Hier moet het zijn geweest. We staan stil op de hoek van 7th Avenue en Bedford Street, een klein stenen trappetje leidt vanaf de stoep naar beneden naar een gitzwart geverfde lage deur. De eigenaar van het belendende café haalt ongeïnteresseerd z’n schouders op, hij heeft geen flauw idee of er daar beneden nog iemand woont.

Dit is de toegang naar het New Yorkse appartement waar Richard Yates in 1960 zijn boek Revolutionary Road voltooide en waar hij een jaar later, de fles whisky binnen handbereik, de lovende kritieken moet hebben gelezen. Schaars waren zijn bezittingen: een boekenkast, twee oude strandstoelen, en een portret van hem en zijn dochters, geschilderd door z’n vriend Bob Parker. De roman werd goed ontvangen indertijd, maar Yates leidde bepaald niet het leven van een geslaagde auteur. Hij kampte met z’n gezondheid, demonen onder leiding van Koning Alcohol beheersten z’n leven, depressies en psychoses eisten hun tol. Alles ging in deze ‘tweede vrijgezellenperiode’, zoals hij zelf de eerste jaren na zijn scheiding noemde, op in drank, rook en vuil. Over het kelderappartement zelf hoeven we ons geen illusies te maken. ‘Dark, awful, dirty’ noemde zijn latere vriendin Wendy Sears het. ‘Cramped, dark, bare, roach-infested, nicotine-stained, and deeply depressing to his friends and children’, doet z’n biograaf daar nog een schep bovenop.

Toch kon Yates z’n geluk niet op toen hij dit appartement vond. Het was verrekte goedkoop en op loopafstand van de New School waar hij een betrekking had en ook niet ver van de straten in Greenwich Village waar hij opgroeide. Met z’n moeder – een alcoholische beeldhouwster, die haar dromen niet echt kon realiseren – verhuisde hij als kind van het ene naar het andere slonzige appartement, soms deden ze leuke dingen zoals een bokswedstrijd bijwonen in Madison Square Garden. Hier, met een klein raam op straathoogte dat ergens in de voorbije decennia moet zijn dichtgemetseld, kon hij z’n roman voltooien en onderwijl af en toe opkijken naar de voorbijkomende voeten van andere New Yorkers. Soms zochten z’n dochters hem hier op, ze moeten het op z’n minst curieus hebben gevonden bij die hoestende en drinkende man in z’n donkere kelder.

Toen Yates zijn intrek nam in het kelderappartement was het grootste deel van zijn roman al geschreven. Voor pakweg driekwart schreef hij het boek toen hij met zijn jonge gezin in het dorpje Mahopac woonde, in Putnam County, New York en zijn geld verdiende als copywriter voor machinefabrikant Remington Rand. Wie zijn biografie leest, realiseert zich hoezeer Revolutionary Road, net als latere boeken als Eleven Kinds of Loneliness (1962) en Easter Parade (1976) trouwens, doordrenkt is van autobiografie. Overigens zonder letterlijke aanwijzingen, want het ontbrak biograaf Blake Bailey aan brieven of dagboekaantekeningen.

Natuurlijk is het jonge echtpaar Frank en April Wheeler uit Revolutionary Road niet gelijk te stellen aan Richard en Sheila Yates, maar parallellen zijn er te over. Zo is er alle reden om te veronderstellen dat de ruzies en tirades uit de roman gemodelleerd zijn naar ruzies die weerklonken in het huis in Mahopac. Sheila was al even weinig geïnteresseerd in het werk van haar man als April in dat van Frank. Net als zijn personage Frank had Yates een weinig inspirerende baan bij een machinebedrijf, en net als Frank was Yates een veteraan: na zijn schooltijd werd hij als 18-jarige als G.I. naar Europa verscheept waar hij in Frankrijk meevocht in de oorlog. En waar Frank en April Parijs idealiseren als de stad waar ze hun dromen kunnen verwezenlijken, was Yates begin jaren vijftig daadwerkelijk met zijn vrouw naar Frankrijk vertrokken om ‘zichzelf te vinden’, zoals hij de Wheelers bij herhaling laat zeggen. Europa is volgens de Wheelers ‘echter’, daar gebeurt het, daar vindt het volle leven plaats. Dat is bij uitstek de plek waar hun bohemien- en intellectuele kanten tot volle wasdom zullen komen.

