Hier zijn wij! Dat was het gevoel dat ik had toen Het Bureau gepubliceerd werd. Ik genoot van al die aandacht. Het schrijven van een boek vond ik zoveel interessanter dan het hebben van een baan. Ik was trots. Kijk eens wat mijn man kan! Ik vind het heel erg fijn dat zijn boeken er zijn. De boeken hebben meer zin aan ons leven gegeven. Han heeft een statement gemaakt van ons leven.’

Welk statement is dat?

‘Je moet ervoor uitkomen wat je gedaan hebt en wie je bent. Rekenschap geven, verantwoording afleggen. Dat wilde hij. En hij heeft ook namens mij dat statement gemaakt. De problemen die hij te lijf ging door te schrijven, die had ik zelf niet, maar het is heel duidelijk wat mijn rol is. Heel duidelijk. Veel mensen zeiden: wat een vreselijke vrouw heeft die man. Maar er bleken ook veel mensen te zijn die Nicolien juist fantastisch vonden.’ Ze schaterlacht. ‘Typisch hè?’

Lousje Voskuil staat op om de deur naar de gang te openen voor Jan, de poes voor wie in de kamer ook een immense krabpaal prijkt. ‘Anders gaat ie hier een plas doen’. ‘Ga maar, ga maar!’, moedigt ze hem aan. ‘Hij is gewond op straat gevonden hoor, want zo’n mooie poes was ik natuurlijk nooit gaan kopen. Het is een heilige Birmaan’.

Lousje Voskuil is Nicolien natuurlijk, maar gezien door de ogen van Maarten Koning, het alter ego van haar man J.J. (Han) Voskuil, die vijf jaar geleden overleed. Hij was een meester in het schrijven van hun echtelijke ruzies, zij was de muze die het mogelijk maakte. Natúúrlijk zijn er veel mensen die juist Nicolien op handen dragen. Zij houdt hem bij de les en er is geen scène waarin je niet die diepe verbondenheid voelt tussen die twee. Wij tegen de rest van de wereld, zelden werd dat zo treffend en roerend beschreven als in het werk van J.J. Voskuil. Nicolien is zijn geweten. Te pas en te onpas herinnert ze hem aan zijn idealen van vroeger, de afspraken die ze hebben gemaakt over hoe ze hun leven zouden leiden als ze ouder zouden zijn. Maarten krijgt de kans niet om zich over te geven aan de burgerlijke idealen die hun leven misschien zoveel makkelijker zouden maken, maar ook betekenislozer.

‘Sluit jij iedere dag compromissen?’ riep ze woedend. ‘Omdat je moet!’ riep hij terug. ‘Omdat je niet bij alles kunt zeggen dat je het verdomt!’ Hij stond met een ruk op, woedend, machteloos. ‘Ga dan gauw mijn huis uit alsjeblieft!’ riep ze. ‘Compromissen sluiten! Wat doe je hier dan nog? Hoepel op!’

(fragment uit Het Bureau)

Zonder Nicolien geen Bij nader inzien, geen Het Bureau. En nu zit ik in hun woning aan de Amsterdamse Herengracht in het interieur dat geen enkele verandering lijkt te hebben ondergaan sinds de eerste echtelijke ruzie zich hier in 1969 moet hebben afgespeeld. Ik was hier nooit eerder, maar toch verbeeld ik me ieder meubel, van de oude slaapbank tot de schrijftafel tot de rotanstoel, te kennen. Als ik hier voor het raam sta kijk ik uit over de plek van waar Maarten ’s ochtends nog even achteruit omhoog keek en zwaaide naar zijn vrouw. Op weg naar alweer een dag op Het Meertens Instituut, het wetenschappelijke bureau waaraan hij dertig jaar verbonden was en waarbinnen hij carrière maakte, geheel tegen de zin van zichzelf maar vooral van zijn vrouw. Het zou leiden tot een van de meest doorwrochte zelfonderzoeken in de Nederlandse literatuur, opgetekend in korte, kale zinnen, maar met de precisie van een edelsmid: de zevendelige romancyclus Het Bureau. Tot de publicatie ervan eind jaren negentig was J.J. Voskuil de schrijver van dat ene cultboek, Bij nader inzien (1963), over de vriendschap van een groep studenten in de jaren vijftig. Het werd bij een jongere groep lezers bekend door Frans Weisz’ televisie-verfilming, die de goedkeuring van Voskuil niet kon wegdragen, alleen al door het feit dat protagonist Maarten Koning aan het eind van de reeks zelfmoord pleegt. Zoiets zou Maarten nooit doen.

