in het geheim ook verzet had gepleegd, onder meer door joden aan onderduikadressen te helpen. Op haar 96e schreef de voormalige verzetsvrouw een bekentenis aan de burgemeester van Leiden. Ze wilde er op haar hoge leeftijd wel mee naar buiten komen, omdat de zaak verjaard was en ze haar daad niet mee het graf in wilde nemen. De zaak kreeg veel aandacht. Een kolfje naar de hand van Steffie van den Oord.

Eeuwelingen‘Het moordenaresje, zo noem ik haar altijd. Het fascineerde me, ze had in het verzet gezeten, het was de beste tijd van haar leven geweest. Ik interviewde haar regelmatig, ging ook vaak met haar wandelen in de rolstoel. Door haar uit wandelen te nemen kon ik iets voor haar terug doen. Op een gegeven moment belde ze op: Steffie, je moet komen, want morgen komt junior op bezoek! Junior, dat is de zoon van Felix Guljé. Ik wilde natuurlijk graag komen, maar moest eerst aan Guljé vragen of hij daar wel mee akkoord ging. Heb je z’n 06-nummer?, vroeg ik. Nee, dat heb ik niet, zorg maar gewoon dat je er bent! En toen legde ze neer.’

‘Ik was er al een half uur van tevoren, hielp haar met koffie zetten, met alles klaar zetten. Langzaam maar zeker was ik er in de rol van een soort huishoudster beland. Ik dacht: weet je wat, ik leg m’n microfoon gewoon open en bloot op het midden van de tafel, en we zien wel wat ervan komt. Hij belt aan, een bos bloemen in z’n hand. Het eerste wat ze tegen hem zegt is: ‘Het spijt me zo dat ik uw vader heb doodgeschoten’. Waarop hij zegt: ‘Het is goed. Ik kom u een bosje bloemen brengen’. Dat moment hád ik dus gewoon. Met een camera zou je dat nooit voor elkaar krijgen. Omdat ik er op een heel natuurlijke manier was, ik was er als een huishoudster koffie aan het zetten, had ik dat moment heel sec, gewoon zoals het ging. Hij had er op zijn beurt op gewacht tot de hype over was, en wilde een keer bij haar op bezoek gaan. Ik maakte me vervolgens kenbaar als journalist, zei dat ik het zou wissen als hij dat wilde. Maar dat hoefde niet. Hij had altijd gehoord dat het om een bruggetje ging, een houten bruggetje dat zijn vader zou hebben herbouwd. Het verhaal was dat het bruggetje door het verzet was gesaboteerd maar door de het bedrijf van Guljé weer zijn hersteld. Hoewel daar in dossiers niets van terug werd gevonden werd de liquidatie doorgezet. Diezelfde dag nog heb ik dat helemaal met hem uitgeplozen en we kwamen tot de conclusie dat dat bruggetje waarschijnlijk nooit bestaan heeft. Dus zij, het moordenaresje, is er eigenlijk ook een beetje ingeluisd. Guljé junior had het vermoeden dat een sigarenhandelaar uit de buurt een hekel aan zijn vader had gehad. Dat er heel andere dingen speelden. En dat zij daar eigenlijk voor gebruikt is. Die versie heb ik vervolgens, met behulp van het NIOD, tegenover die van haar geplaatst voor een radio-documentaire.’

‘Ik had sympathie voor haar opgevat. Ze was best eenzaam, en ik had wel lol met haar. Ik moet een grens bewaken, maar ik vind het tegelijkertijd belangrijk om iemand goed te leren kennen, om steeds iets meer van het verhaal boven te krijgen. De manier om toch afstand te houden is door vast te houden aan m’n eigen vragen, niet volledig mee te gaan in haar woordenstroom. Toen ik haar voorhield dat het bruggetje waarschijnlijk nooit bestaan heeft, werd ze me toch kwaad! Woest werd ze. Wat weet jij ervan?, schreeuwde ze. Het spijt me, zei ik, maar ik heb het allemaal uitgezocht en vermoedelijk heeft het bruggetje nooit bestaan en bent u erin geluisd. Kwaad dat ze was! Daar weten ze bij het NIOD niks van af! Waren zij er bij soms? Nou dan! Het gekke was dat het ondanks haar woede niet tot een verwijdering tussen ons leidde. Het ging gewoon. Ze hield niet van geslijm, het was een interessante, pittige vrouw.’