Zo moet Yates er ook over gedacht hebben toen hij er met zijn vrouw Sheila en hun babydochter Sharon heen reisde: in no time wist het jonge paar het terras te vinden van Lex Deux Magots, het café waar de Franse existentialisten diepzinnigheden uitwisselden. Yates probeerde tijdens zijn verblijf in Parijs (en later Cannes) wat te schrijven, Sheila zorgde voor de baby, winkelde wat en bezocht musea. Dat ging even goed, maar het duurde niet lang voor Sheila gefrustreerd huiswaarts keerde, terwijl Richard nog een tijdje in Europa bleef rondhangen. De kiem voor de personages April en Frank moet toen al zijn gelegd.

Verstrikt

Zo nu en dan is het tijd om Revolutionary Road te herlezen, het is een boek dat er op ongezette tijden om schreeuwt uit de kast getrokken te worden. Frank en April Wheeler reizen met me mee door de tijd. Hun tragiek is verontrustend en troostend tegelijk, hun frustraties en verlangens invoelbaar. Ze laten zien hoe de ene keus de andere uitlokt, en hoe je verstrikt kunnen raken in de beloftes waar je je aan vastklampt en het verhaal dat je zelf van je leven probeert te maken. Bij de ene ruzie wil ik Frank door elkaar rammelen en zeggen ‘Doe het niet, zeg het niet!’, bij de andere ruzie zou ik liefst April de mond snoeren voordat ze die kille, hardvochtige verwijten maakt. Elke keer laat ik me ertoe uitdagen en spring ik als een halfzachte therapeut tussen hen in. Doe het niet, accepteer in hemelsnaam elkaars zwakheden – dat zou ik ze graag toevoegen. Omdat ik met ze te doen heb.

En dat is precies wat Revolutionary Road zo goed maakt. Je raakt zo begaan met ze, verstrikt als ze zijn in hun eigen brouwsel van verlangens, teleurstellingen, wensdenken en frustraties. Slechts weinig dingen lukken echt in het leven, althans zoals ze je had voorgesteld. Maar wie moet je er de schuld van geven? Uit machteloosheid maken ze elkaar maar kapot. Verwijten over en weer stuwen elkaar op tot grote hoogte. De essentie wordt meestal verzwegen. Het zijn ruzies waarbinnen, als het startschot eenmaal is gelost, geen weg meer terug is, de hele symfonie moet volgens vast stramien gespeeld. Rewind bestaat niet, alleen fast forward. De eenzaamheid van deze twee mensen komt zo genadeloos dichtbij dat je er niet aan ontkomt de tekortkomingen op jezelf te betrekken. Hij is huichelachtig en hypocriet, zij is hardvochtig en afstandelijk. En toch ga ik iedere keer al lezend weer van ze houden. Het is per slot van rekening bij dit koppel precies zoals Yates het zelf over z’n alcoholische, agressieve moeder zei: ‘After all, she was only human’.

Frank en April spelen een ingenieus schaakspel, waarbij de speler die op voorsprong staat voortdurend wisselt maar dat uiteindelijk alleen verliezers kent. Een hoogmis van mededogen, geraffineerd opgebouwd uit echtelijke ruzies. Niemand beheerst de kunst van het ruziemaken beter dan de voorgangers tijdens deze mis opgedragen aan het menselijk tekort, Frank en April Wheeler, en hun schepper Richard Yates.

Ooit wordt alles beter. Dat vage idee ergens in het achterhoofd – ooit zet ik die grote stap en het wordt een succes – het is iets waar Yates grondig korte metten mee maakt. Beter zouden we ons erbij neerleggen dat veel beloftes nooit zullen worden ingelost. Maar zo zitten we niet in elkaar, vergeefs blijven we het proberen, al was het maar omdat er altijd voorbeelden te vinden zijn van mensen die het wél gelukt is – wat ‘het’ ook moge zijn. April en Frank vinden, of misschien beter: hebben besloten, dat ze niet van het echte grote leven geproefd hebben. En dat terwijl April zichzelf al die tijd voorhield dat haar eens een grootse carrière als actrice wachtte en Frank ervan uitging dat hij tijdens reizen in verre oorden groots en meeslepend zou leven. Kinderen en hypotheek maken de dromen steeds minder reëel, sleur en cynisme doen hun intrede. Toch blijven ze zich ‘anders’ voelen. Beter. Zelfs als Frank zelf zo’n keurig tuinpad aanlegt, en ogenschijnlijk in niets verschilt van zijn buurtgenoten, weet hij het zeker: andere bewoners in de wijk zijn suffe losers. Dus is het: eerst nog even geld verdienen daar bij die saaie firma in New York, en dan weg, weg, weg! Zoals Tsjechovs drie zusters dromen van Moskou, dromen de Wheelers van Parijs. Naar Parijs! Parijs! Het is precies zoals Lucy Jordan het ervaart in dat liedje van Marianne Faithfull: ‘At the age of 37/ She realized she’d never ride/ Through Paris in a sports car/ With the warm wind in her hair’.