voskuilZelfmoord heeft Maarten niet gepleegd, in plaats daarvan koos Voskuil zelf het moment voor een waardig einde van zijn leven na een in de woorden van zijn vrouw ‘uitzonderlijk moedig gedragen ziekte’. Op de slotpagina’s van Het Bureau beschrijft Maarten Koning dat hij droomt hoe hij wordt uitgedragen, op de tonen van Nobody Knows You When You Are Down and Out van Sidney Bechet. ‘Hij duwde de deksel van zijn kist omhoog, richtte zich op en keek hen na. Ze liepen van hem weg over het pad naar de uitgang. Hij zocht naar bekenden, maar die achteraan liepen kende hij niet, en die vooraan waren kon hij niet meer zien. Terwijl hij langzaam de deksel weer liet zakken, werd hij wakker, overspoeld door een gevoel van oeverloze treurigheid.’ In zekere zin gaat al het werk over de illusie ooit echt deel uit te maken van een hechte groep. Het verlangen daarnaar, en tegelijk de diepe weerzin ertegen. Over hoe die verbondenheid (tussen bevriende studenten, tussen collega’s op het werk) als ieder zijns weegs gaat onmiddellijk weer vervliegt, alsof het er nooit was.

Er is maar één zekerheid. Nicolien.

Na het overlijden van haar man stond Lousje Voskuil voor het besluit of ze postuum zijn overgebleven manuscripten zou publiceren of niet. Redenen om te aarzelen waren er voldoende (van te intiem tot te kwetsend voor personen die erin voor kwamen), maar in 2009 verscheen eerst Binnen de huid, in 2012 gevolgd door De buurman. Daarna werd het stil. Deze zomer, in de week waarin journaals openden met de examenfraude op de Rotterdamse scholengemeenschap Ibn Ghaldoun, zag ik in NRC Handelsblad ineens een ingezonden brief van haar staan. ‘Opgaven eindexamen gestolen – anno 1943,’ stond erboven.

Het drama van de gestolen eindexamens voert mij ver terug in de tijd. Het was 1943 en ik had eindexamen gedaan van de Gemeentelijke Handelsdagschool in Den Haag. We werden in mei opgeroepen om de uitslag te horen. De spanning was groot.
Wat hoorden wij? De opgaven waren gestolen! Het eindexamen moest worden overgedaan! We kregen tot eind augustus de tijd om het over te doen.
Sommigen hebben dat niet meer aangekund. Er werd gehuild. Het was toch al een gespannen tijd vanwege de bezetting! Maar het moest gebeuren. Nog drie maanden zwoegen. Het bleek dat de opgaven waren gestolen door een leerling van de vierde (hoogste) klas.
Ik wil maar zeggen dat het niet alleen bij islamitische scholen fout gaat. Ik leef mee met al die leerlingen en wens ze sterkte. Het kan lukken, al is het voor de tweede keer!

Lousje Voskuil-Haspers, Amsterdam.

Die brief trof mij. Het had te maken met de haast kinderlijk eenvoudige zinnetjes met al die uitroeptekens, maar er sprak ook diezelfde maatschappelijke bewogenheid en liefdevolle strijdvaardigheid uit (opkomen voor de underdog!) die we zo goed kenden van Nicolien. Ik wilde graag weten hoe het met haar ging en besloot haar op te zoeken.

‘Mijn leven is natuurlijk compleet veranderd sinds mijn man is overleden,’ zegt Lousje Voskuil (86), ‘maar mijn blik op de wereld is ongewijzigd. Hoe onmaatschappelijk ik zou zijn als ik nu jong was, weet ik niet. Het is zo’n andere tijd. Er is niet echt iets waar jonge mensen in deze tijd gezamenlijk tegen vechten toch? Ik zelf moet nog altijd vaak de neiging onderdrukken om te reageren om iets wat ik onrechtvaardig vind, maar als ik er niet bij was geweest op die school in Den Haag, was het niet in me opgekomen om een brief te schrijven hoor. Voor mij verdienen underdogs op voorhand belangstelling en sympathie. Ik vind dat ze een streepje voor hebben. Dat gold voor Han niet. Hij beoordeelde ze zoals ieder ander. In De buurman zegt Maarten ook: ‘Voor mij zijn underdogs alleen interessant als ze ook mijn vrienden zouden kunnen zijn. Voor jou zijn het per definitie vrienden.’ Dat is altijd een wezenlijk verschil geweest tussen ons. Ik denk dat de eerste groep mensen met wie ik dat zo sterk had de eerste gastarbeiders waren. Toen we nog aan de Lijnbaansgracht woonden was naast ons een groot gebouw waar ze werden gehuisvest. We woonden beneden en ik herinner me nog dat het ’s ochtends vroeg, als ze naar hun werk gingen, al een drukte van belang was bij ons voor de deur. Mijn vader had het ook al, hij voelde zich aangetrokken tot minderheden en mensen in benarde posities.’

