‘Dat was niet met mij hoor.’

‘Niet?’

‘Nee, dat kan ik me echt niet herinneren’.

Een mooie zomeravond op een dakterras, de zon zakt achter de huizen weg. Opnieuw is een van ons vijftig geworden, nog een jaar en ik moet er zelf ook aan geloven. Het gaat over een concert, dertig jaar geleden in de Roxy. Ik zou zweren dat ik daar met deze vriend heen was, maar hij klinkt zo resoluut dat ik aan het twijfelen word gebracht. Ik weet heel zeker dat ik daar die avond niet alleen was, en er dringt zich niemand anders op in mijn gedachten. Thuis zoek ik een oude agenda op van dat jaar, het is de oudste die bewaard is gebleven. En daarin staat het verlossende woord. Het was iemand anders inderdaad.

Hij was het. Ach, natuurlijk.

Maanden verstrijken er waarin ik geen moment aan hem denk, een half jaar met gemak, maar helemaal uit mijn gedachten verdween hij niet. Ik droom wel eens dat hij jarenlang heeft vastgezeten en weer op vrije voeten is gekomen. Hij is veranderd, stil, verbitterd, ik dring niet tot hem door. Zijn gezicht is grauw, zijn ogen uitdrukkingsloos. De protagonist in een mysterieuze film noir. Als ik wakker word kan ik nooit goed thuisbrengen waarom hij ineens weer in mijn hoofd is opgedoken.

Geestverwanten

Gedurende een aantal jaren vormden we een drie-eenheid. Een intense vriendschap die even snel oploste in het niets als hij was ontstaan. Ik geloof dat de vonk oversloeg op de nachtelijke boot naar Londen, tijdens een studiereis die ons de redactievloeren van The Guardian en New Musical Express beloofde. Het was alsof veel dat me onthouden was tijdens de middelbare schooltijd in één keer alsnog werd ingelost. Eindelijk geestverwanten, eindelijk mensen die ongeveer hetzelfde nastreefden als ik, en dezelfde dingen (muziek, films, journalistiek, literatuur) belangrijk vonden als ik. In de jaren die volgden werden we gedreven ambassadeurs van de DIY-ideologie met een eigen tijdschrift dat we zelf distribueerden tot in de uithoeken van het land en een eigen café als belangrijkste uitingen. Bij de presentatie van het nulnummer van dat tijdschrift, deze maand precies dertig jaar geleden, traden we – in de beste traditie van Ronflonflon – op met een letterlijke vertaling van I wanna be your dog van The Stooges. Zo in de war, ik wil je hier! Nu wil ik je hond zijn! Nu wil ik je hond zijn, oh kom op!

Het is die onweerstaanbaar schaamteloze bravoure, die helaas al verdampt is voor je goed en wel in de gaten hebt dat je erover beschikte. We ontwikkelden een taal die verder niemand begreep, laat staan verdroeg. Al die incrowd-grapjes, al het vertoon, de aanstellerij; onuitstaanbaar moeten we zijn geweest. Maar wat hadden we een lol. In de studentenkamer van onze gezamenlijke vriend was het de zoete inval. Daar luisterden we naar nieuwe muziek, daar maakten we plannen, daar bouwden we met ontzagwekkende precisie onze melige dialogen op en overtroefden we elkaar met weetjes over platen en films, daar spraken we over ontluikende liefdes maar toch nog net iets meer over muziek, daar keken we naar Twin Peaks met zwarte koffie. Pas later, veel later, kwamen de verschillen aan de oppervlakte. Van ons drieën was hij vermoedelijk degene die zich het meest aangetrokken voelde tot de donkere kant, het domein waar opwinding hand in hand gaat met zelfdestructie, en humor met sarcasme. Ik denk dat ik instinctief voelde dat ik daar weg moest blijven, dat ik beter aan deze kant van de oever kon blijven staan. We bleven contact houden, maar – anders dan met mijn andere vriend – de magie verdween, het werd een regulier contact zoals vele andere.

En er verstreken jaren. Vier, vijf, denk ik.

Ik herinner me het moment waarop het bericht ons bereikte. Mijn vriendin en ik waren al ruim een half jaar op reis. Mobiele telefoons waren er nog niet, internetcafés waar je e-mail kon ophalen een noviteit, dus we lieten onze post op gezette tijden via poste restante sturen naar een postkantoor in een stad die we zouden aandoen. En in die stapel post daar in die stad in Yunnan, China waarnaar we verlangend uitzagen zat een brief die gewag maakte van zijn zelfgekozen dood. Je kunt het je in deze tijd niet meer voorstellen, maar ik las meteen ook dat de begrafenis een kleine maand geleden had plaatsgevonden.

