‘Terribly arty!’ grapte zanger Edwyn Collins tijdens een Q & A over de film die over hem was gemaakt en die nu op het documentairefestival IDFA is te zien. The Possibilities are Endless is een poëtische film over het herstelproces van een man die zich na twee hersenbloedingen een weg terug probeert te vechten in zijn eigen verleden. Na de beroertes kon hij niet meer lopen en spreken en was zijn geheugen goeddeels verdwenen. De film wekt zijn verleden tot leven met evocaties van herinneringen: oude super 8-filmpjes, en nieuwe beelden die de flarden in zijn hoofd verbeelden, associatieve beelden van de zee, vogels, vissen, rotsen. En uiterst spaarzame flarden van optredens. Het publiek, de microfoon, lampen, de set. Intussen hoor je Collins zoeken naar woorden. Moeizaam vinden ze een weg naar buiten.

Voor mij is Edwyn Collins zelf zo’n flard uit een grijs verleden. Hij maakt deel uit van een bonte beeldencarrousel in mijn hoofd met fragmenten uit televisieprogramma als The Tube en Jonge Helden, het tijdschrift Vinyl en veel, heel veel kunstzinnige platenhoezen. Orange Juice was een van de namen ik die met een zwarte stift op de groene militaire pukkel had gekalkt waarmee ik elke dag naar school liep. The Associates stond er ook op, Magazine, Aztec Camera, New Order, The Jam, en nog wat namen waarvan ik niet meer helemaal zeker ben.

Ik had de leeftijd van mijn dochter nu. Als ik haar hoor praten over haar favoriete muziek, die ze online vindt via doorverwijzingen op YouTube, denk ik dat het muziek is die beelden bij haar oproept van jacuzzi’s, dure winkels en wolkenkrabbers. De beelden die de muziek waarnaar ik luisterde opriep waren die van verlaten fabriekshallen, nachtelijke metrostations, kraakpanden en een slecht belichte dansvloer. Grauw was cool. Na schooltijd zwierf ik over het verlaten rangeerterrein achter het station of fietste ik naar tunnels met graffiti. ‘No future’ was niet helemaal een loze kreet, de tegenspoed drong daadwerkelijk het leven binnen. Mijn vader belichaamde zelf de kille ontslaggolf door op z’n 43e aan de kant te worden gezet op z’n werk, en de dreiging van de Koude Oorlog beheerste regelmatig het nieuws.

Toch was het geen doembevestiging die ik zocht, eerder stonden de grauwe fabriekshal en de afgetrapte legerkistjes voor eigentijdse romantiek. Op de puinhopen kon weer iets nieuws bloeien. Dirk van Weelden schreef daar mooi over in zijn bundel Van Hier Naar Hier:

‘Er werd veel zwart gedragen, sommigen zetten zwarte potloodstrepen onder de ogen, nadat men de haren zwart geverfd had, de muziek die men speelde in halfdonkere kelders was slepend en dreunend, voorzien van echo’s en verwrongen stemmen die zongen van wanhoop, waanzin en verval. Affiches repten van ‘dansen op de vulkaan’. Veel van deze uitingen waren pure mode, aanstellerigheid en een bewijs van geringe fantasie. Maar er was ook speelse gevoeligheid, plezier in oneerbiedige eigengereidheid, een voorliefde voor snelheid en voorlopigheid; dat waren betere kwalificaties. Nee, somber kon je de onstuimige dadendrang en experimenteerdrift die er heersten onmogelijk noemen.’

Tactisch negativisme is de term die hij daaraan verbond. Voor je het weet ga je er trouwens in geloven dat de hele wereld toen met die blik naar de wereld keek. Dat is natuurlijk bepaald niet zo, ik zou niet graag de kost geven aan alle veertigers die bij de vroege jaren tachtig denken aan skivakanties, Wham! en hedonisme.