‘Mensen maken zelf een verhaal van hun leven, ze maken het in hun hoofd kloppend terwijl het in veel gevallen van toevalligheden aan elkaar hangt. De enige manier om als schrijver alert te blijven is door ze te confronteren met hun eigen tegenstrijdigheden. En mijn ervaring is ook dat hoe langer je je in iemand verdiept – zoals Hannelore, de Westerbork Girl die ik opzocht in New York – hoe beter je zo iemand leert kennen, hoe meer het verhaal zelf z’n eigen nuances wel krijgt. Bij het moordenaresje was dat nog niet zo makkelijk omdat ze voor zichzelf steeds moest goedpraten wat ze had gedaan. Daardoor had ik haar verhaal niet goed kunnen schrijven en is het goed dat het bij die radio-uitzending is gebleven. Ik drong niet goed genoeg tot haar door om haar uit die cyclus te trekken van alles voor jezelf willen goedpraten.’

‘Zoals ik levensverhalen van ouderen aanhoor, zo kijk ik niet naar m’n eigen leven. Nog niet, in ieder geval. Toen ik laatst Hemelvaart las, dat nieuwe boek van Judith Koelemeijer, merkte ik wel dat ik me heel sterk met haar identificeerde. Zij is van 1967, ik van 1970. De jaren tachtigmuziek die werd genoemd, het beeld van zo’n groep vriendinnen op vakantie naar Griekenland… Alles wat wij ook deden. Ineens drong tot me door dat ook dat inmiddels geschiedenis is geworden. Maar ik vind het minder interessant als ik het zelf heb meegemaakt. Als ik door zou gaan met die eeuwelingen komen hun verhalen, naarmate ik zelf ouder word, steeds dichter in de buurt van alles wat ik zelf al heb meegemaakt. Ik zou nooit mezelf in een verhaal willen plaatsen. Mijn eigen tijd, dat weet ik allemaal al. Het zet me niet op een ander standpunt om naar dingen te kijken. Als je in de geschiedenis duikt kijk je echt met die bril naar de wereld, wissel je van perspectief.’

Ammeroois

‘Als we tijdens reünies van de lagere of de middelbare school herinneringen ophalen wordt dat als vanzelf een soort mythische wereld. De leraren, het snoepwinkeltje, de boeren. Steeds mooier en kleurrijker worden die jaren van mijn jeugd. Het speelt zich af in Ammerzoden. Ammerooie, in het plat. Er waren van die markante figuren in het dorp, zoals Anneke Pis. Anneke van ’t Huukske is dat. Ze had een snoepwinkel in een oud pand, je moest over een donker trappetje naar boven. Ze was heel oud, had grote pukkels in haar gezicht met haren eruit, en was waarschijnlijk incontinent. Daar was toen nog niet zulk mooi materiaal voor, dus het stonk er altijd naar pis. Stekeblind was ze. Veel kinderen legden een stuiver neer maar grepen aan snoep wat ze maar konden pakken. Later heb ik gehoord dat ze dat wel wist. Maar ze vond het goed zo. Dat winkeltje was haar leven, zo bracht ze haar oudedag door. Wij van de Club van Zes waren altijd door die oude mensen gefascineerd. Een vriendinnenclubje, met alles erop en eraan; een clubhuis en eigen codes.’

‘Ik kom echt uit een Ammerooise familie, er werd plat gepraat. Mijn vader was groenteboer, zijn vader was aardappelhandelaar. Zelfs na z’n tachtigste verkocht opa nog aardappelen vanuit de kofferbak van z’n Opel Kadett. Ik herinner me dat er een keer iemand van de regionale krant een stukje over ‘m wilde maken, maar daar moest ie niks van weten. Volgens mij was hij bang dat hij problemen met de belastingdienst zou krijgen. Op een gegeven moment stond hij met een uienboer te praten – heel plat, over de vieze juinen, Wazegde? Witte wel wa ge zeet? – maar ik hóórde dat niet. Hij was gewoon mijn opa. Maar een van m’n vriendinnen van de Club van Zes was gebiologeerd. Ze ging ‘m nadoen. Ineens dacht ik: verrek, mijn eigen opa is ook zo’n markante figuur. Plots was er dat besef dat hij zelf ook al bijna geschiedenis was. Ik denk dat mijn belangstelling voor geschiedenis door die markante figuren al is gewekt. Dat beeld van zo’n mij onbekend oud boertje dat vanuit de verte over de lange Achterstraat aan komt fietsen en al op grote afstand langzaam die arm omhoog brengt en dan precies een paar meter voor je elkaar passeert de arm op het hoogste punt heeft en ‘Heeeuueee!’ zegt. Ik was me als kind er al van bewust dat dat een verdwijnende wereld was.’