De manier waarop hij het had gedaan liet geen ruimte voor twijfel. Het was de meest definitieve manier, zonder de mogelijkheid door iemand gevonden te worden om alsnog gered te worden. Het maakte de wanhoop en eenzaamheid nog tastbaarder. Het vrat aan me, had ik beter contact met hem moeten houden, had ik – hoe klein ook – een rol kunnen spelen in het voorkomen van deze tragedie?

Ik heb al die post die naar Yunnan, naar Kathmandu en naar Bangkok werd verstuurd bewaard. Ik zocht de brief op die onze gezamenlijke vriend stuurde. Een handgeschreven brief die het karakter heeft van een dagboek, met delen geschreven op verschillende dagen verspreid over de eerste weken na het nieuws. ‘Hij was onderdeel van dat clubje van ons drieën dat denk ik zonder elk van ons niet zo goed had gewerkt,’ las ik instemmend. ‘Het is niet voorstelbaar met een ander, dan was er niet dat fanatisme ontstaan en die humor. Er ontstond een vreemde roes, waar we volgens mij zelfs van moesten afkicken. Die keren dat we met zijn drieën afspraken toen we allemaal al andere dingen deden, waren niet altijd even leuk, we vervielen in een rollenspel dat niet meer klopte’.

De brief slaat een paar dagen over, een nieuwe datum met iets meer afstand. ‘Jij stoorde je aan zijn egocentriciteit,’ lees ik verderop. Het staat me niet meer scherp voor de geest, dat ik me stoorde aan zijn egocentriciteit. Maar ongetwijfeld is het waar. Ik zou maar wat graag bereid zijn me daar met terugwerkende kracht overheen te zetten.

In de brief gaat het ook over het laatste boek van Martin Amis, Night Train. ‘Suicide is a dude thing’, merkt de verteller daarin op, een Amerikaanse politievrouw. ‘Attempting is a woman thing: they’re more than twice as likely to do that. Completing is a man thing: they’re more than twice as likely to do that’.

Deltablues

Ik herinner me zo weinig van die laatste jaren voor zijn dood. Dus wie was er hier nu eigenlijk egocentrisch? Wat ik me haarscherp voor de geest kan halen is zijn humor en zijn smaak. Wat zijn er ontiegelijk veel platen en films die ik nog altijd direct met hem associeer. Ik kan de Pixies niet horen zonder zijn opgetogen commentaar erbij te horen, de Deltablues van Robert Johnson ook niet. Z’n zorgvuldig bewaakte nonchalante voorkomen en ironische oogopslag krijg ik er gratis bij. Als dat nu, na al die tijd, zo is, dan denk ik niet dat dat ooit nog zal veranderen. 

Haarscherp ook is het beeld van de rouwkaart van zijn moeder die bij terugkeer in Nederland, maanden later, bij de post op ons lag te wachten. Ze was hem achterna gegaan.

De precieze reden van zijn zelfgekozen einde was zelfs voor intimi schimmig, maar uit de verhalen rijst het beeld op van iemand van 27 die op alle terreinen die echt belangrijk voor hem zijn – werk, liefde, vriendschap – niet het gevoel heeft dat hij het onderste uit de kan haalt, en geteisterd wordt door een diepe onzekerheid over wat hij nou echt wil.

Vorig jaar maakte ik met mijn vrouw en dochter een lange roadtrip door de Verenigde Staten. Start- en eindpunt New Orleans, een enorme lus die ons via Texas en Colorado in Wyoming deed belanden, en via Utah en New Mexico terug voerde naar de deep south. De sensatie van dat aldoor veranderende landschap dat aan ons voorbijtrok, van het drasserige moeras tot de kale steppen, van de oneindige bossen tot de rode rotsen, onderwijl locaties bezoekend als pelgrims: van de stoffige plek waar de slotscène uit Once upon a time in the West werd gedraaid tot het plaatsje Paris, Texas waarnaar de film van Wim Wenders is vernoemd, van de hotelkamer waar Stephen King The Shining schreef tot de studio’s waar Aretha Franklin, Etta James en Candi Staton hun mooiste werk opnamen, van de graven van Isaac Hayes en Townes van Zandt tot de cafés in de Mississipi Delta waar de sterke verhalen over blueslegendes nog altijd om voorrang strijden. We belden brutaalweg aan bij helden. Irma Thomas deed gastvrij de deur open, Jody Stephens – het nog enige levende bandlid van Big Star – leidde ons door de Ardent Studio’s waar Big Star haar legendarische platen opnam en hij nog steeds dagelijks achter zijn drumstel plaatsneemt. En dan toch… het moment dat waarschijnlijk de meeste indruk op me maakte was een ontmoeting met twee jongens in een tankstation langs de snelweg. Het gas station was de enige reden om in dit gat te stoppen. Zo’n typisch stoffig onbeduidend plaatsje, met een paar woonhuizen, een paar vervallen houten schuren en een supermarktje. Het was een tankstation maar achterin deed een deel van de zaak dienst als snackbar. Bij de frituur stond een jongen van een jaar of 20, achter de kassa een iets oudere jongen. Hij droeg een grote tulband. We raakten aan de praat. ‘Uit Nederland?’ Ik vertelde hem over de kilometers die we hadden afgelegd, de opwinding die we voelden bij het zien van dat prachtige landschap en al die culturele rijkdom die zo’n iconische status had. Zonder blikken of blozen vertelden ze dat ze nog nooit dit dorp uit waren geweest. De jongen met de tulband woonde in het pand direct naast het tankstation, de jongen van de frituur aan de overkant, samen met z’n zieke moeder. Reizen was een fenomeen dat ze kenden van horen zeggen. ‘Maar mijn voorouders komen uit India,’ zei de jongen achter de kassa monter. ‘Dat is mijn cultuur’. Hij wees naar zijn tulband en grijnsde. ‘Ik ben er heel trots op’. Nog nooit een stap buiten zijn geboortedorp in Louisiana gezet maar trots op een cultuur aan de andere kant van de wereld. Waar ik verveling, frustratie en brandend verlangen naar de buitenwereld verwachtte proefde ik berusting, tevredenheid en zowaar levenslust. Oh ironie. We zijn on the road, vrijheid, opwinding, en dan in een tankstation annex frituur weer terug bij klein en meeslepend leven op de vierkante millimeter.

