Welke liedjes, boeken, schilderijen en films maakten zo’n diepe indruk dat ze blijvend van invloed zijn? In deze interviewserie maken ze samen het portret op. Deze keer: de Nederlands-Egyptische schrijver en politicoloog Monique Samuel (1989).

Monique Samuel: ‘Mijn uitgever belde me. Je lost op, zei hij. Als je niet oppast verlies je je unieke geluid, word je gewoon een van de vele analisten en commentatoren. Vooral na mijn reizen door Irak en Libanon was ik hard en cynisch geworden. Ik werkte aan een reportage over Syrische vluchtelingen in Libanon en was zó woedend van machteloosheid. Kon niet meer schrijven, zat daar maar, doodstil en verstijfd. Als ik zo doorga, wist ik, wil ik over een paar jaar dood. Als je op reis bent kun je het je niet permitteren om alles wat je ziet en hoort echt tot je door te laten dringen. Pas als ik het later opschrijf denk ik: mijn God, die vrouw vertelt dus dat haar ouders, haar broers, haar man en haar kind zijn vermoord. Tijdens het interview vraag ik gewoon: ‘Hoeveel broers waren het? O, vijf?’. Mijn uitgever zei: je moet je meer met schoonheid gaan omringen. Hij had gelijk.’

Bij een vorige ontmoeting, twee jaar geleden, was ze net terug uit Egypte dat zinderde van wat we inmiddels de Arabische Lente waren gaan noemen. Ze vertelde indringend over hoopvolle ontmoetingen die ze had gehad met revolutionaire jongeren, maar ook dat ze op het Tahrirplein was aangerand. Onverschrokken, hartstochtelijk, spitant. Voor een documentaire over slapen sprak ze over slapeloosheid en het verschil tussen Arabische en westerse nachten. Over hoe de nacht in onze taal doorgaans refereert aan lelijke dingen – lelijk als de nacht – en in de Arabische wereld juist iets mooi is – mooi als de nacht. Over de weldadige stilte die ze ervoer bivakkerend onder de maan in de Egyptische woestijn. We interviewden haar in een volledig verduisterde studio en vroegen haar recht in de lens te kijken die omringd was met een felle Ring Lite-lamp. Pas na afloop realiseerde ik me dat het eigenlijk ongeveer het laatste was dat we haar hadden moeten vragen. Door een oogziekte verdraagt ze geen fel licht, vertelde ze na afloop in de auto, toen ik haar een lift gaf naar het station. Ze vertelde ook over de reacties die ze kreeg op haar werk. Dat veel mensen haar een oude ziel in een jong lichaam noemden. Misschien hadden ze gelijk.

Monique Samuel. Foto: Maarten SlagboomEen tropische dag in Bos en Lommer. Voor het kantoor van Stadsdeel West hangt de vlag halfstok. Het is de ochtend na de crash van vlucht MH17 in Oekraïne, en Monique Samuel is aangeslagen. ‘Twee vriendinnen van me, een lesbisch stel, hadden bijna aan boord van dat toestel gezeten. Om een triviale reden hebben ze voor een andere datum gekozen. Het is zo afschuwelijk wat er is gebeurd. En precies op die avond begint Israël ook nog een grondoffensief in Gaza. Dat kan geen toeval zijn, precies als alle ogen gericht zijn op die aanslag’.

Tijdens de Egyptische revolutie van 2011 kon de Nederlandse mediaconsument niet om haar heen, een welkome jonge loot aan de stam van duiders van de Arabische wereld. De dag na de val van Mubarak stond ze buikdansend op de tafel van Pauw & Witteman. Van EO tot VPRO, van De Groene Amsterdammer tot het Nederlands Dagblad, overal resoneerde plots het geluid van de jonge half-Egyptische christen.

Monique Samuel (Amersfoort, 1989, Egyptische vader, Nederlandse moeder) schrijft nog altijd analyses en reportages over het Midden-Oosten en Noord-Afrika, onder meer voor De Groene Amsterdammer en De Correspondent, en omringt zich, onder meer op voorspraak van haar uitgever, ook weer met schoonheid. Op mijn verzoek praten we aan de hand van boeken, films en muziek die tot nog toe bepalend zijn geweest. ‘Er zijn zoveel boeken en titels en films die mijn denken en zijn ingrijpend hebben veranderd,’ schrijft ze als we een afspraak maken.

1. Oum Khalthoum

‘De grootste vrouw in mijn leven, naast mijn moeder, is Oum Kalthoum. Niemand kan op tegen haar. Klaar. Toen ze jong was ging ze gekleed als jongen! En waarom was ze zo populair? Omdat ze zo’n machtig mooie lage stem had. Met Oum Kalthoum ben ik geboren. Mijn vader draaide haar elk weekend. Haar liederen duren soms meer dan een uur, dus dat draai je niet even vijf minuten voor het journaal, daar was echt een ritueel voor nodig. Vroeg op de zaterdagochtend zette hij haar op terwijl hij in de keuken foul maakte. Dan zong hij mee, en al gauw kon ik zelf ook meezingen. Ook op zondagmiddag, na de kerk, klonk haar stem weldadig door de woonkamer. Soms zaten we samen op de bank en vertaalde hij voor me wat ze zong. Dat viel nog niet mee hoor, de Nederlandse taal is eigenlijk volstrekt ontoereikend om zoiets te vertalen. Een van de redenen waarom ik Arabisch ben gaan leren was omdat ik haar teksten wilde begrijpen.