‘Begin jaren dertig raakte mijn vader werkloos. Hij was bouwkundig tekenaar en was bij de eerste slachtoffers, want er werd domweg niet meer gebouwd. Pas in 1939 kwam hij weer aan de bak, bij de Telefoondienst waar hij de leidingen voor telefoonverbindingen mocht tekenen. Dat was natuurlijk niet echt zijn vak, maar hij heeft het opgewekt gedragen allemaal. Voor mij was het de normaalste zaak van de wereld dat mijn vader altijd thuis was, ik wist niet beter. Vrijwel de hele dag zat hij te solliciteren. Voor zover ik dat kon overzien ging hij er nooit echt onder gebukt, hij bleef eigenlijk altijd monter. Ik geloof dat het voor mijn moeder allemaal veel lastiger was, omdat zij maar moest zien dat ze de eindjes aan elkaar bleef knopen. Voor haar was het ingewikkelder om dat optimisme van haar man te delen, en dat begrijp ik heel goed. Financieel was het altijd zorgelijk, maar ze heeft er mij nooit wat van laten merken, ze klaagde nooit terwijl ze eigenlijk alles deed, het huishouden, de financiën. Het was armoede. Het laatste deel van de oorlog lag mijn vader met hongeroedeem op bed. We aten een boterham per dag. En er was een halve liter watersoep van de gaarkeuken iedere dag. Nooit leidde het tot spanningen thuis.’

Onmaatschappelijk

‘Anders dan bij Han heeft dat wereldbeeld van onmaatschappelijkheid bij mij nooit onder druk gestaan. Het kan best zijn dat ik door die werkloosheid van mijn vader een instinctieve haat tegen die maatschappij heb gekregen. Hij mocht dan optimistisch blijven, ik voelde natuurlijk wel dat hem iets aangedaan werd. Ik weet niet beter of ik ken die sterke overtuiging dat de maatschappij eigenlijk niet deugt. De maatschappij, daar hoor je niet aan deel te nemen. Tot op de dag van vandaag denk ik er zo over. Dat is precies waarom ik nooit wilde dat mijn man een goede functie kreeg. Mijn man had een heel andere achtergrond, hij kwam uit een totaal ander, intellectueel milieu, met een vader die – als hoofdredacteur van Het Vrije Volk – iets hoogs was. Het gekke was dat we ondanks die verschillen er eigenlijk hetzelfde over dachten. Hij wilde zelf ook liever niet hogerop. In zijn dagboeken geeft hij steeds weer aan dat hij veel liever niet naar dat bureau was gegaan. Liefst was hij thuis gebleven, een beetje van de hand in de tand leven. Ook hij was doordrongen van het idee: ik wil niet meedoen aan de maatschappij. Waar dat bij hem precies vandaan kwam heb ik nooit goed begrepen. Tijdens zijn studententijd was hij natuurlijk omringd met alleen maar mensen die diezelfde overtuiging aanhingen. Wij gaan niet meedoen, dat was de afspraak. Dat propageerden ze stuk voor stuk. En elk van die vrienden, de een na de ander, was afgestudeerd en deed meteen mee! Alleen mijn man niet. Dat trok me in hem aan. En ik heb later wel vaak gedacht: wij moeten elkaar versterkt hebben. Als hij een vrouw had gehad die het daar helemaal niet mee eens was geweest, dan was het misschien allemaal heel anders gelopen.’

Stuitte de literaire status die hij kreeg u niet tegen de borst? Ook in de literatuur verwierf hij toch een voorname positie, compleet met prijzen?

‘Nee, daar had ik dan weer geen moeite mee. Dat was hij zelf, dat had hij helemaal zelf voor elkaar gekregen. Natuurlijk, hij was ineens iemand met groot aanzien in de literaire wereld, maar dat vond ik juist wel leuk. Omdat ik het natuurlijk heel terecht vond. Omdat hij dingen schreef waar ik het mee eens was! Dat was niet maatschappelijk! Dat was eigenlijk een beetje tégen de maatschappij. Dus als er veel mensen waren die dat prachtig vonden, zoveel te beter!’

Kort voor zijn dood had hij tegen haar gezegd over het manuscript van Binnen de huid: ‘Beslis jij maar wat je ermee doet’. Het boek behandelt de tussenliggende jaren tussen de studietijd en zijn werkend leven, van 1954 tot 1956. Voskuil schreef het in 1968, maar wilde het bij leven niet publiceren. Bovendien vond zijn uitgever Geert van Oorschot het maar niks.