RevolutionaryRoadIneens denkt April het te weten, ze heeft de oplossing gevonden. Ze gaan het gewoon dóen. Ze gaan naar Europa, naar Parijs, om ‘zichzelf te vinden’. Gewoon, met de kinderen, met Michael en Jennifer. April zal een baan nemen als secretaresse bij de NAVO, Frank krijgt de tijd om lekker te lanterfanten. De eerste dagen na haar voorstel voelt Frank zich als herboren, ‘het is alsof ik uit mijn cellofaanverpakking kom’. Hij kijkt om zich heen en ziet alles door een andere bril. ‘Mijn God, als ik eraan denk hoe we bijna aan dat soort bestaan gewend waren geraakt,’ denkt hij als hij ziet hoe de buren samen marshmallows zitten te roosteren.

Maar hoe dichter de datum van vertrek nadert, hoe meer twijfel er in het spel komt. Langzaam maar zeker sluipen ze er in, de onderhuidse verwijten, de kleine irritaties. Een paar dagen is het hen gelukt los te komen van ‘de verstrijkende tijd’, zoals Yates dat noemt. En daarna komt de realiteit snoeihard terug. In their face, als nooit tevoren. Dan volgt het bericht dat April zwanger is. Voor April is dat geen beletsel om hun plan door te zetten, ze wil een abortus. Wat er vanaf dit moment met Frank gebeurt blijft bij elke herlezing weer fascinerend: eigenlijk is deze ongeplande zwangerschap zijn ideale excuus om niet door te hoeven zetten. Hij heeft inmiddels promotie gemaakt op de zaak en is daar heimelijk best mee in z’n nopjes. Wat wil-ie nou echt?

Het boek gaat niet over het saaie burgermansbestaan in een aangeharkte buitenwijk, en al evenmin over de beklemmende jaren vijftig. Als de rol tussen de seksen niet enigszins gedateerd aandeed, zouden April en Frank en hun kinderen evengoed in 2014 op IJburg kunnen wonen als in 1955 in een buitenwijk van Connecticut. De American Dream heeft overal in de wereld regionale varianten, evenals de manier waarop hij uiteenspat. In een van de spaarzame interviews laat Yates zich uit over de misverstanden over zijn boek. ‘De Wheelers dachten misschien dat hun problemen door de voorstad werden veroorzaakt’, zegt Yates in het interview, ‘maar ik wilde dat het verhaal impliciet laat zien dat dat hun desillusie was en hun probleem, en niet het mijne.’

Het huwelijk van April en Frank is op drijfzand gebaseerd. Eigenlijk hebben ze er nooit echt in geloofd dat ze ooit zouden emigreren, eigenlijk wisten ze wel dat het een grote zeepbel was. ‘You’re just some guy who made me laugh at a party once,’ zo vat April hun relatie samen om haar man te treffen. Het is zelfs de vraag of ze ooit wel echt van elkaar hebben gehouden, een pijnlijke constatering voor de lezer trouwens, want die wil niets liever dan dat ze de strijdbijl begraven en gelukkig worden – waar dan ook. Waar Frank wil praten, wil April zwijgen. Frank overvleugelt haar met een woordenstroom, maar in April zwelt de frustratie meer en meer aan. Totdat ze helemaal niet meer wil praten. Het is van een machteloosheid die je tegelijk naar de keel vliegt als ontroert.

Virginia Woolf

Anti-huwelijksboek of niet, de bijtende dialogen tussen Frank en April behoren zonder meer tot de mooiste echtelijke ruzies uit de moderne literatuur, hooguit geëvenaard door dat andere meesterwerk uit de vroege jaren zestig, Edward Albee’s toneelstuk Who’s Afraid of Virginia Woolf?

