Ik was op stap met een boswachter met de bevoegdheden van buitengewoon opsporingsambtenaar. Een groeiend deel van zijn tijd besteedde hij aan het verwijderen van illegaal gedumpt chemisch afval, maar ook aan het verslepen van kadavers van vooral edelherten en zwijnen. Het kon gaan om afgeschoten wild, maar ook om aangereden wild en dieren die een natuurlijke dood waren gestorven maar te dicht bij de wandelroutes lagen. Om de Bayerischer Gebirgsschweisshund te trainen die voor ons uit rende had hij pootjes van wilde zwijnen in bloed gedompeld en meters voor haar uit getrokken, om soms wel een spoor van twee kilometer te trekken. De hond was in hoogste staat van paraatheid, doorlopend op zoek naar de geur van hoefjes, van zweet en bloed.

Het duurde niet lang voor we een groot dood hert zagen liggen. ‘Jij de voorpoten, ik de achterpoten,’ sommeerde hij, op een toon die geen vragen toestond. Het was een hinde die – dat zag de boa-boswachter in een oogopslag – gestorven was tijdens of kort na een zware bevalling. Terwijl we haar aan haar poten door het bos sleepten, in de richting van zijn pick-up, werd ik overvallen door een vreemd soort sensatie. Het idee te sjorren aan het kadaver van een dier dat nog geen etmaal geleden een uiterst pijnlijke dood was gestorven boezemde me weerzin in, maar ik realiseerde me tegelijkertijd dat ik zelden zo intiem met een wild dier in de natuur was geweest. Een ‘wild’ dier? ‘De’ natuur? Een kilometer of wat verderop, even voorbij het wildrooster, leidde de eerste de beste paddenstoel van de ANWB je weer langs de uitgestippelde fietsroute. Bij de lokale overheden lagen de wolvenplannen al klaar, waarschijnlijk bogen juristen zich al over de gevolgen van de mogelijke komst van de eerste goudjakhals. Maar toch, daar liep ik dan als vegetarisch levende stadsjongen, een hert te slepen door het bos met een jager die van elk gewei dat thuis aan zijn muur hing nog wist hoe het dier aan zijn eind was gekomen, het was haast surreëel.

Stapvoets reden we over een olifantenpad dat zijn werkgebied doorkruiste en soms gebaarde hij stil naar links of rechts. In de verte zagen we roedels herten, sommige met mooie geweien. Regelmatig maakte hij deel uit van het bataljon jagers dat bij avondschemer herten en zwijnen telde om een goede schatting te kunnen maken voor het jaarlijkse afschotplan. Roodwild en zwartwild dat de kogel kreeg, gevat in een Excel-sheet. Maar nu legden we deze hinde die gestorven was aan de wreedheden van de natuur zelf in het open veld bij een paar andere kadavers, waaraan zich al de nodige buizerds, raven, vossen en bunzingen tegoed hadden gedaan. Aangereden dieren wil de poelier toch niet, wist de boswachter, vanwege de beschadigde ingewanden. Ze zou ook naar het destructiebedrijf Rendac kunnen gaan, maar nu hadden andere dieren er nog wat aan, goed voor de biodiversiteit.

Niet lang daarna draaiden we voor hetzelfde programma waarvoor ik op pad was geweest een dag bij een paardenslager, eveneens op de Veluwe. Iedere vrijdag gingen er bij hem tientallen paarden doorheen, de toestroom was groot nu de crisis het paardenoverschot vergrootte. De manege meneer, dat kost een bom duiten. Vlak voor de merrie de ruimte in werd geduwd waar het aan haar eind kwam gaf de slachter haar een aai over het hoofd. Alsof hij ermee zeggen wilde: stil maar, het is goed zo, je bent in goede handen. Een minuut later schoot hij een pin van tien centimeter in haar hoofd, waarna ze onmiddellijk dood door haar hoeven zakte. Het hoofd dat hij zonet nog liefdevol aaide hing binnen een mum van tijd aan de vleeshaak. Volgende paard zelfde verhaal.