Ik heb leren lopen in Egypte. Mijn ouders hebben pas zes jaar na hun bruiloft een huwelijksreis gemaakt. Mijn moeder was toen ook nog nooit in Egypte geweest, ik was anderhalf. Terwijl zij naar het zuiden reisden werd ik bij m’n opa en oma ondergebracht. De volkswijk waar ze toen woonden is later door een aardbeving goeddeels verwoest, maar indertijd woonden al m’n ooms en tantes nog in dat bomvolle appartement. Ik voegde me makkelijk in die omgeving, er was geen cultuurshock, geen heimwee, niets van dat al. Terug in Nederland was het voor m’n ouders sparen, sparen, sparen. Toen ik vijf was gingen we weer, een lange zomer lang. M’n jongere zusje Rebecca kwam er toen voor het eerst, die staat op alle foto’s met grote ogen en haar mond wijd open, met zo’n zwart palmboomstaartje op haar hoofd. Voor haar was het exotisch, voor mij niet. Ik hield van de geuren, had vriendjes en vriendinnetjes. Daarna kwam ik allengs frequenter, en op een gegeven moment ging ik ieder jaar.

Al die jaren was Egypte van ons geweest, toen ik een jaar of twaalf was en boeken over Egypte ging lezen werd het iets van mij.

Mijn vaderland is Egypte, mijn moederland is Nederland. Hou jij meer van je vader dan van je moeder? Ik wil niet hoeven kiezen, als een kind bij een vechtscheiding. Ik zal woedend zijn op m’n vader als hij een affaire heeft, ik zal woedend zijn als m’n moeder er met een ander vandoor gaat, maar ik wil ze allebei blijven zien. Ik heb al zoveel met ze meegemaakt dat ik mij nu niet meer kan voorstellen dat er ooit nog iets is dat leidt tot een breuk. Hetzelfde met Egypte. Ook Nederland, met het huidige politieke klimaat, vind ik een overspelige vrouw. Toch hou ik van haar. Ze hebben ook wel iets gemeen, Egypte en Nederland, twee landen die hun waarden en identiteit kwijt zijn.

Mijn Egyptische naam is Mounira. Zij die licht geeft. Soms voel ik me Monique, soms Mounira. Mijn Surinaamse schoonfamilie noemt me nu ook vaak Mounira omdat ze het beter vinden m’n oorspronkelijke naam te gebruiken, maar eigenlijk bewaar ik die naam voor het leven in Egypte. Mijn homovrienden in Egypte noemen me trouwens Mouneer, de mannelijke variant.

‘Mijn vaderland is Egypte, mijn moederland is Nederland. Hou jij meer van je vader dan van je moeder? Ik wil niet hoeven kiezen.’

Wat zou ik graag optimistisch zijn over het huidige Egypte. Vanaf dag één ben ik tegen Sisi. Ik wil geen leger aan de macht, toen niet, nu niet, nooit niet. Naast het Moslimbroederschap, dat me ook graag dood zou willen hebben, is het leger mijn grootste vijand. Het is voor mij nu zelfs enigszins riskant om naar Egypte te gaan, ik riskeer zowel als journalist en als lesbienne opgepakt te worden. Aangezien ik ook de Egyptische nationaliteit heb kan de ambassade in voorkomende gevallen niks voor me doen. Maar ik ga natuurlijk wel. Het is mijn land, bekijk het maar. Ik bel je wel als het misgaat, dan mag je een campagne voor me starten, ha!

De sociale revolutie in het Midden-Oosten is onstopbaar. Van de politieke revolutie verwacht ik helaas niet veel, maar de sociale revolutie is zo mogelijk belangrijker. Het gevaar is dat jongeren gedesillusioneerd raken en daardoor bitter of hun ambities naar beneden bijstellen. Dat ze het al lang goed vinden als ze hun eigen zaakjes op orde hebben en verder hun mond houden. Maar intussen heeft de sociale revolutie ook veel zichtbare effecten: de man-vrouw-verhoudingen staan op hun kop, meiden zijn veel zichtbaarder op straat, protestbewegingen hebben uitgesproken gezichten, er is een gay movement, het besef van het belang van kunst daalt in.

Vergeet Sydney, vergeet New York, in Egypte heb je de beste graffiti ter wereld. Bij de American University worden de muren vrijwel dagelijks met de meest adembenemende graffiti overgespoten, met werken die het doorlopende verhaal van de revolutie vertellen. Een andere explosie is de dans. In Tunesië zag ik dans als protest: een dansende menigte voor de tanks. Eigentijdse dans, zoals Mouneer die beoefent (Mouneer is een van de Egyptische jongeren die Samuel portretteert in de documentaire De Vrijheid van Tahrir, 2013). Hij is triest, hij zoekt wanhopig naar een podium, en dat krijgt hij nauwelijks in hedendaags Egypte. Samen met Mouneer ontmoette ik op straat een groep dansers. Er zaten Soedanezen bij, die onder Bashir ook al decennia gebukt gaan onder het Moslimbroederschap. Hiphopdansers, ongelooflijk goed, maar alles gebeurt weer in achterafkamertjes. Hoopgevend is dat er volop wordt gelezen. De generatie van mijn ouders las niet in Egypte, mijn generatie ook niet, maar tieners lezen daar nu als gekken. Al liggen de ouders er krom voor, veel kinderen gaan naar een Engelstalige private school en kunnen dus in het Engels lezen. Mijn oom ontkende tot een paar jaar geleden de Holocaust, mijn nichtjes lezen Anne Frank. Als ze dan aan mij vragen of ze in Amsterdam het Anne Frankhuis mogen bekijken, realiseer je je dat er echt wel wat verandert.’