In veel opzichten doen de man en vrouw uit dat stuk, de laat-veertigers George en Martha, denken aan de laat-twintigers Frank en April. George is teleurgesteld omdat hij het qua carrière nooit ver heeft weten te schoppen. En dat straalt in deze tijd, nog voor de tweede feministische golf, ook af op Martha. Wat zij ook nooit hebben weten te krijgen, is een kind. Niet opgewassen tegen die tegenslagen zoeken ze hun heil net als Frank en April in ruzies en illusies. In Albee’s stuk reageren ze alle frustraties en desillusies af op elkaar tijdens een nacht waarin een jong, bevriend stel nog even een borrel komt drinken bij wijze van nazit na een universiteitsfeest. Steeds als je denkt dat ze elkaar niet nog verder kunnen vernederen, gaan ze nog een stap verder. Waar George en Martha een fictief kind hebben gecreëerd dat hun frustraties en onder het tapijt geveegde verlangens moet verhullen, staat bij April en Frank de komst van een kind hun geluk juist in de weg. Een kind als gedroomde oplossing, een kind als sta-in-de-weg. Wat voor de een de toegangsroute tot geluk lijkt, is voor de ander juist de beer op de weg. En toch hebben de koppels meer met elkaar gemeen dan je zou denken.

Who's Afraid of Virginia Woolf Richard Burton Elizabeth TaylorTwee echtparen, in hetzelfde land, in dezelfde tijd, in diezelfde walm van sigarettenrook en sterke drank. Vier mensen die besloten hebben dat ze de boot gemist hebben en in hun relatie proberen overeind te blijven door het creëren van illusies en het verzinnen van een alternatieve, aantrekkelijkere realiteit voor zichzelf. En daarmee, als puntje bij paaltje komt, doorlopend wrede mentale spelletjes met elkaar spelen. Als Frank, April, Martha en George ergens goed in zijn dan is het in het illusies creëren waarmee ze de ontluistering proberen te verhullen. ‘Waarheid of illusie. Je weet gewoon het verschil niet meer’, zegt Martha op zeker moment. Ik denk dat ze het heel goed zou kunnen vinden met April, sterker, ik weet zeker dat die twee samen heel erg dronken zouden kunnen worden. George en Frank samen, dat is ingewikkelder, die vinden elkaars gezelschap te confronterend omdat het ze voortdurend aan zichzelf herinnert.

George en Martha – vooral beroemd gemaakt door Liz Taylor en Richard Burton in de Mike Nichols-verfilming uit 1966, maar ‘mijn’ George en Martha’s waren Marie-Louise Stheins en Peter de Graef, weergaloos in de schouwburg in de regie van Dirk Tanghe bij Malpertuis in 1995 – hebben één lange nacht nodig om alle verzinsels waarmee ze zichzelf hebben gewapend van zich af te werpen. ’s Ochtends is alleen de harde realiteit over, zelfs hun imaginaire zoon is om het leven gekomen. Het is een stuk dat nog altijd overrompelt, dit theaterseizoen nog bij toneelgezelschap Oostpool, met Maria Kraakman en Jacob Derwig.

Ook voor regisseur Sam Mendes, die Revolutionary Road in 2008 succesvol verfilmde met zijn (toenmalige) vrouw Kate Winslet in de rol van April en Leonardo DiCaprio als Frank, is het geen boek over het verstikkende leven in een voorstad. ‘Naar mijn idee probeert het een zusterfilm te zijn naast Who’s Afraid Of Virginia Woolf?, Scenes from a Marriage en dat soort films’, zei Mendes in een interview, ‘niet naast American Beauty en Little Children die wel echt over het leven in de buitenwijken gaan. Ik had het gevoel dat ik een film maakte over een huwelijk, en zo denk ik er nog steeds over – het is een liefdesverhaal en een tragisch liefdesverhaal.’

Kort na het opnieuw herlezen van Revolutionary Road las ik het melancholieke Light Years (1975) van James Salter, ook zo’n laat herontdekte Amerikaanse schrijver. Hoewel zijn echtpaar tot op zekere hoogte ‘geslaagder’ is te noemen en juist een huwelijk heeft waarin nauwelijks een onvertogen woord valt, komen Viri en Nedra uit Light Years (onlangs voor het eerst in Nederlandse vertaling verschenen) qua thematiek die ze belichamen misschien nog het meest in de buurt. Ook Salter voert een echtpaar op dat de illusie van geluk lang weet op te houden, dat veel dromen in de kiem gesmoord ziet en ja, ook dit Amerikaanse stel komt op het idee om naar Europa te reizen.