‘Op zeker moment kregen we een nieuwe keuken. We hadden zo’n heel mooie keuken uit de vroege jaren zeventig met van die bolletjes, en veel bruin. Alles werd weggehaald. Onverdraaglijk vond ik het dat die oude keuken gewoon verdween. Ik wilde alles behouden of z’n minste vastleggen met foto’s. Het is de tragiek van dingen die verdwijnen, en dat daarmee onherroepelijk, hoe klein ook, iets van je eigen leven verdwijnt. Een jaar of negen was ik, denk ik.’

‘Eigenlijk is dat hetzelfde gebleven, met die drang om verhalen van oude mensen te bewaren. Ik houd erg van oude spullen, van oude dingen. Dat moet ik trouwens niet hardop tegen m’n man zeggen, die is elf jaar ouder! Ik moet ook sterk de neiging onderdrukken om van m’n eigen kinderen niet alles te bewaren, elke tekening, elk kattebelletje. En als het niet strikt noodzakelijk is, zal ik nog steeds niet snel een nieuwe keuken nemen. Mijn kinderen hebben dat ook sterk: alles moet bij het oude blijven. Waarom zouden wij een nieuwe badkamer moeten hebben? Deze doet ’t toch nog? Natuurlijk, als de nieuwe badkamer er eenmaal is zullen ze zich onmiddellijk aanpassen, maar dat besef dat dingen voorbij gaan, dat hebben kinderen al heel jong heel sterk. Dingen moeten bewaard, en recht gedaan. Ik zie Vonk ook als een eerbetoon aan haar. Schrijftechnisch is het leuk om in de minnaar-moordenaar te duiken, maar als boek is het een eerbetoon aan haar. Ze is toch ten onrechte aan die wurgpaal gestorven, ik geloof niet dat ze medeplichtig was aan de moord op haar man.’

Stem

Zo rond de millenniumwisseling kende ik haar enige tijd als collega-radioverslaggever. Zo’n markant stemgeluid als dat van Steffie van den Oord is in tien, vijftien jaar tijd al even ongewoon geworden op de nationale nieuwszenders als een stevig accent. Ze bezocht in die tijd niet alleen eeuwelingen, ze reed van hot naar her, berichtte over het vallen en opstaan van biologische boeren, en stak de thermometer in de samenleving na de moord op Pim Fortuyn. Altijd monter, en met open vizier. Wie alles wat ze vertelt uitschrijft leest een serieuze verhandeling, maar wie naar haar luistert krijgt er die stem bij. Hoog, meisjesachtig, ontwapenend, haast verraderlijk naïef. Geen wonder dat al die eeuwelingen haar zoveel toevertrouwen. Zonder die stem zou ze het vermoedelijk een stuk lastiger hebben bij het doordringen tot al die zielenroerselen. Ze klinkt als een klein opdondertje dat de baard nog niet in de keel heeft. Maar opgelet, dit is een 43-jarige vrouw die van wanten weet.

Ze zegt: ‘Ik was altijd buiten, en las nooit een boek. Bij de slager zeiden ze: ‘Zegt u het maar, jongeman!’ Ik was klein en ik kwam met alles weg. Ik kon altijd alles vragen. Als er iets lastigs gezegd of gevraagd moest worden werd ik altijd aangestoten: ‘Doe jij het maar’. En ik wist: mij doen ze niets. Niemand in de klas wist wat er met een ‘vieb’ bedoeld werd. Dus keken ze allemaal naar mij. Dan stak ik meteen m’n hand op, ‘Meester, wat is een vieb’? Dat was dan een vibrator. Hele klas lachen. En dat is altijd zo gebleven. Slechts één keer, toen ik hoogzwanger was en voor de radio naar het Noord-Limburgse Horst toog waar Polen slecht gehuisvest werden, kwam ik er niet mee weg. Ik ging met open microfoon bij die beruchte boer het erf op en kreeg meteen te horen dat ik moest maken dat ik wegkwam, of hij zou de hond op me afsturen. Doet-ie toch niet, dacht ik. Nou, wel dus! Ik moest me toch een partij hard rennen om die hond van me af te schudden. Dat was eigenlijk voor het eerst dat ik me realiseerde dat ik niet altijd overal mee wegkom.’