2. De Dagen van Taha Hussein

‘Ik had net te horen gekregen dat ik de ziekte van Stargardt heb toen ik De Dagen kreeg van mijn achter-, achternicht op wie ik verliefd was. Dertien was ik. Binnen een jaar verloor ik tachtig procent van mijn gezichtsvermogen. Stel je voor: ik weet net dat ik waarschijnlijk blind zal worden en een geliefde geeft mij een boek van een blinde schrijver over zijn leven. Ze had heel Caïro afgestruind om een Engelse vertaling te vinden, al haar geld bijeen gelegd, daar vervolgens met haar vader ruzie over gemaakt, en dat alles om mij dat boek te kunnen geven. Dat raakte me diep. Ze zei: dit wordt jouw verhaal, jij gaat dit ook leven, en ook jij gaat ooit een boek schrijven dat De Dagen heet. Als ik mijn memoires schrijf heb ik dus al een goede titel.

Mijn oogziekte is mijn doorn in het vlees, zoals Paulus dat in zijn brieven noemt. Het zal mij altijd nederig houden, bewust van de kortstondigheid van alles. Mijn gezondheid gaat iedere dag achteruit. De ziekte zorgt voor een hoop nevenklachten: chronische rugpijn, hoofdpijn, inmiddels onbehandelbare verkramping in nek en schouders. Ik zal net niet blind worden, maar veel zal het niet schelen. Uiteindelijk blijf ik alleen vervaagde kleuren zien.

Hussein was minister van Educatie onder Nasser, maar ook een groot schrijver. Hij is de eerste blinde in Egypte die iets heeft bereikt, de eerste Egyptenaar die aan de Sorbonne studeerde, politicologie onder meer, de eerste graduate van de Cairo University. Wat me in het boek De Dagen trof is allereerst de taal. Een blinde jongen die zo kleurrijk kan beschrijven waar hij opgroeide en leefde, fascinerend. Het is, vanaf de eerste zin zo onvoorstelbaar beeldend geschreven. Ik herinner me een van de eerste zinnen. To the best of his belief, the time of day was either dawn or dusk. That is due to the fact that he remembers feeling a slightly cold breeze on his face, which the heat of the sun had not destroyed. Nog steeds is De Dagen voor mij een inspiratiebron om te proberen zo beeldend mogelijk te schrijven. Een blinde heeft zijn hele lichaam als sensor, alles wordt als vanzelf zintuiglijker. Zo wil ik schrijven, zintuiglijk als een blinde. En dan was er ook nog zijn verhaal, dat tegen de klippen op omhoog komen, uitgekotst worden, je compleet verloren voelen, ook letterlijk. Zelf ben ik ook vaak verdwaald. Zeker als het grijs is en regent herken ik niets, kan ik geen straatnaambord lezen. Als je verdwaalt ben je afhankelijk van de goedgunstigheid van anderen. Met bril en lenzen zie ik 8 tot 10 procent. Blindheid weerhield Hussein er niet van naar Frankrijk en andere oorden te gaan, mijn oogziekte weerhoudt mij er niet van om in m’n eentje de hele wereld over te reizen.

Ik hield al jong van non-fictie. Vrouwelijke rolmodellen had ik niet. Mannen hebben geen idee hoe geprivilegieerd ze zijn. Voorbeelden te over. Of het nu Jezus is, Nelson Mandela, Martin Luther King of Mohammed Ali, Malcolm X of zelfs Nasser, voor wie ik sympathie heb ondanks dat hij Egypte naar de knoppen hielp… het zijn allemaal mannen. Ik herinner me dat ik, toen ik een jaar of 13, 14 was wel een hele serie biografieën van vrouwen las. De biografie van Farah Diba, de vrouw van de laatste Sjah van Iran, van koningin Noor, van Waris Dirie. Ik kocht het boek over Waris Dirie puur op basis van de cover en de foto’s van haar die erin stonden. Oh my God, ik geloof dat ik toen ontdekte dat ik op donkere vrouwen val. Ik kocht gewoon boeken met mooie sexy vrouwen op de cover, waar ik hitsig van werd. En dan las ik ze en bleken het ook nog inspirerende vrouwen te zijn, ha! Ik las ook het boek van Mende Nazer, een Nubisch meisje dat als slaaf in Khartoem terecht komt, en van Ayaan Hirsi Ali. Ook op haar had ik een oogje, het was alleen jammer dat haar innerlijk op zeker moment zo duister werd dat ik niet meer zag hoe mooi ze is. Hirsi Ali liep ook zo’n mooi fier overeind door die gangen van de Tweede Kamer. Zonder respectloos te willen zijn: je kon zo een waterkruik op haar hoofd zetten. Een mooie vrouw is intelligent, knap en straalt een soort waardige rust uit. Veel Afrikaanse vrouwen hebben dat, die fierheid, ook al omdat ze niet zoals wij hier volkomen vergroeid zijn met dat beeldscherm. Maar als het karakter verhardt, verliest ze toch haar schoonheid. In al die boeken school een aanklacht, een sterk onrechtvaardigheidsgevoel. Maar zelfs zo’n vrouw die uit een Somalisch dorp komt en zich als gekleurde vrouw zo’n belangrijke positie weet te bevechten, zelfs zo’n vrouw kan mijn sympathie kennelijk verliezen. Ik respecteer haar nog steeds om haar strijdvaardigheid en ambitie, maar in haar tijd als parlementslid werd ze bitter en wrokkig. Ik weet, er zijn veel redenen voor verbittering en wrok, ik heb het afgelopen jaar de meest afschuwelijke dingen gezien en dan kom je hier en dan zijn de mensen hier zo ongelooflijk onverschillig. En als je niet uitkijkt vliegt je dat aan en word je woedend of erger: stomp je af, vind je hele wereld ziek. Ik moet daarvoor waken.’

aasamuel

3. Alchemie van het Verlangen van Tarun J. Tejpal

‘Het was in de zomer, ik was op vakantie met mijn man en mijn schoonfamilie. Ik zat helemaal in de knoop met mezelf, echt tegen het depressieve aan. Mijn man werd elke ochtend vrolijk naast mij wakker, met een grote gelukzalige glimlach om zijn mond. Ik voelde me zo vreselijk, wetend: ik hou niet op deze manier van jou. Het was bedrog. Naar hem, naar mezelf.