‘There is no complete life. There are only fragments. We are born to have nothing, to have it pour through our hands’, schrijft Salter. En verderop, in de kersverse vertaling van Peter Verstegen: ‘Een van de laatste grote inzichten is dat het leven niet zal zijn wat je gedroomd had.’

Ook voor de succesvolle architect Viri en zijn vrouw Nedra is het gras elders groener, ook zij kijken om zich heen, vragen zich af of dit alles is, en zoeken hun heil bij anderen, tevergeefs. Salter beschrijft hun levens als meanderende rivieren, die weliswaar steeds de invloed van de jaargetijden ondergaan maar altijd maar één kant op kunnen stromen. Het grootste verschil is misschien dat Salters echtelieden zich soms weten te verzoenen met het leven, erin berusten dat het leven hen ontglipt, en dat is nu net waar Frank en April echt niet toe in staat zijn.

John Givings

Terug naar Revolutionary Road. Laten we John Givings niet vergeten. Frank en April zouden elkaar misschien tot in lengte van dagen kunnen blijven voorliegen en het elkaar het leven zuur maken. Dat dat niet gebeurt is onder meer te danken aan een cruciaal personage in Revolutionary Road. Halverwege het boek doemt hij voor het eerst op, John Givings.

RevAlleen dronkaards en kinderen spreken de waarheid, leert de volkswijsheid. En John Givings, want die is gek. Zo wil de samenleving het tenminste doen geloven, de samenleving die het echtpaar dat we zo goed leren kennen als zo knellend ervaart. Dat velen zich na verloop van tijd voegen in een vast patroon zonder erin te slagen oude dromen waar te maken is een ongemakkelijke waarheid en Givings is nooit te beroerd om zijn omstanders daarop te wijzen. Hij spot in een handomdraai de achilleshiel, hij ziet altijd de zere plek, en legt er de vinger op.

John Givings, die zijn dagen slijt in een inrichting maar zo nu en dan een therapeutisch dagje bij z’n ouders mag doorbrengen, houdt de Wheelers een genadeloze spiegel voor, en via hem doet Yates’ boek hetzelfde met de lezer. John zegt precies te begrijpen wat de Wheelers bedoelen als ze zeggen dat ze het verstikkende milieu willen ontvluchten en willen kiezen voor een onaangepast, avontuurlijk bestaan. John herkent dat, hij is immers zelf de onaangepastheid zelve. Niet alleen bewondert hij hun keus, hij moedigt ze verder aan. Hij doet soms een beetje denken aan Frans Veen, het personage dat geregeld op bezoek komt bij het echtpaar Koning in Het Bureau van Voskuil, ook zo’n echtpaar dat de edele kunst van het ruziemaken tot in de puntjes beheerst. Hij belichaamt het onaangepaste leven, waar de echtelieden tegelijk naar lonken en van huiveren.

Direct, bij de eerste ontmoeting met John Givings, voelt de lezer het ongemak bij Frank Wheeler. Als John Givings doorvraagt op de motieven om naar Europa te verhuizen begint Frank zich ongemakkelijk te voelen en verandert hij van onderwerp. Na afloop, als April zegt ‘Hij is de eerste die echt lijkt te weten waar we het over hebben’ beaamt hij dat (‘Dat betekent volgens mij dat we net zo gek zijn als hij’) maar onmiddellijk daarna voelt hij zich gedeprimeerd. Op een manier, schrijft Yates, die ‘niet te wijten kon zijn aan normale zondagavondtriestheid.’ Hij voelt een doodsangst opkomen, ‘een voorteken van een dreigend, onontkoombaar verlies’.