Verontwaardiging en afkeer streden bij mij om voorrang, ik kon er niet over uit dat deze man zich beriep op zijn goede band met paarden. Het was precies als bij de jager met wie ik had opgetrokken, ook hij had zijn liefde voor de dieren die hij besloop betuigd. Een wonderlijke versmelting waartoe ik kennelijk niet in staat was. Ik was er inmiddels wel achter dat juist wie ervoor kiest vlees en vis van het menu te schrappen omdat hij geen dieren wil eten tot in lengte van dagen bestookt wordt met vragen die zijn integriteit in vraag stellen. Hoe bestond het dat ik voor mijn dochter wel twee konijnen had gekocht en ze in zo’n krap bemeten hok oud liet worden, zonder me echt om ze te bekommeren? Waarom schotelde ik onze kat wel brokken voor die gemaakt zijn van vlees en vis? Het duurde dan nooit lang of de onvermijdelijke H-vraag zou worden gesteld. Wist ik wel dat Hitler ook vegetariër was? Iemand die om dieren geeft maar ze ook met alle plezier naar de eeuwige jachtvelden helpt heeft niets uit te leggen. De oude Grieken meenden kennelijk al dat het een het ander niet uitsluit. Artemis was bij de Grieken al zowel godin van de jacht als beschermvrouw van in het wild levende dieren. Er zijn jachttrainingen naar haar vernoemd, maar ook dierenartsenpraktijken. Dus waarom begreep ik dat dan niet? De volledigheid gebiedt mij overigens op te merken dat onder de oude Grieken zich ook Pythagoras bevond – die van de stelling – en die zag om morele redenen van het eten van vlees af.

De natuur is niets ontziend. In Antichrist van Lars van Tier, een film die mij diep wist te raken, trekt een echtpaar zich na de dood van hun kind terug in een afgelegen bosgebied om hun verlies te verwerken. De man is een therapeut die meent met rede en rationaliteit het rauwe verdriet te kunnen bezweren, maar hij komt bedrogen uit. Zijn vrouw wordt bevangen door gewelddadigheid en in de natuur – die grote, niets en niemand ontziende entiteit die Van Trier er van maakt – heeft hij een aantal ontmoetingen met wilde dieren. Een mooi hert, dat bevalt van een dood kalfje. En een vos die met zijn tanden zijn ingewanden uit zijn lichaam trekt en met een horror-stem zegt: Chaos regeert.

Daarin resoneert Nietzsche’s ‘Chaos sive Natura’. Chaos oftewel natuur. Waarmee Nietzsche op zijn beurt naar Spinoza’s ‘Deus sive Natura’ verwees. Dat motto moest aangepast, meende de filosoof, omdat het geloof de natuur juist ontgoddelijkt had. De christelijke God had immers alle natuurgoden verbannen, en ontgoddelijkte natuur laat alleen nog ruimte voor chaos. De natuur staat geen orde toe, net zomin als een open plek. Voor de natuur is iedere plek die het nog niet overwoekerd heeft een horror vacui. Hij en Zij, de mannelijke en vrouwelijke archetypen in Antichrist, zijn overgeleverd aan de enige wet van de natuur: chaos. Een wet die uiteindelijk maar een ding voorschrijft en dat is te overleven. Het is een wrede en beangstigende visie, die niettemin veel interessante vragen en thema’s oproept. Het beeld van de natuur die erop uit is te overweldigen, te overwoekeren, chaos en anarchie te brengen, staat haaks op het beeld van de natuur dat hier opgang deed sinds de Duitse romantiek. Daarin werd de natuur voorgesteld als iets intrinsiek goeds, met veel ‘terug naar Moeder Aarde’-stromingen tot gevolg, niet in de laatste plaats de antroposofie.

