In weerwil van de huidige bewoners, die zijn historische belangstelling maar een perverse fetisj vonden, dook journalist Michiel Driebergen in het verleden van de Midden-Europese stad Lviv, gelegen in het huidige Oekraïne. In de hoop dat deze verbazingwekkend goed geconserveerde stad niet alleen als een achteruitkijkspiegel zou werken, maar hem ook een blik op de toekomst van Europa zou gunnen.

Toen het Duitse leger de stad binnenviel die vandaag op de kaart staat als Lviv was Sharona vier jaar. Pogroms kleurden de stad bloedrood. Nog hoort ze de schreeuw van haar oma en de klap van haar schedel tegen de traptreden toen ze haar naar beneden sleurden. Aan de razzia’s wist het meisje te ontsnappen, maar ze werd wel op transport gesteld naar Bergen-Belsen. Daar, de britsen bij elkaar geschoven in de barak, vierden de kampbewoners in het diepste geheim hun feestdagen. Stilletjes werden kindertoneelstukjes voor Chanoeka en Purim opgevoerd, fluisterend werd er met Pesach voorgelezen uit de Haggada, terwijl een van de gevangenen de wacht hield.

Sharona, ver in de zeventig nu, is overlevende. Ze woont in Jeruzalem en werkt er nog altijd als klinisch psycholoog. Slechts drie maal is ze teruggekeerd naar Lviv. De laatste keer was ze er slechts een paar dagen, omdat haar man spreker was op een conferentie. Ze werd er aangesproken door twee Nederlanders, die aan een boek werkten over de geschiedenis van de joden in Lemberg, zoals Lviv voorheen genoemd werd. Haar onwaarschijnlijke verhaal werd een van drie levenslijnen die de ruggengraat vormen van De joden van Lemberg, het boek dat Michiel Driebergen, journalist met een grote voorliefde voor Polen en Oekraïne, schreef met theologe Heleen Zorgdrager. ‘Het was een wonderbaarlijk toeval dat we haar daar troffen,’ zegt Michiel Driebergen (31). ‘Een overlevende van de Holocaust, voor even terug in een stad vol lege plekken die wij net tot leven wilden wekken.’ Het boek – historische reisgids, monumentje en portrettengalerij ineen – mag dan uitsluitend joods Lviv verkennen, zijn band met de Oekraïense stad is veel omvangrijker. Nog maar vier jaar geleden – zó kort geleden nog maar, constateert hij met enige verbazing – was hij met zijn vrouw Mirjam op vakantie in Polen en kreeg hij het om de haverklap van iedere Pool te horen: Weet je waar jij naartoe moet? Naar Lwow! ‘Dáár zie je nog de authentieke Poolse stad terug, wisten ze allemaal te vertellen. Terwijl ze er zelf nooit waren geweest. Ze voegden er wel steeds aan toe: het is prachtig, maar het is er heel gevaarlijk. Als je niet uitkijkt wordt je beroofd. Polen zelf was toen al aardig aan het vertrutten, dat zelfde aangeharkte als hier in Nederland. Ik raakte dus wel geïntrigeerd door Lwow, dat nu op de kaart staat als Lviv. Op eerdere vakanties waren we er al wel een paar keer langs gereden. Het was tot dan toe echt zo’n provinciestad waar je aan voorbij scheurt, op weg naar populairdere Oekraïense bestemmingen als Kiev, Odessa en De Krim. Dit keer namen we de afslag wel.’

Wat zich van hem meester maakte, die eerste keer, doet misschien nog het meest aan een hevige verliefdheid denken. Waar de gemiddelde krantenlezer bij Oekraïne denkt aan sekstoerisme, cybercriminelen en misschien nog de nucleaire regen van Tsjernobyl (‘ze hebben allemaal gelijk’), gaan Michiel Driebergens gedachten uit naar sprookjesachtige architectuur, religieuze relikwieën en afgestofte teksten in de muren. ‘Alles was er nog in tact. Van de tijd dat de stad deel uitmaakte van het Habsburgse Rijk, dus voor de Eerste Wereldoorlog, staan de gebouwen nog overeind. Ongekend; we zijn in veel Oost-Europese steden geweest, maar zoiets had ik nog nooit gezien. Er was nooit iets gerestaureerd, maar dus ook nooit iets gesloopt. Het was er stoffig en vies, met overal afgebladderde muren, maar als je het met je ogen afstofte stond je intussen wel in een echt openluchtmuseum. Er was geen enkele mede-toerist, echt nul. We schaamden ons bijna om foto’s te maken op het centrale plein. Ik had verwacht dat er veel Polen woonden, maar ook dat was niet zo. Enerzijds voelde ik me heel erg thuis – het stratenplan en de burcht op de heuvel doet denken aan om het even welke andere typisch Europese provinciestad – anderzijds had de stad een vervreemdend effect op me. Daar zat ik, met m’n aardige woordje Pools, in een stad waar ieder straatnaambordje, iedere tekst in Cyrillisch schrift was gesteld. Inmiddels kan ik die vreemde tekentjes goed gelezen, maar die eerste keer hadden we geen idee hoe we de weg moesten vinden.’