Als John later opnieuw op bezoek komt, zijn hun plannen voor een spannend leven in Parijs al herroepen. Frank heeft April ervan overtuigd dat ze de zwangerschap niet moet beëindigen. Ze vertellen de kinderen en de buren dat ze blijven, niet naar Europa gaan. John uit z’n minachting daarover. Wat zeg ik, hij haalt genadeloos naar ze uit. ‘Bedacht dat het in die oude vertrouwde ‘hopeloze leegte’ eigenlijk toch wel gezellig is?’ Johns scherpe commentaar komt Frank bijzonder slecht uit: ‘Ik zou graag willen dat hij die godvergeten opinies van hem in dat klote-gekkenhuis laat waar ze thuishoren’, bijt hij moeder Givings toe, en hij realiseert zich dat hij daarmee eigenlijk zijn eigen hoogmoed en eigenwaan etaleert. Als Givings vertrokken is explodeert het tussen April en Frank. ‘Jij vindt dat hij de waarheid zei, hè?’

Ongekend felle ruzies monden uit in een schijnbare overgave van April. Ze houden hun kind, Frank blijft bij Knox werken, alles blijft bij het oude.

Als Frank op een ochtend wakker wordt, realiseert hij zich dat gisteren de laatste dag was waarin ‘het’ kon, de periode waarbinnen de zwangerschap kon worden afgebroken was verstreken. ‘Het debat was ten einde en hij had gewonnen’, schrijft Yates.

‘Weet je wat het is?’

‘Wat wat is? Wat bedoel je?’

‘Vandaag. Het is de laatste dag van de.. je weet wel. Als je het had doorgezet was dit de laatste dag geweest dat het kon.’

‘O. Ja, dat zal wel.’

‘Geen spijt?’

‘Beter van niet’, zei ze. ‘Daar zou het nu wel een beetje laat voor zijn, toch?’ (…) Later gingen ze op een bezonnen, beheerste, volwassen manier met elkaar naar bed. Het laatste dat hij zei voor ze in slaap vielen was: ‘Moet je horen. Het komt wel goed met ons.’

‘Ik hoop het’, fluisterde ze. ‘Ik hoop het heel erg.’

Maar de lezer weet wel beter. Een bezonnen, beheerste, volwassen manier? Dit komt niet meer goed. In haar radeloosheid en afgestomptheid gaat April in de dagen die volgen vreemd met Shep, de buurman die al tijden van haar droomt. Frank maakt een eind aan zijn affaire met Maureen en neemt zich voor het April te vertellen. In de auto bereidt hij zich voor op het gesprek. Alles zal uitgesproken worden en daarna zetten ze een streep onder het verleden, denkt hij. De premisse die hij heeft voorbereid, luidt: ze zijn allebei zwaar onder spanning geweest, het is genoeg zo. Thuis begint hij het gesprek met April. Precies zoals hij het zich voornam. Maar al na een paar zinnen ontspoort het erger dan ooit tevoren, alle onderhuidse haat wakkert op, en daarna maakt Yates de lezer op voor een ijzingwekkend slottafereel.

Desillusie

Hoewel de verkoop van Revolutionary Road de eerste jaren na verschijning maar matig was, regende het goede of op z’n minst welwillende kritieken. Het boek werd zelfs genomineerd voor de National Book Award in 1962 (maar het was een literair topjaar waardoor het moest wedijveren met Catch-22 van Joseph Heller, Franny and Zooey van J.D. Salinger en winnaar The Moviegoer van Walker Percy). Daarna kon het alleen maar bergaf gaan.

richard_yatesHet kritische succes van Revolutionary Road en de verhalenbundel Eleven Kinds Of Loneliness hielp Yates aan een baan als speechschrijver voor Robert Kennedy. Daarna vertrok hij naar Hollywood om scenario’s te schrijven, waarvan er overigens nooit een werd verfilmd. Zeven jaar doceerde hij aan de Iowa Writers Workshop. Hij ontmoette er zijn tweede vrouw Martha (een huwelijk dat eveneens strandde) en werkte aan zijn tweede roman, A Special Providence. Daarna verscheen nog een vijftal romans en een verhalenbundel, terwijl hij zijn kost verdiende met docentschappen hier en daar. Richard Yates overleed in 1992 op 66-jarige leeftijd in Albama waar hij eveneens een docentschap uitoefende.

Pas na zijn dood, in de tweede helft van de jaren negentig, kreeg Yates de erkenning die hij verdiende en zo graag had gewild. We verwachten te veel van het leven – veel is een belofte die nooit wordt ingelost, dat lijkt als gezegd zijn boodschap, en je kunt niet anders dan constateren dat die vlieger ook voor hemzelf opging. Ook hij had zich een ambitieus doel gesteld: de nieuwe F. Scott Fitzgerald worden, de schrijver van The Great Gatsby. Dat is hem niet gelukt, zeker niet bij leven. Yates moet zich beurtelings een miskende grote schrijver en een totale mislukkeling hebben gevoeld.