Tijdens die vakantie las ik Alchemie van het Verlangen. Daarin gebeurt echt alles, een seksplosie, maar het is een filosofisch boek, het is nergens plat, grof of gewelddadig. Al die jaren had ik, zeker in therapie, geleerd om mijn gedachten te begrenzen. Elke lesbische gedachte moest direct worden afgekapt. Als ik de neiging had om te masturberen moest ik gaan douchen of rondlopen als een idioot, als ik een wilde fantasie had, moest ik de Bijbel lezen om haar hartgrondig uit te bannen. Een film met Penelope Cruz of Catherine Zeta-Jones kon ik maar beter direct wegzappen. Iedere gedachte aan een mooie vrouw was overspel. Ik wilde niet ontrouw zijn aan mijn man. Toen ik Alchemie van het Verlangen dichtsloeg wist ik: dit werkt niet meer, ik ontplof. Niet alleen seksueel, ook creatief, alles zat vast. Het boek spoorde me aan de sluizen open te zetten. Wat een verlichting. Alle fantasieën kwamen los, alle dromen en verlangens. De bevrijding: ik mag denken wat ik wil denken. Ik wist: als ik ooit zelf zo’n boek zou willen schrijven, romancier wil zijn, een vrijheidsstrijder wil zijn, moet ik uit dit keurslijf breken. We zijn hier in Nederland zo voorgeprogrammeerd, rennen weg van onze gedachten, we willen niet brak staan, we willen niet tot onszelf komen zonder constante afleiding. Afleiding van sociale contacten, van internet, van alcohol, van drugs. We zijn zo bang om gewoon echt te dromen. En ze te realiseren. Ik wil nooit meer leven in zo’n knellend systeem.

Alchemie van het Verlangen is het verhaal van een liefdesrelatie van een man en een vrouw, maar ook het verhaal van Moeder India, als vrouw, als maagd, als hoer. Een vertelling over India. India is echt een land voor een haat-liefde-verhouding, een van de weinige landen trouwens die heel belangrijk zijn waar ik nog niet geweest ben. Wat een gruwelijk land, wat een systeem.

 De stijl is ongelooflijk, Tejpal kan in een zin zoveel meer zeggen dan in de meeste Nederlandse dikke boeken bij elkaar. Ik las een aaneenschakeling van briljante quotes, ik schreef alles over, bijna meer dan het boek aan regels heeft. Ik ging steeds langzamer lezen, zonk er echt in weg en wilde het einde zo lang mogelijk uitstellen.

Je vraagt me wat me wat mijn fantasie prikkelde als meisje, maar ik heb me nooit een meisje gevoeld. Ik heb mezelf echt nooit als meisje gezien. Ik was gewoon Monique. Pas toen ik merkte dat het in contacten met anderen verschil maakte dat ik een vrouw was begon die gender een rol te spelen.

Ik weet nog precies hoe de borsten van juf Ellen er in groep drie uit zagen. Totaal verliefd was ik op haar, net als ongetwijfeld de meeste jongens in de klas. Ik droeg jongenskleren en werd woedend toen ik meisjesachtige vormen aannam. Nog steeds voel ik me vaak meer man dan vrouw, maar ik ben er nu wel trots op vrouw te zijn. Vroeger heb ik sterk een geslachtsoperatie overwogen, ik wilde dat ik gecorrigeerd werd, kon die borsten niet hebben. Tot een jaar geleden heeft dat geduurd. Ik zou nu geen man meer willen worden. Ik vind mezelf te mooi. Als man word ik niet mooier dan ik nu ben. De relatie met mijn lichaam blijft vreemd. Nog steeds, als ik naar mezelf in de spiegel kijk denk ik: het is een prachtig lijf, maar het is niet mijn lijf. Dat maakt ook dat ik prima in staat ben om naar mezelf te kijken en te denken: mooie vrouw, zou ik verliefd op kunnen worden. Maar dan heb ik het niet over mezelf. Er zit een distantie tussen mij en m’n lichaam, nog altijd.

‘Vroeger heb ik sterk een geslachtsoperatie overwogen. Ik zou nu geen man meer willen worden. Ik vind mezelf te mooi.’

Mijn omgeving heeft jarenlang haar best gedaan mij in een heterovrouw te veranderen. Kreeg ik eindelijk die zo begeerde lego, zat het in een roze lego-koffer. Roze meisjes-lego, met roze lantaarnpaaltjes en Franse roze balkonnetjes. Daar bouwde ik vervolgens huizen van, wat zeg ik paleizen, voor mijn zusje Rebecca, die een echte prinses was. Mijn zus las over paarden, ik de Kameleon en Ciske de Rat. Later werd mijn kledingkast omgewisseld, moest ik naar een schoonheidsspecialist, kreeg een make up-cursus en leerde op hakken lopen. Mijn familie wilde me socialiseren. Van een kwajongen naar een brave, kuise vrouw. Een jaar of dertien, veertien was ik. Mijn mentrix waarschuwde m’n ouders: ze moet niet de Kijk lezen hoor, maak haar lid van de Tina. Die gespletenheid in mij is dus ook afgedwongen.

Toen ik eenmaal in met m’n Egyptische roots kennismaakte ben ik nooit meer die Kameleonschelm geweest. De Nederlandse polderkant was voldoende ontwikkeld, mij wachtte de Arabische woestijn. Die hevige interesse in Egypte en de Arabische wereld werd versterkt door mijn entree op het gereformeerde Guido de Brèscollege in Amersfoort. Ik was daar, in alle opzichten, a very big exception.