Binnen de huid blijkt een cruciaal boek in Voskuils oeuvre. Postuum kleurt het al andere werk dieprood, het geeft al het omliggende werk (Bij nader inzien ervoor, Het Bureau erna) een nog grotere lading. Niet langer is Maarten uitsluitend beheerst en uitgebalanceerd, maar hij is ook jaloers, zelfzuchtig, genotzuchtig, driftig, overspelig, agressief en wanhopig. Dat maakt ook het herlezen van de andere boeken tot een rijkere ervaring. ‘De herinnering aan haar mond maakte me duizelig’, welke Bureau-lezer had ooit gedacht dat Maarten Koning iets dergelijks zou kunnen denken? En dan gaat het niet eens over Nicolien, van wie hij zich in deze periode vervreemd voelde, maar over de vrouw van zijn beste vriend en rivaal Paul DeHoes, Rosalie. Met haar heeft Maarten Koning halverwege de jaren vijftig kortstondig een affaire. Wat zeg ik, Maarten Koning is hier ‘ik’ geworden. Ik, J.J. Voskuil. Dichterbij kunnen we niet komen. Binnen de huid is het verslag van een diepe innerlijke crisis die Voskuil doormaakt in de periode na zijn afstuderen, een periode waarin hij voor belangrijke keuzes stond. Hij kwam er even niet uit. Hoe te leven. En deed in paniek dingen waarvan niemand verwachtte dat hij ze zou doen, hij zelf misschien nog wel in de laatste plaats. De rare sprongen van een kat in het nauw.

‘Tot hij het boek had geschreven was ik me er niet van bewust dat hij zo’n diepe crisis had doorgemaakt,’ zegt Lousje Voskuil. ‘Ik kreeg het te lezen – getijpt was het – en ik was zo kwaad dat ik het hele manuscript doormidden heb gescheurd. Direct daarna dacht ik: nee, dit is verschrikkelijk wat ik heb gedaan, en toen heb ik al die bladzijden weer aan elkaar geplakt. Blaadje voor blaadje, met plakband, ergens op een terras in het Vondelpark. Ik wilde niet dat hij mij bezig zag met dat plakken, als hij thuis kwam. Nooit had hij er met mij over gesproken. Niet over zijn gevoelens voor Rosalie, maar ook sowieso niet over het feit dat hij het zo’n moeilijke periode had gevonden. Ik heb ook nooit gemerkt dat hij zich anders gedroeg. Ik zag wel dat hij veel sympathie had voor haar, maar ik denk dat ik er ook blind voor was omdat ik het totaal niet verwachtte, zoiets. Ik hield me er totaal niet mee bezig. Pas later begreep ik dat de chaos in zijn hoofd ook met dat verzet tegen de maatschappij te maken had. Hij zag zijn vrienden de overstap maken naar de maatschappij, raakte in paniek en dacht wat moet ik nou? Moet ik nou wel of niet leraar worden? Moet ik wel of niet een gezin stichten? Hij verkeerde in grote onzekerheid over zichzelf, vroeg zich voortdurend af: Doe ik het zo wel goed? Een baan, kinderen, waarom zou ik dat niet doen? Dan zou alles veel makkelijker voor ‘m worden… Met mij viel daar gewoon niet over te praten. Ik wist van jongs af aan dat ik nooit kinderen zou willen. Han vond dat altijd prima. Gelukkig maar, want dat is nog een heel probleem als je het daarover oneens bent. Ik denk dat z’n ouders het wel erg jammer gevonden hebben. Mijn ouders niet. Ik geloof zelfs dat mijn moeder zelf ook liever helemaal geen kinderen wilde. Ik vermoed dat ik een ongelukje was.’

In hoeverre schreef uw man Binnen de huid voor u?

‘Han schreef Binnen de huid voor mij. Om verantwoording af te leggen. Dat ging niet in een gesprek. Bovendien wilde hij het voor zichzelf allemaal ontrafelen natuurlijk.’

Was u gespannen voor de reacties?

‘Ja, dat was ik wel ja. Er zaten ook heel onverwachte reacties tussen. Een goede vriend van Han, een oud-leerling van hem uit Groningen, had het boek gekregen maar ik hoorde steeds maar niks van ‘m. Op een gegeven moment liet hij weten: ja, dat boek dat zinde me toch niet zo. Het Bureau was hij verrukt van, maar dit kon hij niet verdragen. Nou, dacht ik toen, dan was je toch niet zo’n goede vriend. Voor sommige mensen bleek Binnen de huid moeilijk te verteren. Die willen niet dat Maarten iets doet wat je niet behoort te doen. Ze hebben dat niet kunnen begrijpen. Ze zien hem als iemand die precies weet wat hij wil. Maar dan hebben ze hem helemaal verkeerd gezien! Hij wist natuurlijk helemaal niet wat hij wilde, het heeft niet voor niets zo lang geduurd voor hij eindelijk naar dat bureau is gegaan. Lezers die mijn man zagen als iemand die goed leefde hebben Binnen de huid als een nederlaag gezien. Dat is toch idioot? Ik zie het als een moedig boek. Gelukkig vonden een heleboel mensen het juist wel mooi.’