Darwin

Het thema van de ontgoddelijkte natuur keerde terug in een interview dat ik onlangs las met de Canadese schrijver Yann Martel. In het interview in NRC Handelsblad betoogde Martel dat het Darwin was die het belang van dieren in ons bestaan heeft teruggebracht nadat ze door het christendom eeuwenlang naar de achtergrond waren verdrongen. ‘In het Oude Testament vind je veel dieren, maar in het Nieuwe Testament niet meer. Het christendom betekende eigenlijk het einde van het dier in verhalen. En toen kwam Darwin in de negentiende eeuw, die ze weer dichtbij ons bracht.’

Dieren, stelt Martel, kregen de herwaardering die ze verdienen. In zijn eigen werk spelen ze in ieder geval een onmiskenbaar grote rol. In Het leven van Pi, waarmee hij de Booker Prize won en dat succesvol werd verfilmd door Ang Lee, schreef hij over een jongen die maandenlang in een reddingssloep doorbrengt met een Bengaalse tijger die de naam Richard Parker draagt. De jongen weet in de loop van de tijd een verstandhouding op te bouwen met het dier, maar als ze uiteindelijk weer land bereiken trekt de tijger zonder ook maar even om te kijken naar zijn reisgezel de jungle in. Pi’s vader, eigenaar van een dierentuin, had dus gelijk gehad: met een wild dier kun je geen vriendschappelijke relatie onderhouden.

In zijn nieuwe boek De Hoge Bergen van Portugal plaatst hij een chimpansee op een kruis. De genen van de chimpansee zaten immers ook in Jezus, licht hij toe. In het laatste deel van het boek ontvouwt zich een vriendschappelijke relatie tussen een man en een aap. Peter, een oude politicus en weduwnaar, heeft de aap uit erbarmelijke omstandigheden in een laboratorium gered. Ze vluchten samen naar Portugal waar ze een rustig en teruggetrokken leven leiden.

maxresdefault

Het is overigens de vraag of het feit dat er veel dieren voorkomen in het Oude Testament, zoals Martel opmerkt, zo’n gunstig voorteken was. De Israëlische schrijver Meir Shalev schreef daar uitvoerig over in zijn boek In Den Beginne. Hij wijst erop dat het heersen over dieren het eerste voorrecht is dat de mens krijgt na de schepping. ‘Wees vruchtbaar en word talrijk,’ staat in de Bijbel, ‘bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’

‘Anders gezegd,’ schrijft Shalev, ‘volgens de schrijver van het scheppingsverhaal is de heerschappij over de dieren het doel en de bestemming van de mensheid.’ En dan te bedenken dat het eerste dier dat een noemenswaardige rol zal spelen in het verhaal een slang is die de mens op het foute pad brengt.

Shalev gaat verder: ‘Hoewel onderdrukking, exploitatie en wreedheid tot op de dag van vandaag onze relatie met de dieren kenmerken en hoewel we sterker en slimmer zijn dan zij, voelen we ons er ongemakkelijk bij. Zo ongemakkelijk dat we goddelijke toestemming en morele rechtvaardiging wensen voor onze slechte behandeling van dieren. Daarom hebben we verzonnen dat God ons toestemming heeft gegeven over de dieren te heersen en die toestemming zal leiden tot dierentuinen, slachthuizen, jachtverenigingen, kippenhokken, circussen en veestallen.’

Filosoof Peter Singer, die in de jaren zeventig aan het basis stond van het dierenrechtenactivisme met zijn boek Animal Liberation, noemde de bijbelse visie op dieren, waarin ze ondergeschikt zijn aan de kroon op de schepping, speciesisme. Shalev gaat nog een stap verder. ‘En ook de opvatting dat een volk een ander volk mag overheersen, onderdrukken en knechten, komt voort uit het oudste van de voorrechten die we onszelf hebben toegekend in de naam van God: het recht te heersen over de dieren. De geschiedenis leert ons per slot van rekening keer op keer dat we de medemens maar hoeven te vergelijken met een dier – liefst met een worm, een aap, een hond, een varken of een kakkerlak – om ons gelijk beter te voelen.’

Het is een vergelijking die Yann Martel moet aanspreken. In zijn Holocaustroman Beatrice en Vergilius worden belangrijke rollen ingenomen door een aap en een ezel. ‘Het lot van de dieren is bezegeld door de onverschilligheid van velen, in combinatie met de daadwerkelijke haat van weinigen’, laat hij een taxidermist in die roman zeggen. De dieren zelf dissen de geschiedenis van de Holocaust op.