Als je seksuele omgang moet hebben met een man, iets waar ik eigenlijk van walg, dan moet je afstand nemen van je zelf. Ik herinner me dat ik vaak op een afstand naar mezelf keek, terwijl ik intiem met mijn man was. Ook gewoon dingen in huis. Aldoor dat: wie zijn wij, wat doen wij hier samen? Een geweldig team waren we, maar ik beschouwde ons vanaf de zijlijn.

Thuis, in Amersfoort, woonden vroeger twee mannen naast ons, van wie ik langzaam maar zeker doorkreeg dat het homo’s waren. Toen ze gingen trouwen kregen m’n ouders het Spaans benauwd door de vraag hoe ze dat in hemelsnaam aan ons uit moesten leggen. Daarna heeft het nog eens twee jaar geduurd voor ik de term lesbisch opzocht in het woordenboek en dacht: o, dus dit is het misschien wel. Het klonk als een aandoening, niet als iets wat je zou willen zijn. Drie jaar lang liep ik gedwongen bij een psycholoog, een evangelisch georiënteerde vrouw die me boeken liet lezen als Het Gebroken Hart, waarin van lesbische dwangneurose wordt gesproken als gevolg van een te dominante moeder en een te afwezige vader. Bij ons thuis was het eerder andersom. Niet dat m’n moeder afwezig was, maar… De gedachte was: je kan ervan genezen, herstellen. Ik heb God echt naar beneden gebeden, maar Hij heeft het niet verkozen mij tot hetero te maken. Of ik het toen zelf ook oprecht wilde, gehersenspoeld als ik werd, weet ik niet. In het begin misschien wel. Ik herinner me de eerste verliefdheden, zo rond m’n twaalfde, en het besef: wat heerlijk is dit, maar dit kan ik beter niet zeggen. Toen ik het na verloop van tijd aan vriendinnen op school vertelde was de reactie ofwel: wat vreselijk voor je, of: maar ben je dan verliefd op mij? Zowel op school als in de kerk werd gepredikt dat je wel homofiel mag zijn, maar het niet mag praktiseren. Ook in al die christelijke tijdschriften en op christelijke internetfora was het altijd: God schiep niet Adam en Evert, punt.

Monique Samuel. Foto: Maarten SlagboomToen mijn ouders er lucht van kregen, reageerden ze furieus en emotioneel. Veel mensen zeggen: ja allicht, je vader is Egyptisch. Maar ik denk dat mijn moeder er meer persoonlijke afkeer van had dan mijn vader. Zij komt over een zeer conservatieve protestants-christelijke familie; lange rokken, geen tv op zondag. Mijn vader, telg uit een orthodoxe Koptische familie, maakte zich er vooral zorgen over hoe het bij de familie in Egypte zou vallen, hoe het mijn reputatie en carrière zou schaden. Eén avond is er vreselijk over geruzied, daarna werd het doodstil. Het devies was: niet meer over nadenken, je bent een beetje in de war, het waait wel over. Tot en met het huwelijk met mijn man is het doodstil gebleven. De psycholoog, de schoolcoach en de dominee moesten het maar oplossen. Eindeloos veel gesprekken had ik. En nooit, niet één keer, hoorde ik dat het goed was.

Boeken die ik ook erg met erotiek associeer zijn de boeken van Nagieb Mahfoez. Die man is niets voor niets een paar keer neergeschoten. Arabische literatuur is pornografisch op een manier die Nederlandse literatuur vreemd is. Hier schrijven we gewoon: en ze gingen neuken, punt. Van die Jan Wolkers-achtige platheid die mij niet erg opwindt. Bij m’n tante op zolder las ik stiekem De Verhalen van Duizend-en-een-nacht, en het zwangerschapsboek vanwege de plaatjes. Duizend-en-een-nacht heeft niet die platheid, het is erotiserend en veel meer open-minded: iedereen doet het met iedereen, eunuchen met mannen en vrouwen. Er komt seksuele omgang in voor die je in Nederlandse literatuur tot voor kort überhaupt niet aantrof. Hoewel ik het las, maakte dat niet dat ik dacht: zie je wel, er is niets mis aan mij. Daarvoor was er te veel zondig aan, er staat dan wel: hij gaf zich over aan zijn perverse verlangens, of iets dergelijks. Het was voor mij helaas geen vrijstelling, eerder een stiekem genot, ondergronds verzetsgedrag.

In het Midden-Oosten bestaat seksueel bewustzijn dat ik Nederland nog altijd niet gezien heb. Enerzijds worden mijn leeftijdgenoten in dom en onwetend gehouden, aan de andere kant praten ze meer over seks en hun lichaam dan hier. Deels uit noodzaak, deels uit nieuwsgierigheid verkennen ze ook veel meer hun lichaam bij elkaar. De seksuele verhalen daar zijn zoveel spannender dan hier. Er is geen reis die ik de afgelopen jaren heb gemaakt waarop ik niet door vrouwen ben besprongen. Dat ik bij een gezin in huis was en ineens een naakte vrouw bij me in bed kroop, dat is me in Nederland nog niet overkomen. Ik bespeur bij m’n Hollandse vriendinnen, ook de lesbische, veel meer preutsheid. Met dat Marokkaanse meisje met die hoofddoek heb ik spannender gesprekken dan met die vrijgevochten atheïste uit Brabant. Ik wil maar zeggen: ons beeld van de vrouw in het Midden-Oosten is op z’n minst incompleet. Het hokjesdenken hier – lesbische vrouwen zijn chagrijnige potten, biseksuelen zijn overlopers – is veel benauwender.