The AssociatesNiet gek dus dat ik in de grauwheid naar een vleugje glamour zocht. Zelfs de meest fervente shoegazer, het gelaat zorgvuldig verscholen achter de piekharen, is ten diepste een romanticus, net als ongetwijfeld al die neo-goths die na hem kwamen. Als ik bijvoorbeeld denk aan een van Edwyn Collins’ Schotse generatiegenoten, Billy MacKenzie van The Associates, zie ik ook een man die met alle macht theater, opera in de muziek wil brengen in een tijd waarin dat not done was. Een zanger met een hemelse falsetstem, met een baret en twee aangelijnde hazewindhonden. Billy MacKenzie, echt een held van me in die tijd, maakte het volstrekt aanvaardbaar om de punkmentaliteit uit te dragen en toch Diana Ross (Love Hangover) te eren. Precies zoals Edwyn Collins met zijn groep Orange Juice northern soul in de post-punk blies. What Presence?!, dat is een vleugje punk, een vleugje Velvet Undergrond en een vleugje Motown ineen.

Achteraf gezien waren al die bandjes die ontsproten waren aan de punkbeweging veel minder puriteins dan ik indertijd dacht. The Jam hield immers ook van oude soul (Heatwave van Martha & The Vandellas, Move On Up van Curtis Mayfield), The Stranglers coverden Walk On By van Burt Bacharach, en The Clash nam een nummer van Brenda Holloway op (Every Little Bit Hurts). Waar maakten we ons indertijd toch druk om, met al die schotjes tussen de genres? Ik kan het niet meer goed navoelen. Het moet toen allemaal haarscherp zijn geweest, het beeld van wat er wel en wat er niet kon. Nu is het onscherp en beduimeld, als een mislukte foto die je bewaard hebt omdat hij nu eenmaal was afgedrukt maar waarvan je niet meer helemaal weet wat je nu precies wilde vastleggen.

Deze zomer verbleven we een paar weken in een huisje op het Franse platteland. De Nederlandse eigenaar had er alle jaargangen van het tijdschrift Vinyl liggen, keurig opgestapeld in chronologische volgorde. Het doorbladeren van al die tijdschriften was wat je noemt een trip down memory lane. Alle namen die ik eertijds op m’n tas had gekliederd passeerden de revue. Wat me vooral opviel was dat het een uitgesproken blanke aangelegenheid was, voor wat we meestal zwarte muziek noemen was nauwelijks ruimte.

In een interview dat ik ooit met Joost Niemöller had, in de jaren tachtig hoofdredacteur van Vinyl, blikte hij er als volgt op terug: ‘Die houding van punk was er een van sterke afbakening. Een koele, afstandelijke en uitgesproken seksloze uitstraling. Ik bracht veel tijd door in de Mazzo met hangen. Een sfeer van vergaande lamlendigheid, die toch spannend was, met name door het ‘cool’ zijn en het cocaïnegebruik. Dansen was uit den boze. Het ging uiteindelijk om vrijheid, maar we dwongen onszelf tegelijkertijd in een keurslijf. Veel zaken, met name voortbrengselen uit de jaren zestig, waren absoluut not done en daar ging ik volledig in mee. We lieten de zwarte muziek volledig links liggen, daar was ik te streng in. De idolatrie die ontstond voor met name de Velvet Underground was, hoezeer ik die ook deelde, welhaast een plicht.’

Door andere muziekstromingen te negeren legde Vinyl achteraf ongewild een streng regime op. Dat is sowieso iets waarmee je werd opgezadeld als je in de punktijd of kort daarna opgroeide: er was, als je de leeftijd had om daarvoor ontvankelijk te zijn, heel veel not done. Gitaarsolo’s, conceptalbums, technisch vernuft, nummers die de drieënhalve minuut-grens overschreden. Niemand die letterlijk zo’n lijstje voorschreef natuurlijk, maar kennelijk waren er ongeschreven wetten die nageleefd dienden te worden. En geen moment vond ik het indertijd vreemd dat er wel zoiets was als blue eyed soul, maar geen black punk. Wie schetst mijn verbazing toen ik onlangs in de krant een reportage las precies daarover: black punk. Fotograaf Phil Knott portretteert al vijf jaar de Afro-punkers van de sub-subcultuur waarvan ik nog niet had gehoord, James Spooner – verbaasd over het feit dat de punk-scene overwegend blank was – maakte een documentaire over het verschijnsel. Een dag of wat later stond er een overigens een ingezonden brief in de krant van iemand die de lezer er naar aanleiding van het artikel op wees dat in 1979 in Washington D.C. de band Bad Brains werd opgericht, met louter Afro-Amerikanen als leden. De schrijver van de brief, Eric Baars uit Haarlem, heeft helemaal gelijk natuurlijk. Bad Brains trad trouwens ook op tijdens het Afropunkfestival dit jaar. Ik was ze compleet vergeten. Ook een naam die volledig was weggezakt.