Op de fiets, terug naar huis, weer opgetogen over haar nieuwe werk: ‘Vroeger had je een stroming die sprak van la vie romancee. Ik denk wel eens: misschien kwamen die schrijvers dichter bij de werkelijkheid dan wetenschappers. Door te fictionaliseren doe ik de werkelijkheid meer recht dan met een droge opsomming van de feiten. Het geeft zo’n kick als je iets nieuws in de vingers krijgt. Een zaak uit het archief halen schept natuurlijk ook vrijheid. Ik word niet tegengesproken. Ik hoef mijn personage niet op te zoeken om gelegenheid tot weerwoord te geven. Niemand die ineens opstaat en zegt: zo is het niet gegaan.’

Thuis zitten we in een kleine uitbouw aan de keuken, die waarschijnlijk ooit een schuurtje is geweest. Dochter Silke zit op de grond te spelen. Ton, haar man, voormalig GroenLinks-wethouder in de stad, zet koffie. De huizen in deze buurt Altrade zijn uit de jaren ’20, vertelt hij. Nog niet zo lang geleden woonden ze een paar panden verderop. Wie de vele schilderingen en tekeningen aan de wand ziet, geprikt met een punaise, zou zweren dat deze zithoek het domein van de kinderen is, Silke van 5 en Koos van 10. Steffie kijkt naar de muren. ‘Ah, je bedoelt de tekeningen! Veel goedkoper dan de Kunstuitleen! En nog mooier ook.’

westerborkZe vertelt over de historicus, die dezelfde liefdesmoord op het spoor bleek te te zijn en óók aan een boek werkte, oud-hoofdredacteur van de Gooi & Eemlander Guus Pikkemaat. ‘Eerst hield me dat erg bezig, later, toen ik hem bezocht had dacht ik: wat kan het me ook schelen. Al verschijnen er twintig boeken over de liefdesmoord. Dit is mijn boek.’ Haar eerdere werk loopt nog altijd goed, Eeuwelingen is al aan een veertiende druk toe. Van Westerbork Girl zijn onlangs de filmrechten verkocht. Nog maar een paar maanden geleden liep ze met het plan rond een nieuwe generatie eeuwelingen te portretteren. ‘Ik was net weer begonnen met het benaderen van eeuwelingen. Maar ik betrapte me erop dat ik al snel verveeld raakte aan de telefoon. Ik ken hun verhalen inmiddels wel. Erg hè? Het komt ook omdat ik via die archieven ontdekt heb dat ik eigenlijk de hele wereldgeschiedenis tot m’n beschikking heb.’

In een verhaal over drie Italianen die in 1720 een tocht maken naar Nederland om geld op te halen om daarmee hun in Turkije tot slaaf gemaakte broers vrij te kopen, ziet ze een nieuw boek. ‘Ze leggen die hele tocht af, en dan wordt een van hen hier in Doesburg vermoord. De anderen worden opgepakt. Of ze hun broers los hebben weten te kopen weet ik nog niet. Daar moet ik nog ’s voor naar Genua, ze komen uit een dorpje daar in de buurt. Ze vertrekken met Kerstmis, op sandalen, in lederen broeken en trekken in de winter over de Alpen heen, om die broers vrij te kopen. Weer zo’n onmogelijke actie, weer die ontroering.’

Eerder, wandelend door de stad had ze gezegd: ‘Wat je als kind interessant vond, vind je later nog steeds interessant. Ik hou nog steeds van spannende verhalen. Van rennen. En van Snoopy lezen. Grappig is dat hè. Je wordt ouder, maar in wezen verander je niet.’

© Schift, oktober 2013