Alchemie van het Verlangen gaat ook over ratio versus irrationaliteit. Daar draait het toch altijd weer om, om de strijd tussen het hart en het hoofd? Veel structureel ongeluk is daar aan te wijten, dat we geneigd zijn voor het hoofd te kiezen. Vooral in de westerse wereld is irrationaliteit absurditeit geworden, in plaats van een hartsverlangen. Ga ik verder studeren waardoor ik die statusvolle baan bij die thinktank of INGO krijg, of ga ik meer reizen, daarmee veel geld uitgeven en aan m’n romans werken die misschien niet veel mensen lezen maar die voldoening geven?’

Halverwege het gesprek komt een vriendin aanwaaien. ‘Hee, ben je hier? Wahashtini, ik mis je!’ begroet Monique haar. Als ze wegloopt zwaait ze nog even. ‘Ze is een van m’n grote liefdes. Laila is een christelijke moslim, een soefi, met wie ik eindeloos Rumi kan citeren’.

Ze is, zegt ze, even van haar à propos. ‘Hier jou openhartigheden vertellen is ook een hart-keuze. Mijn hoofd zeg: niet doen, het kan alleen maar verkeerd opgevat worden, en wat schiet je ermee op? Mijn hart zegt: al zijn er maar één of twee mensen die het straks lezen en zich gesterkt voelen in hun eigen persoonlijke strijd, dan is het de moeite waard’.

4. Testimony: vol.1: Life & Relationship van India Arie

‘Ik hou van Arabische muziek, van Afrikaanse muziek en van oude hiphop – vroege TuPac, Puff Daddy. Maar het meest word ik geïnspireerd door India Arie. Ik leerde haar kennen als muziekrecensent voor GMI, toen de grootste christelijke muziekdistributeur in Nederland. Mijn gedachtewereld en godsbesef komen zo overeen met die van haar, zijn er misschien zelfs wel deels door gevormd. Haar werk gaat over complete zelfliefde. Als ik ergens moeite mee heb, is het dat. Voor de spiegel staan en zeggen: ik hou van je. Ik hoor nog wel eens ‘die Monique Samuel is een bitch, zo arrogant’ en dan denk ik: je moest eens weten met hoeveel zelfhaat ik zit opgezadeld. Ik heb mezelf lang niet geaccepteerd, mede omdat ik uit een omgeving kom waar anderen mij niet accepteerden zoals ik was. Nog steeds zit dat te veel in me, die neiging om te pleasen. Ik een dikke huid? Komaan. Ik doe het nooit goed genoeg voor mezelf. Als ik een stelling verdedig op Radio 1 regent het reacties: wie denkt ze wel dat ze is? En dan denk ik: hoezo? Je mag het met me oneens zijn, maar ik mag toch wel m’n mond open doen? Of moet ik eerst grijs en man zijn? Vroeger mocht ik niet zijn wie ik was, en nu nog steeds niet? Het verschil tussen zelfverzekerdheid en arrogantie, wat hebben Nederlanders daar toch moeite mee. Daarom is dit land ook zo’n vreselijk moeilijke voedingsbodem voor echt talent.

‘Het verschil tussen zelfverzekerdheid en arrogantie, wat hebben Nederlanders daar toch moeite mee. Daarom is dit land ook zo’n vreselijk moeilijke voedingsbodem voor echt talent.’

Bij India Arie gaat het om accepteren van jezelf, als being coloured, als vrouw, als geliefde, als seksueel wezen. Life & Relationship gaat over de scheiding van haar man, hoe ze hem probeert te vergeven en ervoor kiest de liefde te vieren en te eren, ook al mishandelde en bedroog hij haar. Dat album heeft veel voor me betekend in de periode rond de scheiding van mijn man. Je mag loslaten, je mag vergeven. Niet dat ik mijn man iets te vergeven had, integendeel, maar loslaten moest ik wel. In haar muziek schuilt dat diepe spirituele besef, dat veel breder en authentieker is dan binnen welke kerkstroming ook omdat het volop ruimte geeft aan twijfel. Bruggenbouwers zoals zij, dat is het geloof van de toekomst. Net als die mensen van de vluchtkerk hier, waar vluchtelingen contacten vinden, ze werken met samen met GroenLinks, met moslims, met communisten. De remedie tegen het venijn van deze tijd.

U2 heeft dat ook, die band overbrugt religies en komt daardoor dichter bij God dan de gemiddelde dominee. Teksten als Where The Streets Have No Name en Still Haven’t Found What I’m Looking For drukken precies dat constant verlangen uit, dat verlangen dat ik ook heb om antwoorden te vinden op de vraag wat mijn rol is in dit leven. Er zit ook een soort pijn in. Het is mooi om de ontwikkeling van die band te zien, van dat schreeuwerige I Will Follow via de twijfel van The Joshua Tree naar de rechttoe rechtaan-rock van Achtung Baby en verder. Dat punt vlak voor de overgave aan de rock, waar dat rusteloze zoeken nog verwoord wordt, daar houd ik het meest van. Dat past bij mij. Ik hou ervan als muziek me een spiegel voorhoudt.’

5. Ali van Michael Mann

‘Ik boks. Sinds een jaar, sinds ik met m’n vriendin Noémia ben, die topsporter en personal trainer is. Als kind bokste ik wel ‘ns met m’n oom, maar nu ga ik voor het echte werk. Het helpt om me te focussen, het geeft me een heel krachtig gevoel. En op reis hoef ik alleen maar zo te gaan staan met gebalde vuisten, en mensen schrikken terug, dus het is beslist ook een zelfverdedigingstechniek. Ik heb het twee keer gebruikt tot nu toe, een keer in Marokko en een keer in Egypte. Als ik echt lastig gevallen word sla ik ook meteen hard. Het is gevaarlijk, want in de Arabische wereld mag je een man niet slaan. Voor je het weet lig je zelf op de grond en word je in elkaar getrapt. Ook dat is me gebeurd.