‘Als er over de Holocaust wordt geschreven dan is dat altijd op een bijna historische manier,’ zegt Martel nu in het interview. ‘Het zijn romans die als geschiedenis aanvoelen, maar waarom zetten we hier niet alle middelen in die bij fictie horen? Ik wilde de Holocaust brengen als een dierenallegorie. Dat is het mooie aan fictie. Fictie kan alles doen, méér dan geschiedenis, autobiografie of biografie. Met fictie creëer je empathie, je krijgt sympathie door verbeelding. Want je kan situaties bedenken die geen enkele historicus kan neerzetten. Neem Zie: Liefde van David Grossman. Daarin belandt een onsterfelijke Jood in een gaskamer. Hij ziet iedereen om zich heen sterven. Toen het boek uitkwam werd Grossman bekritiseerd: dat was een gebied waar je weg moest blijven, vond men. Niemand kon vertellen wat er precies in die gaskamers was gebeurd. Grossman verdedigde zich door te stellen: dat is juist wat een fictieschrijver wél kan doen. Ik ben dat met hem eens. Met je empathie en verbeelding kan je de gaskamer in en je voorstellen hoe dat geweest moet zijn. Ging de vergassing ook echt zo? Nee, maar het is beter dan niets. Het is beter die momenten op te schrijven aan de hand van de verbeelding dan er helemaal niets over te schrijven. Het is belangrijk om je voor te stellen hoe het geweest is. Je begint met de feiten en gaat dan verder.’

 Fictie kan alles doen, dat moet ook het Vlaamse schrijversduo hebben gedacht dat schuilgaat achter de naam Elvis Peeters. Een dier opvoeren als een personage, ook dat is precies wat alleen een fictieschrijver kan doen. Als je het principe huldigt van suspension of disbelief, zoals de Engelsen dat zo mooi noemen, dan wordt de lezer in Peeters’ laatste roman Jacht op de proef gesteld. Hoe ver is hij bereid mee te gaan in het verpersonificeren van dieren? Lukt dat, je openstellen voor een dier als personage als het niet om een zoete Disneyfilm of om een kinderboek gaat maar om relevante literatuur?

Het interessante is dat de dieren die Peeters opvoert geen vermomde dieren zijn, ze doen nergens denken aan de dieren in Animal Farm die alle een menselijke karaktertrek tonen in een uitvergrote vorm. Peeters vertrekt juist bij de uniciteit van de dieren in kwestie, maar geeft ze gaandeweg steeds menselijker trekjes. Al op de eerste pagina’s van Jacht worden we in de belevingswereld van een paard en een vos gezogen. ‘Zoals de wereld daar ligt, nat en neergeslagen, zijn benen moe van het stappen, de eindeloos schommelende lege lijnen van de horizon die nog nadeinen in zijn kop, de eenzaamheid die hem de hele dag een trouw gezel is geweest, weg van zijn dorp, op weg naar een stad, belaagd door instincten, sinds de ochtend geen taal meer gesproken, alleen in zichzelf, weet het paard niet wat hij van de vos moet denken.’

Wat volgt is een gedetailleerd verslag van een jachtpartij op een hertengezin waarbij de jager het onderspit delft. Het kost Peeters geen moeite de jager ook de rol van redder te geven, als hij een werkpaard dat hij op straat tegenkomt aan werk helpt op de steengroeve.

Nihilistisch

Net als de eerdere romans van Peeters die ik las gaat Jacht over het dunne vlies dat we beschaving plachten te noemen. In het genadeloze Wij (2009) gaat een groep jongeren zich te buiten aan nihilistisch geweld vol perverse rituelen zonder enige vorm van moraal, in het al even indringende Dinsdag (2012) maken we kennis met een op het eerste oog sympathieke oude man die een verleden als gewetenloos oorlogsmisdadiger in Congo met zich mee blijkt te dragen.