Jaap Oversteegen, de grote vriend en rivaal van uw man – en de echtgenoot van Rosalie – schreef in z’n memoires: ‘We begrepen te weinig van elkaar. Dat we toch goede vrienden geweest zijn, komt denk ik omdat wij tegen ’t einde van onze studie onzekerder waren dan ooit over de vraag wat we met ons leven aan moesten.’ Wie Binnen de huid leest, moet hem daarin gelijk geven.

‘Ja. Ja. Maar hij had natuurlijk al gekozen hè. Jaap Oversteegen zat in een mooie flat in Deventer, met een vrouw en kind. Han nam hem dat kwalijk. In zijn ogen had Jaap verraad gepleegd. Dat was het conflict. Maar mijn man worstelde er dus mee, dat wrong, want hij lonkte er toen met Rosalie zelf ook een beetje naar. Hij heeft zich afgevraagd: kan ik ook zo leven? Maar dat ging dus niet. Omdat hij met mij was. Als hij van een vrouw was gaan houden die bepaald een kind wilde hebben, dan had hij dat gedaan natuurlijk. Dan had hij niet gezegd: nee dat doe ik niet. En dan had hij als vanzelf meteen een goede baan moeten nemen. Als je kinderen hebt kun je immers niet zeggen: laat mij maar in een achterafbuurtje zitten, ik leef van weinig geld. Geen kinderen hebben schept in die zin natuurlijk een enorme vrijheid. Ik zag het om me heen, al die vrouwen die vast kwamen te zitten, niet meer weg konden. Nu moeten vrouwen met kinderen er ook nog bij werken, maar toen mocht dat niet eens! Jaap Oversteegen zei altijd: je zou je toch generen als je je vrouw voor je liet werken. Zo was de tijd.’

Lousje Voskuil, foto: Maarten Slagboom

Een andere belangrijke figuur is Frans Veen, gemodelleerd naar Bert Weijde. Die is pas echt onmaatschappelijk. U voelt u zich tot zijn levenswijze aangetrokken, maar voor uw man was het ook een soort schrikbeeld.

‘Ja. Ja. Hoewel… Ik vond het een heel aardige man, maar ik dacht toch ook wel: zoals hij woont en leeft, dat zou ik toch ook niet willen. Het was bij hem echt een vieze smeerboel. En hij had helemaal geen geld. Het was een beetje zielig. En dan kreeg hij ook nog zo jong kanker. Dat leven dat hij leidde trok mij toch niet aan hoor. We vonden hem heel aardig, maar…’

Dat was nou óók weer niet de bedoeling. Zo’n leven leiden.

‘Nee. In het begin dacht ik nog wel: zo moet je het eigenlijk doen. Maar naarmate de tijd verstreek realiseerde ik me dat ik toch niet zou willen, die stank, die armoede ook. Op het laatst nam hij het ons een beetje kwalijk dat we hierheen zijn verhuisd. Op de Lijnbaansgracht woonden we in heel eenvoudig, armoedig benedenhuisje naast de kolensjouwer. Dat vond Bert leuk. In dit huis kwam hij niet zo graag op bezoek. Te sjiek. Vanaf het moment dat we hier woonden werd de band minder.’

U stond een beetje tussen hem en uw man in.

‘Ja. Ik kon het nog wat langer begrijpen dan Han, dat leven dat hij leidde, maar uiteindelijk ging het mij ook te ver. Mijn man moest natuurlijk toch geld verdienen, want dat deden vrouwen toen niet. Iets waar ik heel gelukkig mee was’.

Mensenkinderen

De personages in het toneelstuk Mensenkinderen, dat postuum voor het eerst werd opgevoerd, worden M. en V. genoemd, Man en Vrouw, maar deze dialoog over het huwelijk had bepaald niet misstaan in Het Bureau:

V. (verontwaardigd): De hoeksteen van onze beschaving? Dat ga je toch niet beweren? Je gaat hier toch geen christelijke praatjes houden? De hoeksteen van onze beschaving! Laat me niet lachen! Zo zout heb ik het nog nooit gegeten! De hoeksteen van onze beschaving! Hear! Hear!
M. (zwijgt)
V. Dat meende je toch niet, hoop ik? Dat het de hoeksteen van onze beschaving is?
M. Natuurlijk meende ik dat.
V. Wat is er ineens met je gebeurd? Dat het de hoeksteen van onze beschaving is?
M. Er is niets met me gebeurd.
V. Waarom zeg je dan zoiets idioots? De hoeksteen van onze beschaving! Ik weet niet wat ik hoor!
M. (heftiger, belerend, ook iets pesterigs): Zonder het huwelijk zouden we een totaal andere beschaving hebben gehad. Ik zeg niet dat ik dat erg zou vinden! Ik stel het alleen maar vast! Als de Kerk er in de Middeleeuwen het huwelijk niet had doorgedrukt en iedereen zich aan een vrouw vergreep zonder getrouwd te zijn, met hel en verdoemenis had bedreigd, dan leefden we nu in een maatschappij waarin de vrouwen zich te pletter werkten en de mannen op hun krent in de zon zaten te wachten tot ze er weer een konden versieren!
V. (verontwaardigd): Dus de feministen hebben ongelijk?
M. Natuurlijk hebben de feministen ongelijk. Als er iemand ongelijk heeft dan zijn het de feministen!