Je bent geboren om te boksen, zegt m’n vriendin. Ik heb me in het leven altijd een bokser gevoeld. Ik zie altijd dat beeld voor me, waarin ik constant van alle kant gemept wordt. Ik moet alles ontwijken. Vooral sinds ik veel in de media ben. Zodra je achter een microfoon zit of aan tafel in een talkshow weet je dat je na afloop alle kanten op geslagen wordt. Als je geluk hebt ben je een bokser, met een beetje pech word je een boksbal. Ik had de ene rel na de andere hetze, was voortdurend trending topic op Twitter en werd genomineerd voor de Vrouw in de Media Award omdat ik meer aangehaald was in kranten en op televisie dan Maxima. Vrijwel nooit positief, altijd door columnisten die schreven hoe Monique Samuel een knieval maakt voor moslims of weet ik veel wat. Soms voel ik mij de boksbal, op andere momenten de bokser. Ik deel graag rake klappen uit, maar in de praktijk ben ik vaak aan het verdedigen en loop ik alsnog een blauw oog en een bloedneus op.

Monique Samuel, still uit 'Nooit meer slapen' (2012Bang ben ik niet snel. Ik heb een sterk besef dat God mij beschermt en als ik dan toch sterf is er ook niets meer om voor te vrezen. Als jonge vrouw reizend door het Midden-Oosten moet je ontzettend stressbestendig zijn, maar ik kan gerust de meest gevaarlijke situaties opzoeken, ik lach de angst uit.

Ik heb veel boksfilms gezien: Cinderella Man, Raging BullAli heb ik denk ik wel vijftien keer gezien. Zo inspirerend. Ik hou sowieso erg van Will Smith, ook Seven Pounds en The Pursuit of Happiness. Interviews met hem verslond ik ook, tot op het moment dat hij bij Scientology ging. Heb ook veel van de bokswedstrijden van Ali gekeken. Voor mij is hij een politieke figuur, hij gebruikt sport, had ook een rockartiest kunnen zijn, hij appelleert aan black pride, iets waarmee ik ook ben opgegroeid. Mijn familie komt uit Zuid-Egypte, het zijn opper-Egyptenaren, Saïdi’s. We zijn geworteld in Afrika. Ik ben ook eerder als Afrikaan opgevoed dan als Arabier. Als Kopt mocht ik mezelf geen Arabier noemen, maar wel Afrikaan. Being a suppressed race zit er diep in. Als kind voelde ik meer verwantschap met zuidelijker Afrika dan met de rest van de Arabische wereld, nu is dat fifty fifty. Het feit dat ik geen moslim ben maakt dat er als het erop aankomt een grote kloof is met veel Arabieren. Ik bedoel, wat heb ik gemeen met de gemiddelde wahabistische Saoedi? Helemaal niets. Dan deel ik nog meer met de gemiddelde Senegalees, die ook islamitisch is.’

6. The Circle van Dave Eggers

‘Het is niet eens zo’n goed boek, maar het is zo waar. Het is zorgwekkend hoe grote bedrijven zoals Google langzaam maar zeker alle facetten van ons leven beheersen. Dat NSA alles afluistert vinden we afschuwelijk, maar nergens verbinden we consequenties aan. Wat The Circle goed maakt is dat je doordrongen raakt van het besef hoe gedachteloos mensen in de ontwikkeling meegaan waarin bedrijven zoveel informatie over je verzamelen. Google neemt Facebook over, Google neemt WhatsApp over. Ze hebben dus niet alleen m’n vriendinnen, maar ook hun telefoonnummers.

Ik ben net drie weken op Cuba geweest en was daar drie weken volledig internetloos en voor een groot deel van de tijd geen mobiel netwerk. Heerlijk vond ik het. Werd er heel rustig van. Zelf van het nieuws bleef ik daar goeddeels verstoken, het was gewoon onmogelijk daar om me goed op de hoogte te houden. Ik vroeg mensen wel naar ISIS in Irak en naar de situatie in Gaza, maar zag geen televisie of krant. Ik ben geen nieuwsjunkie meer. CNN, Al Jazeera. Ik kan het niet meer. Ik erger me te vaak aan het nieuws over de gebieden waar ik zelf vaak kom. Als ik Egypte-nieuws wil volgen ga ik echt niet naar Nieuwsuur kijken, dan check ik echt liever de Washington Post of Al Masry Al Youm.

In november komt mijn boek Uitgesproken uit, een bundel gedichten, spoken word-art, reflectieve gedachten en meditaties, een boek over de veranderende tijdgeest, dat wordt mijn kerstcadeau aan Nederland. Veertig teksten waar je stil van wordt, met een sticker waarop de waarschuwing staat ‘Lees dit niet voor het slapen gaan’. Uitgesproken betekent zowel dat je woordeloos bent als dat je niet wil zwijgen. In dat boek gaat het veel over de wereld achter glas. Dat wij nu uren zitten te praten en wij beide niet elke vijf minuten op onze mobiel kijken is een unicum en dat is alleen maar zo omdat we dit interview doen. Ons vliegtuig uit Cuba was nog niet geland of alle Nederlanders zaten op hun telefoon.

‘Ik ben veel verschuldigd aan internet, maar het is ook mijn grootste vijand, die onpersoonlijke wereld achter glas.’