Omdat Peeters met Wij zei een commentaar op de vrije markt-economie te hebben geschreven en het schrijversduo bekend staat als zeer links georiënteerd is het niet vreemd dat lezers van Jacht er ook een parabel over een maatschappelijk fenomeen in menen te lezen. De dieren zouden bijvoorbeeld symbool staan voor migranten, of vluchtelingen. Maar in een interview in Humo schuift Peeters die suggestie van tafel. ‘Sommige mensen zullen dat zo lezen, veronderstel ik,’ zei hij. ‘Eén recensent schreef dat de vossen in ons verhaal eigenlijk moslimterroristen zijn – maar die allegorische lezing was niet onze insteek. Nu, hoe multi-interpretabeler een boek, hoe beter. Iedereen leest toch vanuit zijn levenservaring. Honden- of paardenliefhebbers zullen dit boek anders lezen dan mensen met een aversie tegen dieren.’

Net als bij Lars von Trier in Antichrist raakt de wreedheid van de natuur aan de meest dierlijke instincten bij onszelf. Het is het terrein waar beschaving en instinct, Apollo en Dionysos, een verbond sluiten. Wat ons bindt met de natuur is alles wat ons dierlijk maakt. Seks, voortplanting, spijsvertering, ontlasting, geweld, dood. Het zogen van een baby, menstruatiebloed, de laatste ademtocht. In Jacht lijken dieren op mensen (de Rottweiler onderdrukt zijn gekwispel omdat hij zich realiseert dat het er voor de mensenvrouw op wie hij oogje heeft gênant uitziet) en de mensen zijn zich voortdurend bewust van hun dierlijkheid. Als de jager Erik roerloos in zijn vouwstoel zit op een helling, schrijft Elvis Peeters, ziet hij voor zijn ogen hoe wreed de natuur zich toont. ‘De hazelworm kronkelt vergeefs, de egel drukt hem met zijn kleine klauwen tegen de mossige grond, bijt hem drie, vier keer in de kop. Het kronkelen valt stil, het leven ebt weg terwijl de egel het al opvreet. Het is niet wat hij hoopte voor ogen te krijgen, maar het bevestigt hem wel in zijn gelijk. Hierboven aan deze helling voelt hij zich net zo nader tot het leven komen als in bed bij zijn vrouw. Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Hij mag dat niet hardop verkondigen.’

Alsof het niet kon uitblijven leidt het inlevingsvermogen over en weer ook tot bestialiteit. Karla, de overbuurvrouw van de jager die werkzaam is op de afdeling personeelszaken van de steengroeve, krijgt een relatie met een Rottweiler. Karla ‘hijst zich op handen en knieën boven op hem. Hij ruikt een geur die oeroud moet zijn – wat rest van haar instinct.’ Peeters beschrijft de seksscène zo dat je bijna zou vergeten dat het om een vrouw en een hond gaat. En gezeten op een terras, met een pootje van haar liefdespartner in haar hand, voelt ze ‘het warme kloppen van leven dat uit de zachte kussentjes onder zijn tenen – of zijn het vingers? – spreekt’. Pas na afloop vraag je je af wat nu eigenlijk in hemelsnaam hebt zitten lezen. Dat is knap.

Antropomorfologie

Het was Wim T. Schippers die ooit een toneelstuk maakte voor zes afgekeurde politiehonden. De Duitse herders, die volgens de theatermaker ‘nauwgezet’ het script volgden, renden in Going To The Dogs rond op het podium, blaften, deden hun behoeften.  Het was aan de toeschouwer om er een plot in aan te brengen. Wie voldoende bereid was zijn ongeloof terzijde te schuiven kon zelf de karakters vormen. Een cursus antromorfologie voor beginners.