‘Ja, die discussie hebben we natuurlijk gehad. Han verzon niets. De derde persoon in dat toneelstuk trouwens, dat was een goede vriend van Han ook, maar die veranderde totaal toen hij eenmaal getrouwd was. Zo raakte je al je vrienden kwijt.’

Nicolien is vaak Maartens geweten genoemd. Zij waakt ervoor dat hij zijn principes niet verloochent. Is dat ook zoals u het zelf ziet?

‘Ja, eigenlijk wel. Hij was gevoelig voor wat ik vond. Ik was altijd degene die zei: je moet geen baan nemen en zo. En heel lang is blijven protesteren toen hij almaar op dat bureau bleef. Ik dacht aanvankelijk dat het maar tijdelijk zou zijn, dat hem toch niet zou bevallen en dat hij wel zou vertrekken. Zo is ie er ook aan begonnen maar hij heeft zich er helemaal in vastgewerkt. Voor hij bij het Meertens Instituut aan de slag ging heeft hij heel lang geprobeerd om rond te komen met boekbesprekingen. Bij Van Oorschot hebben ze de boekbesprekingen teruggevonden die hij in ’58 en ’59 schreef, die worden volgend jaar uitgegeven. Vooral besprekingen van Duitse schrijvers zijn het – Musil, Kafka – die indertijd werden gepubliceerd in Literair Paspoort. Maar daar konden we echt niet van rondkomen. Ik had natuurlijk ook wel makkelijk praten door te zeggen dat hij geen baan moest nemen. Omdat ik geen baan hoefde te nemen moest hij het opknappen.’

In de boeken is dat nooit z’n verweer. Hij zegt nooit: jij hebt makkelijk praten, want je zit hier maar thuis.

‘Nee, dat heeft hij nooit gezegd. Het was natuurlijk ook heel vanzelfsprekend dat een vrouw thuis was toen. In deze tijd zou ik er niet mee wegkomen. Ik had overigens graag Frans willen studeren. Ik had HBS-A, maar dat was niet genoeg. Een oom van mij, een broer van m’n moeder, heeft vervolgens een staatsexamencursus voor mij betaald van twee jaar. En toen had ik gymnasium. Toen wou ik Frans gaan studeren, maar op een ochtend zei m’n moeder terwijl ze stond te stofzuigen: ik denk niet dat je nog kunt gaan studeren, want oom Sjef wil het niet meer betalen. Hij vond het nu wel welletjes. Ik had Han al, dus hij dacht: wat moet ze met die studie.’

Als lezer krijg je eigenlijk nooit een verklaring voor het gedrag van Nicolien. Nergens wordt haar achtergrond geschetst, hooguit summier in het boek De moeder van Nicolien.

‘Nee, de achtergrond van Nicolien krijg je er niet bij. Maar dat kon hij natuurlijk ook niet. Hij kon niet opschrijven wat er in haar hoofd omging. Natuurlijk heb ik ook wel eens gedacht: geef mij nou ook eens wat achtergrond. Mensen krijgen zo’n eendimensionaal beeld van me, altijd die ruzies, nooit een bedding die aangeeft waarom ik zo’n ruzie begin. Ik heb het ook wel ’s tegen hem gezegd: ik kom er alleen in zoals jij me ziet. Maar ja, dat kon hij natuurlijk ook alleen maar. Dan zei hij: verder weet ik het niet. Wat je erbij gedacht heb kan ik niet gaan opschrijven! En daar had hij natuurlijk gelijk in’.

De moeder van Nicolien verhaalt over Alzheimer, maar het is ook een mooi eerbetoon.

‘Ja, het is een heel mooi boek. Maar triest’.

Bent u wel eens bang om zelf ook Alzheimer te krijgen?

‘Soms denk ik dat ik het heb, maar ach, ik ben nu al zo oud. Ik denk niet dat het mij gebeurt. Mijn moeder was zo veel jonger toen het begon’.

‘Wat mij in mijn schoonmoeder vooral intrigeerde is het animale, het leven dicht bij de kern van het bestaan’, zei uw man in een interview. ’Vergelijk haar maar met een spar. Een kerstboom zonder versierselen. En dus ook zonder pretenties.’