Het gekke is, ik heb net een verhaal gemaakt voor De Groene over opkomst van de gay movement aan de hand van een aantal grote activisten in het Midden-Oosten. Die hadden elkaar nooit gekend zonder internet, hadden nooit naam gemaakt zonder internet. Als internet één regio diepgaand heeft veranderd is het wel het Midden-Oosten. Zoveel middelen van communicatie die tot voor kort ondenkbaar waren. Niet alleen is het zeer de vraag of Mubarak was afgetreden zonder Facebook, ik kan non-stop zien wat er met mijn familie gebeurt in Egypte, ik ben nota bene doorgebroken in Nederland doordat ik als eerste twitterde over wat er in Egypte gebeurde. Ik ben veel verschuldigd aan internet, maar het is ook mijn grootste vijand; de onpersoonlijke wereld achter glas, de duizenden vrienden die geen vrienden zijn en je nooit ontmoet hebt, al die ruis en haastigheid. Er is altijd wel een bericht dat gezien moet worden. Voor je het weet zit je elk wakend uur van de dag aan het digitale infuus. Voor mijn werk is het onontbeerlijk dat ik al die ruis uit kan zetten. Ik moet de boel uitzetten wil ik met m’n eigen verhaal komen en niet anderen gaan napraten.

Monique Samuel. Foto: Maarten SlagboomMijn oogziekte maakte dat ik altijd snel en haastig leefde. Ik wilde veel doen en reizen, voor het te laat is. De laatste tijd verandert dat. Als ik nu dat haastige voel is dat niet vanwege m’n verslechterende zicht maar omdat de wereld zo snel verandert, ik wil haar nog zien zoals ze was. Het is fantastisch om nog een glimp te zien van een wereld zoals die ooit was zonder internet en mobiele communicatie, zonder culturele eenheidsworst ook. Je kan in sommige dorpen in Afrika nu een week doorbrengen en in die week zie je het dorp van karakter veranderen. Ik wil niemand iets onthouden van wat ik heb, maar het is ook verschraling, we komen door al dat copy-pasting steeds verder van onszelf af te staan.

Ik zie jou nu ook niet goed. Non-verbale communicatie met mensen is voor mij altijd wat behelpen. Ik heb geen enkele moeite om in m’n eentje door een vluchtelingenkamp met 50.000 Syriërs te lopen, maar op een feestje in een donkere ruimte kan ik totaal in paniek raken als ik degene met wie ik ben gekomen kwijt ben.

In februari verschijnt Dansen op Golven Traangas, mijn young adult-roman over de Egyptische revolutie. Het gaat over vier jongeren in Egypte – twee jongens, twee meisjes – die ieder hun eigen vrijheidsstrijd beleven met de achttiendaagse volksopstand tegen Mubarak als achtergrond. Het is mijn ode aan de martelaren van mijn land. Ook mijn rouw over waar het nu met Egypte heengaat zit erin verwerkt. Ik heb een young adult-boek geschreven omdat ik van mijn eigen generatie weinig verwacht, en ik hoop bewustzijn bij de generatie die nu 15, 16 is zoals mijn nichtjes aan te wakkeren. Ik wil een medicijn tegen het fatalisme, en ik wil ze kennis laten maken met een wereld buiten hen.’

7. Ghana, Ga Weg van Taiye Selasi

Ghana, Ga Weg is het boek dat ik had willen schrijven. Het verhaal van de moderne mens. Een kind van Ghanees-Nigeriaanse ouders, opgegroeid in Londen, woont in India, studeert in Amerika, eindigt in Italië. Grenzeloos, op zoek naar identiteit. Het gaat ook over een traditioneel Afrikaans gezin dat uit elkaar valt, over religie ook. In veel romans lijkt de tijd te hebben stilgestaan, er kan nog net een sms-je worden verstuurd. Ghana, Ga Weg is gewoon zoals deze tijd is.

Er is geen belangrijk verschijnsel dat zich tot de grenzen van een land beperkt. Elke keer weer zeg ik dat ik correspondent sociale bewegingen wil worden. Maar mijn opdrachtgevers houden het liever op correspondent Midden-Oosten en Noord-Afrika. Kijk naar de revolutie tegen Mubarak in Egypte, het was geworteld in Libanon, in Servië, in Oekraïne. Onbegrijpelijk dat journalistiek nog steeds werkt met labeltjes, landen en plaatsen.

In het najaar ga ik in New York werken aan mijn roman, terwijl ik daar creative writing studeer. Het manuscript is af maar moet drastisch bewerkt. Toen ik het indertijd wilde inleveren was het eerste deel van de Egyptische revolutie in volle gang. Omdat het boek niets met Egypte te maken had vond de uitgever het geen geschikt moment. Ik ben toen eerst op reis gegaan, een reis die leidde tot mijn boek Mozaïek van de Revolutie. In de tussentijd ben ik uit de kast gekomen, ik ben verloofd geweest met een vrouw en die relatie is verbroken, die levenservaring wil ik gaan verwerken in die roman. Het is niet autobiografisch, maar het verdiept de karakters.’

We gaan veel van je zien, de komende tijd, zeg ik. ‘Ja,’ lacht ze, ‘insjallah’. We lopen nog wat door de wijk, op zoek naar een geschikte plek voor een foto. Ze dist onderwijl reiservaringen op, verhalen in Senegal en Iran, verhalen waarbij ze nu in de lach schiet maar die op het moment zelf soms beangstigend waren. Verontwaardigd vertelt ze over haar ervaring met sommige media die nog altijd liever kiezen voor oude, grijze mannen. Dan staan we stil voor een tuinperk. ‘Dat parkje waar we net langsliepen vond ik te keurig en te stemmig. Dit hier heeft iets wildernisachtigs, het is chaotisch. Past beter bij me’.

Terugkomend op Ghana, Ga Weg en de moderne, grenzeloze mens: ‘Straks in New York woon ik op een zolderkamer bij een Surinaams echtpaar, op de grens van Brooklyn en Queens. Ik ken die mensen via een vriend van mijn vriendin uit de Bijlmer. Dan zit ik daar als Egyptische Nederlander in New York bij een Surinaamse familie te schrijven aan een boek dat zich afspeelt in Spanje. Dat bedoel ik, dat vind ik… mooi. En wie weet is er daar wel een boksschool van een Indiër om de hoek.’

© Schift, juli 2014