Oceaan

Op Spotify staat dezer dagen een nieuwe plaat op repeat. Bill Callahan is terug, chroniqueur van de levensrivier die uitmondt in de oceaan, en hij weet inmiddels wat dat is en hoe dat moet, klein en meeslepend leven. Hij heeft voor het eerst in zes jaar een nieuw album gemaakt, Shepherd in a sheepskin vest. Naar de achtergrond verdwenen is de man die zo slecht aansluiting vindt bij de samenleving, die ronddoolt met kwellende vragen en geesten uit het verleden, op de voorgrond dringt zich, ik kan het niet anders noemen, huiselijk geluk. Al vermijdt hij dat laatste woord zorgvuldig, om inflatie te voorkomen. Liever roept hij beelden op, dat van zijn spelende zoontje in zijn kamer, zijn vrouw die een handdoek op het matras legt (‘She says ‘It’s late. I’m bleeding’/ And we’re making love right now’), een nieuwe vloer, het uitzicht, het ochtendlicht. Kalm was de wereld die Callahan schetste al een paar platen lang, maar zo sereen, zo schijnbaar zorgeloos klonk hij niet eerder. ‘The panic room is now a nursery,’ merkt hij fijntjes op in Son of sea, dat het beeld oproept van een huis vol leven, vol met alles wat hij maar ter tafel brengt.

Well, I don’t believe in fate
I believe in destiny
My destiny is swerving in the road in front me, drunkenly

(uit: What comes after certainty)

Dertig zomers zijn we verder. Soms fantaseer ik even over het leven dat hij geleefd zou hebben, ongetwijfeld groots en meeslepend, grote hoogten, diepe dalen. Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt. Totdat hij op dat moment zou zijn aanbeland waarover Bill Callahan nu zingt. Ik verbeeld me althans dat ook hij daar eens zou zijn gearriveerd. Een huis vol leven, en vol met alles wat hij ter tafel zou brengen.

Ik weet niets.

Wat hebben we tegen elkaar gezegd, die avond op weg naar de Roxy? Waar spraken we af? Hoe keken we erop terug? Waar gingen we na afloop heen om wat te drinken? Hoe voelden we ons, waar hadden we het over? Het moet een mooie zomeravond zijn geweest, daarmee wil Google me nog wel helpen. Dat is het, daar blijft het bij. Verder is alles aan mij, ik kan het naar hartenlust invullen. Het moet een avond zijn geweest vol beloften. We konden alles aan immers, toen. De toekomst.

Het kon nog alle kanten op, het was nog niet onomkeerbaar.

Tegen het eind van zijn idyllische epos dat 20 nummers beslaat doet de dood zijn intrede en trekt Bill Callahan een folktraditional uit de kast, Lonesome Valley. Het werd vooral bekend in de versie van The Carter Family. Niemand ontkomt eraan die vallei te doorlopen. Vader niet, moeder niet, zus niet, niemand niet.

Everybody must walk the lonesome valley. Yeah they must walk it by themselves. There’s nobody here to walk it for them. They must walk it by themselves.

Is dat erg? Zoals Callahan het bezingt is het goed zo. Langzaam maar zeker krijgt de tegeltjeswijsheid iets bezwerends. Aan het eind is de onzekerheid verdampt, en de berusting daar. Kom maar op.

Everybody’s got to walk the lonesome valley
Yeah, you got to walk it by yourself
There’s nobody here can walk it for you
Yeah, you got to walk it by yourself

© Schift, juni 2019