Ze lacht. ‘Ja. Het was een heel eenvoudige vrouw, van eenvoudige afkomst. Mijn vader had nog iets voornaams, die kwam uit een schildersgezin vanuit de Oppert in Rotterdam. Mijn moeder had niks voornaams. Haar vader had een heel klein kroegje in de Haagse binnenstad. Het vreemde is dat die twee elkaar hebben gevonden en dat dat zo’n geweldig goed huwelijk is geweest. Zal ik vertellen hoe het gekomen is? Het was in de trein. Mijn moeder was onderweg van Rotterdam naar familie in Den Haag, met een gebakdoos bij zich. Mijn vader zat tegenover haar. Onderweg durfde hij niets te zeggen, maar toen de trein het station in Den Haag binnenreed zei hij: ‘Zal ik die doos voor u dragen?’ Mijn vader zag er kennelijk wel wat in want eenmaal in het station vroeg hij: ‘Waar moet u naartoe?’ ‘Ik moet naar m’n broer, op de Hoefkade,’ zei m’n moeder. En de Hoefkade, dat was een heel armoedige buurt, dat is nu de Schilderswijk. Mijn vader kwam uit de Oppert, maar dat maakte hem he-le-maal niks uit. Hij zag waarschijnlijk niet eens of iemand bruin of zwart was, hij maakte geen enkel onderscheid. Dus hij ging gewoon met haar mee naar de Hoefkade. En toen ze tegen haar broer zei dat er iemand bij haar was die haar had weggebracht, riep haar broer: ‘O, neem ‘m maar mee naar boven!’ Zo is het gegaan. Het was meteen aan.’

Terwijl ze vruchtensap inschenkt kijkt ze schuin omhoog, naar het stilleven boven de bank. ‘Dat heeft mijn grootvader nog geschilderd,’ zegt ze. ‘Hij was verbonden aan een groot schildersbedrijf, maar schilderde zelf ook, meest stillevens. In het kamertje hangen er ook nog een paar, maar dit vonden wij wel de mooiste. Mijn vader moet dat artistiekerige van hem geërfd hebben, daarom is hij waarschijnlijk tekenaar geworden. Mijn vader overleed in 1960, toen was hij 73. Hij had ook die enorme liefde voor dieren. Hij was al geabonneerd op zo’n blaadje van de anti-vivisectiebond toen dat nog volstrekt ongebruikelijk was. De meeste karaktertrekken die ik heb, dank ik aan hem, denk ik.’

Ze herleest momenteel de dagboeken van haar man. Tien jaar na haar overlijden mogen ze gepubliceerd, zo is het vastgelegd. ‘Als het niet later is dan 2026 tenminste,’ lacht ze. ‘Dan ben ik honderd! Nou wie weet. Tegenwoordig worden ze oud he?’ Reden om te wachten met publicatie is dat er nog te veel mensen in leven zijn die aanstoot zouden kunnen nemen aan passages. ‘Dan schrijft hij ergens dat iemand die bij ons op bezoek was ons niet beviel, en zo iemand kan nog in leven zijn natuurlijk. Hoewel, de meeste zijn al dood. Als ik alleen al denk aan de vrienden van vroeger, daar is vrijwel niemand meer van over. Frida is er natuurlijk nog, Frida Vogels. Ze woont in Italië. En de vrouw van Jan Voorhoeve, Flap in de boeken. Koosje heet ze. Die heb ik vorige week nog opgezocht.’ De eerste keer dat ze de dagboeken las had ze een enkele keer nog wel dat ze hem wat kleine aanpassingen suggereerde. ‘Niet veel hoor. Kleine dingen die volgens mij anders in elkaar zaten. Tijdens ruzies natuurlijk. Maar er staan nog genoeg ruzies in hoor.’

Daar vertrouw ik op.

Ze lacht voluit. ‘Ik vind het fijn om te lezen hoe het leven geweest is. Het frist m’n geheugen ook op, ik ben er heel veel van vergeten natuurlijk. Het beslaat vrijwel zijn hele leven. Op de lagere school stelt het nog niet veel voor, maar over de middelbare school schrijft hij al. Kleine stukjes, niet heel diepgaand, heel feitelijk nog, maar al wel in die kenmerkende stijl. Heel boeiend.’