Toen hij na de publicatie van A Special Providence (1969), waarvan minder dan 7000 exemplaren werden verkocht, voor research terugkeerde in New York, vermengden herinneringen aan z’n ‘tweede vrijgezellentijd’ in het kelder-appartement zich volgens biograaf Bailey met ‘een gevoel van onvervulde literaire belofte’. Zijn oude vriend Bob Riche herkende ‘m niet meer terug, zo bitter was hij. Yates’ tweede vrouw Martha waarschuwde vrienden en kennissen er zelfs voor: ‘Maak ‘m niet overstuur.’

Een van de dingen die Yates zowel razend als depressief maakten, was wanneer een van zijn titels niet meer verkrijgbaar was. ‘Do you know what being out of print is like? It’s like being dead’, riep hij dan. Toen er eindelijk een nieuwe paperback-editie van zijn debuutroman verscheen, zond Martha een ‘Rebirth Announcement’ rond aan vrienden: ‘Revolutionary Road is weer verkrijgbaar. Richard Yates Club International. Martha Yates, President’. Het was precies genoeg stimulans om Yates weer aan het schrijven te krijgen.

Gekmakend symbool van gebrek aan erkenning was voor Yates de constante weigering van The New Yorker om een verhaal van hem te plaatsen. Dertig jaar lang probeerde hij zijn naam in print in het prestigieuze tijdschrift te krijgen, telkens kreeg hij een afwijzingsbriefje terug. ‘Alles wat ik wil is een verhaal in The New Yorker’, riep hij een keer uit. Maar dat was alleen weggelegd voor ‘John fucking Cheever’ en ‘John fucking Updike’. Pas na zijn dood zou het tijdens zijn leven uitgebleven succes komen. Postuum heeft The New Yorker overigens een verhaal van hem gepubliceerd. En Monica, Yates’ tweede dochter uit het huwelijk met Sheila, werkte een tijd bij het blad.

Ontbijt

Op welke scène uit zijn oeuvre Richard Yates het meest trots was, wilde de interviewer in de winter van 1972 weten. Ik denk het ontbijt van Frank en April in Revolutionary Road, zegt de schrijver, vlak voor hij naar zijn werk gaat, op de dag dat ze sterft, tegen het einde van het boek.

Het is een scène waarin de kalmte eerst weldadig maar al snel onheilspellend aandoet. Nog nooit was een ochtend na een ruzie zo ongedwongen geweest, realiseert Frank zich terwijl April een roerei bakt. En verdomd als het niet waar is, ze vraagt hem zelfs naar zijn werk. Zijn werk! Wat de lezer nog niet weet, maar wel voorvoelt is dat er iets verschrikkelijks staat te gebeuren. Er klopt iets niet. In de pagina’s die gaan komen zal blijken wat dat is: April is vastbesloten alsnog de zwangerschap te beëindigen, en zal de gevolgen daarvan zelf ook niet overleven. Ze heeft haar afscheidsbrief al geschreven. Later op de dag zal ze naar de keuken lopen. Een braadpan met water vullen. Hem op het fornuis zetten en aan de kook brengen. Ze zal de benodigdheden klaarleggen, de tang die ze vroeger gebruikt had voor het steriliseren van zuigflessen, de twee delen van de vrouwenspuit. En als de damp uit de braadpan komt, zal ze het nummer van het ziekenhuis op een briefje naast de telefoon liggen. En ze zal zich realiseren dat als je, zoals Yates het beschrijft, ‘iets absoluuts eerlijks wilde, iets waarachtigs, altijd bleek dat het in eenzaamheid moest worden gedaan’. Maar zo ver is het nog niet tijdens de scène die de schrijver als zijn beste beschouwt. Zo ver is het nog niet als Frank – als is het maar heel even – de illusie koestert dat alles misschien toch nog goed komt tussen hem en zijn vrouw. Heel even.