Ik tikte de bandnamen die op mijn pukkel stonden in op de zoekbalk van Google. Ik leerde dat Howard Devoto van Magazine jarenlang uit de muziekwereld was verdwenen, maar nu sinds enige tijd weer optreedt met zijn oude bands Magazine en The Buzzcocks. Ik leerde dat New Order ook weer bestaat en aan nieuw materiaal werkt. Billy MacKenzie is nog steeds dood, dat wist ik al. Al sinds 1997. Zelfmoord. Ik had graag gezien en gehoord wat er van hem geworden was.

En ik eindigde bij Edwyn Collins, die zich dus een weg terug baant in de muziekindustrie sinds zijn beroertes. In de eerste periode kon hij maar vier dingen zeggen: ‘Yes’, ‘No, ‘Grave Maxwell’ (de naam van zijn vrouw) en, wonderlijk genoeg, het zinnetje ‘The possibilities are endless’. Ik bekeek een eerdere reportage die de BBC uitzond over zijn hersteltijd. Van zijn gloriedagen – na Orange Juice scoorde hij solo nog een grote hit met A Girl Like You – herinnerde hij zich weinig. Toen zijn zoon hem de mooie reacties van oude fans liet lezen op de MySpace-pagina die hij voor z’n vader had aangemaakt was Edwyn Collins trots. Trots op wat hij eens zelf scheen te hebben gemaakt. Zijn spraakvermogen is nog altijd beperkt, maar inmiddels brengt hij wel weer platen uit, die nog goed ontvangen worden ook.

In de krant las ik ook dat Jimmy Ruffin was overleden. In een bijzin werd vermeld dat hij in 1983 samenwerkte met Paul Weller van The Jam, in het nummer Soul Deep, een benefietsingle voor stakende koolmijnarbeiders. Een strijdbare punker en een oude soulster. Ik heb het vast hoofdschuddend aangehoord toen, en vervolgens snel verdrongen, want ik herinner me dat nummer helemaal niet. Paul Weller, rappend en swingend! Nu denk ik: Jimmy Ruffin… Wat een eer moet dat zijn geweest voor die Weller. Hij had zijn belangstelling voor soul vooral aan Ady Croasdell te danken, die als DJ mee ging op tours van The Jam en veel northern soul draaide.

Toen ik Edwyn Collins deze week zag in een mooie kleine reportage over zijn bezoek aan het IDFA en What Presence?! weer eens opzette en meeneuriede met dat koortje (‘Watcha gonna do when the river runs dry?’), bedacht ik dat het toen, in de muziek van al die bandjes die met hun naam op mijn groene pukkel prijkten, allemaal al besloten lag, mijn huidige voorliefde voor soul. Onmiddellijk drong zich ook een andere flard op. Ik lig op m’n rug in het zwembad, ik ben elf, het is een winterse woensdagnamiddag. En ik ben heel vastbesloten: dat liedje dat ik daarnet op de radio hoorde, vlak voor ik op de fiets sprong, dat ga ik morgen kopen bij de platenzaak. Als m’n oren onder water zijn kan ik de intro met die bas en dat orgeltje zo oproepen. Het is A Town Called Malice van The Jam. Het besef dat ik de benodigde zes gulden heb gespaard, en dat ik morgen die single kan gaan kopen, vervult me met intens geluk.

Als liefhebber van oude soul heb ik lang gedacht dat ik van ver kom. Maar toen ik Edwyn Collins terugzag en voor het eerst in lange tijd de muziek weer hoorde die hij dertig jaar geleden maakte, viel ineens het kwartje: het is juist volstrekt logisch dat ik hier beland ben via daar. Edwyn Collins wist het toen natuurlijk al: the possibilities are endless. Het was Motown op legerkistjes.

© Schift, november 2014