Vriendschap

Wandelen doet ze nog altijd (‘iedere dag een uur’). Soms reist ze naar Den Haag, waar haar man begraven ligt en een goede vriendin woont. Voor een stuk dat wordt opgenomen in de bundel met boekbesprekingen die Van Oorschot volgend jaar uitgeeft is ze onlangs samen met Detlev van Heest teruggekeerd naar de wijk waarin ze is opgegroeid, de Vruchtenbuurt. ‘Heel aardig was dat, om al die straten van mijn jeugd weer te bezoeken. Maar verder vind ik die stad ook niet veel meer hoor. Alles opgebroken’. Ze herleest Boekovski, in het Russisch. ‘Ik heb het twee jaar gestudeerd. Zo houd ik m’n hersenen bezig. M’n belangstelling toen begon ook met Boekovski, omdat ik hem zo’n moedige dissident vond.’ Er zit ook een leeslintje halverwege het derde deel van de biografie van Gerard Reve (‘eigenaardig boek, ik vind er niet veel aan’), en een boek van A. den Doolaard. ‘Toen De Avonden verscheen werkte ik zelf nog in een boekhandel op de Kneuterdijk in Den Haag, dat was nog voor ons huwelijk. Ik herinner me nog dat mijn baas met zo’n groot plakkaat aan kwam zetten met de beeltenis van Van ’t Reve. ‘Kijk eens meisjes, wat een knappe jongen!,’ zei hij. Dat herinner ik me nog heel goed. Dat vond ik overigens geen vervelend werk, mensen boeken verkopen. Maar ik heb het maar twee-en–een-half jaar gedaan’.

De telefoon gaat. ‘Dat was Detlev,’ zegt ze als ze is uitgesproken, ‘de laatste jaren de beste vriend van mijn man. Han heeft veel steun aan hem gehad, en ik ben met hem bevriend gebleven. Hij is veel jonger dan wij, achter in de vijftig. Hij is parkeercontroleur geworden. Dat had ik niet gekund, zei Han altijd. Detlev praat wat makkelijker met mensen. Hij vindt het helemaal geen vervelend werk. Het aardige is dat ik nu goed bevriend met hem ben, terwijl… Ik heb eigenlijk nooit zo in vriendschap geloofd. Het waren altijd Han z’n vrienden. Eigen vrienden had ik niet, in elk geval niet zulke intieme. Ik vond het altijd wel gezellig om mee te gaan, maar het werd nooit zo belangrijk voor me als voor hem. Daardoor is ook de teleurstelling in vriendschappen die illusionair blijken mij vreemd. Han heeft heel veel in die vriendschappen belegd, en dat zou ik nooit gedaan hebben. Misschien speelt mee dat ik enig kind was, ik was niet gewend om te communiceren met anderen. Ook met m’n ouders niet. We hadden een goede relatie, m’n vader was dol op me, maar ik had niet de behoefte om hem van alles te vertellen. En ook m’n moeder niet. Het waren erg lieve ouders, maar geen ouders waar je gesprekken mee voerde. Intiem werd het nooit. Maar ik wist, ik voelde instinctmatig dat ze altijd achter me stonden. Als ik straf kreeg op school schrok m’n moeder een beetje, maar m’n vader haalde zijn schouders op. Ach, laat ze toch kletsen. Hij vond alles goed wat ik deed.’

Eén keer eerder kon Lousje Voskuil na de dood van haar man de verleiding niet weerstaan in de pen te klimmen en een brief aan de krant te schrijven. Dat was omdat ze haar man moest verdedigen, zegt ze. Het ging om een recensie van Binnen de huid in NRC Handelsblad.

‘Op de recensie van Elsbeth Etty over Binnen de huid van mijn man heb ik een en ander te zeggen. Haar conclusie is ‘Paul en Rosalie blijven qua beschaving, stijl en levenskunst veruit superieur aan de bekrompen zelfzuchtige Koninkjes’. Ik vermoed dat dit niet haar conclusie is, maar de premisse van waaruit zij haar recensie schreef. Haar conclusie is dat Maarten opgesloten zat in een ‘vreugdeloos huwelijk’. De enige voor wie Maarten zich interesseert, is Maarten: ‘een vriend, minnaar en echtgenoot die niets te bieden heeft en anderen slechts gebruikt om er zelf beter van te worden’. Ik meen, als echtgenote, het recht te hebben dit te weerleggen. Wij hadden geen vreugdeloos huwelijk. Mijn man had mij, zowel als echtgenoot als als minnaar, alles te bieden waaraan ik behoefte had.’

Te zijner tijd, als de dagboeken verschijnen in 2026, zult u er niet meer zijn om het werk te verdedigen.

‘Nee, dat is zo. Dat is wel jammer ja, maar het houdt een keer op natuurlijk’.

Welk boek is u uiteindelijk het meest dierbaar?

Voor het eerst laat een antwoord lang op zich wachten. En het verrast.

‘Ik denk toch Binnen de huid. Dat is het meest intieme. En ik kom er goed in voor. Het gekke is dat uitgerekend het boek dat ik bij eerste lezing onmiddellijk wilde verscheuren me nu heel na aan het hart ligt. Ik moest er heel erg aan wennen, heel erg. Maar later begreep ik het wel’.

© Schift, september 2013