Het was een even geestig als interessant experiment, maar het kreeg geen navolging. Wat de norm bleef: het dier als metafoor en symbool (‘Koikarpers zwemmen tegen de stroom in,’ lichtte voormalig PVV-politicus Louis Bontes deze week in de krant de koikarper op z’n bovenarm toe, ‘zelfs als ze op de snijtafel liggen, geven ze geen krimp’), in kinderboeken of in de bundels van Toon Tellegen. Wat sporadisch voorkwam: literatuur waarin de liefde voor dieren wordt bezongen, zoals in het even wonderlijke als ontroerende Koetsier Herfst (2008) van Charlotte Mutsaers. De schrijfster droeg haar roman indertijd op aan ‘alle prisoners of compassion’.

In haar essaybundel Paardejam beschreef Mutsaers ook mooi hoe ze tot het besef kwam dat de gedaante van een dier aannemen iets is dat alleen in literatuur kan. Nota bene het meest ‘ondierlijke medium’, besefte ze, de taal. Het was tijdens het werken aan Rachels Rokje (1994), waarin ze intiem moment beschrijft tussen een paard en zijn berijder: ‘Eindelijk legt het paard zijn loodzware hoofd dan op de geadoreerde schoot, voelt de sterke armen, de strelende handen, zucht en denkt: Wat doet het er ook toe dat ik een paard ben en dat het slechts mijn hoofd is dat op schoot kan zitten. Want mijn hoofd, dat ben ik zelf. Daarin heeft die schoot tenslotte vorm gekregen. Laat nu de slagers maar komen, mij kan het niet meer schelen om dood te gaan.’

Dat nu is betrekkelijk nieuw in volwassen literatuur: het dier als volwaardig personage met verlangens, dromen, zelfreflectie en visies. Een man of een vrouw met irrationeel gedrag, dat is één ding, maar een vos die zijn leven een andere wending wil geven, zoals bij Elvis Peeters, of een paard dat de filosofie uitdraagt dat we het leven niet persoonlijk moeten opvatten, kom er maar eens om. Alleen in de literatuur is zelfbewustzijn niet voorbehouden aan de mens.

Ik moest denken aan een gesprek dat ik vorig jaar had met de Nederlandse schrijfster Eva Meijer, die toen net haar roman Dagpauwoog had gepubliceerd. Ze was cum laude afgestudeerd in de wijsbegeerte met een scriptie getiteld ‘Politieke gesprekken met dieren’, waarin ze – voortbordurend op onder anderen Wittgenstein en Darwin – de vraag onderzoekt of dieren politieke actoren kunnen zijn. Deze week publiceerde ze Dierentalen, over wetenschappelijk onderzoek naar de manier waarop dieren met elkaar communiceren en de vraag waarin die talen nu eigenlijk verschillen van de onze. Ik moest ook denken aan de rechtszaak die twee jaar geleden in de VS werd gevoerd over de opsluiting van de chimpansee Tommy, waarin het draaide om de vraag of een chimpansee een ‘persoon’ is. Als Tommy een persoon zou zijn had hij de status van ‘rechtssubject’ gekregen, met grote gevolgen voor alle andere dieren in gevangenschap. In het denken van voorvechters van dierenrechten lijken de grenzen tussen de soorten verder te vervagen. Mens en dier lijken naar elkaar toe te groeien, een proces dat ook beschreven wordt in Een beestachtige geschiedenis van de filosofie, waarop de Nederlandse filosoof Erno Eskens afgelopen najaar promoveerde.

In Jacht lijken dieren en mensen al erg op elkaar, al blijven er grote verschillen, zoals het feit dat mensen twijfel kennen. ‘Ze denken in patronen die niet eeuwig kunnen meegaan,’ analyseert een hond in het boek. ‘Ze twijfelen.’ Elvis Peeters is begonnen met het ontginnen van terrein dat zowel literaire mogelijkheden biedt als dieren weer de plek geeft die ze ooit innamen. In de hindoeïstische Ramayana, of in de Griekse mythologie. In fictie kan alles. Niet voor niets nam Peeters een motto op uit het gedicht Over Engelen van Czeslaw Milosz:

Men zegt dat iemand u verzonnen heeft,
maar mij overtuigt dat niet.
Want de mensen hebben ook zichzelf verzonnen.

© Schift, maart 2016