Zo schrijft Yates het, in de vertaling van Marijke Emeis:

revrdukHij had het eigenaardige gevoel dat zijn longen groter werden, of dat de lucht rijker werd aan zuurstof. Zijn schouders, aanvankelijk verstrakt en hoog, ontspanden geleidelijk tegen de rugleuning van de stoel. Voelden andere mannen zich zo, als ze hun vrouw over hun werk vertelden?

‘..Het is in wezen niet meer dan een geweldig grote, geweldig snelle telmachine’, zei hij nu in antwoord op haar eenvoudige wens te weten hoe een computer eigenlijk werkte. ‘Maar in plaats van mechanische onderdelen zitten er duizenden afzonderlijke vacuümbuisjes in, snap je…’ En even later tekende hij voor haar op een papieren servetje een diagram van de weg die tweecijferige impulsen afleggen door een circuit.

‘Ah, nu snap ik het’, zei ze. ‘Ik geloof tenminste dat ik het snap; ja. Het is eigenlijk best… interessant. Toch?’

‘Eh, ja, ik weet niet, het is.. ja, ik geloof dat het in zekere zin inderdaad best interessant is. Ik weet er natuurlijk niet echt veel van, behalve hoe het zo’n beetje in elkaar zit’.

‘Dat zeg je altijd. Volgens mij weet je er eigenlijk veel meer van dan je zelf denkt. Je legt het in elk geval wel goed uit’.

‘O ja?’ Toen hij zijn ogen neersloeg en het potlood weer in de binnenzak van zijn pas geperste gabardine kostuum stak, voelde hij zijn glimlachende wangen worm worden. ‘Dank je’. Hij dronk het restje van zijn tweede kop koffie uit en stond op. ‘Ik moet geloof ik maar eens weg.’

Ze stond op en streek haar rok glad.

Monica Yates, een van de dochters van Yates, vertelde in een interview hoezeer ze haar moeder in April herkende:

‘My mother was very competent the way April is: She kept a clean house, she did all the chores, and she made a nice meal when she had company over. But in her case, she wanted to work, and my father didn’t want her to. When they got the divorce, she immediately got her teaching degree.’

In een ander interview, eveneens naar aanleiding van de verfilming, vertelt ze dat haar vader Frank Wheeler eens had omschreven als ‘een man die zichzelf zoekt en niets te vinden had’. En passant gaf ze haar eigen interpretatie van het thema van het boek: ‘Het is een waarschuwend verhaal. Het laat je zien hoezeer je zou moeten waarderen wat je hebt… Het is niet nodig om naar Parijs te gaan.’

Zou het? vraag ik me af, hier voor het donkere kelderappartement waar zelfs het uitzicht op voorbijkomende voeten is verdwenen. Hij moet zijn manuscript dicht hebben geslagen en geweten hebben: zo is het goed. En zich, terwijl in de verte ongetwijfeld een sirene klonk, andermaal hebben ingeschonken.

Het is niet nodig om te gaan. Het laat zien hoezeer je zou moeten waarderen wat je hebt. Het klinkt prachtig, maar iets zegt me dat het niet klopt, dat het althans niet het hele verhaal is. Ik zou willen dat het waar was, maar het is domweg te geruststellend voor zo’n verontrustend boek. Een boek, denk ik terwijl we in de richting van Soho lopen, dat er bovendien niet eens geweest was als Yates indertijd had ‘gewaardeerd wat hij had’ en had nagelaten om zijn droom na te jagen. Dat die pas werkelijkheid werd na zijn dood is misschien wrang om te constateren, maar maakt het verhaal wel kloppend.

Yates’ biograaf wist de hand te leggen op een brief die de schrijver in 1972 aan journalist DeWitt Henry schreef en waarin hij zelf suggesties deed voor verbeteringen van een interview dat hij ter autorisatie kreeg voorgelegd. Hele passages voegt Yates eraan toe, optredend als exegeet van zijn eigen schrijverschap. Sommige daarvan trekt hij later weer terug, maar gelukkig citeert Bailey er ruimhartig uit in zijn boek. ‘I don’t need a cheering crowd to tell me that it’s worth it’, schreef Yates in een passage die dus uiteindelijk toch niet voor de lezer bedoeld was, waarschijnlijk omdat de auteur klagen over gebrek aan erkenning niet chic vond. ‘It would be nice to be the fashion, to be recognized for what I’m trying to do – life would be easier in a lot of ways – but the price of doing something difficult and honest, something true, as April Wheeler learned, is doing it alone.’

© Schift, mei 2014