Fetisj

De stad kent een veelvoud aan namen. Lviv was Lwow (Pools), Lwow was Lemberg (Duits), Lemberg was Lemberik (Jiddisch). De lijst met illustere inwoners is al even indrukwekkend. Schrijver Joseph Roth en filosoof Martin Buber woonden er, nazi-jager Simon Wiesenthal en de Nederlands-Poolse journalist Milo Anstadt kwamen er vandaan. Wat zich als vanzelf als leidraad aan de journalist opdrong: een zoektocht naar het Europa van weleer. ‘De stad is het achtergebleven decor van een stuk waarvan de spelers allang zijn vertrokken. De bewoners hadden een heel andere geschiedenis hadden dan die waarop ik me had voorbereid. De huidige bewoners zijn Oekraïeners: getraumatiseerde sovjet-burgers die na de oorlog die stad binnen zijn gekomen en werkelijk geen enkele belangstelling hebben voor de geschiedenis van hun stad. Die interesseert het geen klap hoe bijzonder het is dat alle kerken in Lviv nog overeind staan, van de Armeense kathedraal tot de voormalig Lutherse kerk tot een voormalige Poolse rooms-katholieke kerk. Op historische belangstelling en kennis heb ik sowieso weinig inwoners kunnen betrappen. Een Oekraïense student geschiedenis weet niet wat de Holocaust is. Hij leert uitsluitend over de eigen, met name recente nationale geschiedenis. De huidige bewoners kwamen vanuit het platteland, vaak min of meer gedwongen, in onbewoonde huizen terecht, waar de meubels van de oude bewoners nog stonden. Als buitenstaander was ik buitengewoon geïnteresseerd in die bizarre omwenteling, terwijl de bewoners allemaal zeggen: jôh, wat kan jou het schelen, haast alsof ik een perverse belangstelling aan de dag legde. In hun ogen had ik raar soort fetisj. Vaak moest ik ze uitleggen in wat voor stad ze woonden. En ik moest me over veel schroom heen zetten om vragen te stellen, ook over de sovjettijd. Voor de meeste bewoners is dat als gisteren. Gisteren zaten ze nog in de sovjet-gevangenis. Als je dan naar een antiek meubelstuk gaat vragen of naar de joodse achtergrond van de stad… Waar bemoei je je mee? En: waarom vraag je niet naar όns? Terecht, natuurlijk. Met antisemitisme heeft dat volgens mij niet te maken. Ik denk dat het vermeende wijdverbreide antisemitisme in Oekraïne overdreven is. Voor het overgrote deel van bevolking geldt dat ze niet zouden weten waarom ze in vredesnaam antisemitisch zouden moeten zijn. Maar dat er weer zo’n Hollander komt met al die belangstelling voor joden, dat is echt onbegrijpelijk. Er zijn miljoenen joden vermoord, maar ook miljoenen Oekraïeners. Die weerstand is niet per se tegen joden gericht, maar komt ook weer voort uit de verontwaardiging: verdiep je ook eens in òns lot. In Oekraïne kreeg ik mee: waarom zou je een boek schrijven over joden die er niet meer zijn? Maar toen ik er voor het eerst kwam kon ik er niet omheen: er ontbrak een ding. Er zitten gaten in de stad. Lege plekken. Daar stonden de synagogen. Dat valt echt gewoon op. We kenden uit de verhalen alleen de Gouden Roos-synagoge, die er ook niet meer was. Op de plek waar die synagoge stond was nu een soort vuilnisbeltje, waar zwervers een onderkomen zochten. Het fascineerde onmiddellijk, maar het had ook direct weer die dubbelheid: je voelden de ogen in je rug prikken. Alsjeblieft zeg, meneer gaat hier onze vuilnisbelten staan fotograferen. Ik ben niet de enige hoor, er komen soms ook met name Amerikaanse toeristen. Ook om daar dat grote Niets te fotograferen.’

Kartelrand

Negen was hij toen de Muur viel. Natuurlijk, hij herinnert zich de mensenmassa’s op televisie, maar hij had geen idee wat er aan de hand was. In de jaren die volgden groeide zijn belangstelling voor wat hij nu graag de ‘kartelrand’ van Europa noemt, de regio waar halverwege de vorige eeuw het Ijzeren Gordijn werd neergelaten . ‘Wij groeiden hier op met het beeld van de Val van de Muur als een overwinning. Een overwinning voor όns, voor de wereld. Terwijl iedereen in Lviv en ook in Polen eraan refereert als een drama, want toen werd het pas ècht erg. Chaos. Wij denken hier bij het woord Ostalgie vooral aan Trabantjes, terwijl mijn indruk is dat ze er vooral aan rust en zekerheid denken. In Oekraïne maakt 5 procent de dienst uit. De rest werkt keihard en heeft nauwelijks wat. Er is veel niet op vooruit gegaan sinds de Val van de Muur. De afhankelijkheid van grote industriëlen doet aan slavernij denken. Ook journalisten moeten schrijven wat ze moeten schrijven, anders lig je eruit. Ik moet erbij zeggen: als je dat doet, dan gaat het ook prima. Het is het soort armoede waarin je moet dansen naar het pijpen van degene die jou betaalt. En ze zijn het gewend, ze hebben dat in de Sovjettijd immers ook moeten doen. Het is: ‘Schrijf maar een verklaring dat je het eens bent het regime’. Anders ben je morgen glazenwasser. Iedereen is zo getraumatiseerd dat ze er gewoon weer in mee gaan, met oogkleppen op.’ ‘Het gekke is: voor de oorlog was Lviv de minst Oekraïense stad die er was, terwijl het nu eigenlijk de meest Oekraïense stad is. Nationalistisch. Er wordt nu echt Oekraïens gesproken, terwijl in de rest van het land zoals in Kiev vooral Russisch wordt gesproken. Het Oosten is erg gerussicifeerd. De Oranjerevolutie – de vreedzame revolte tegen het regime in 2004 -ontstond in de straten van Lviv. De huidige regering is relatief anti-nationalistisch, de president spreekt niet eens Oekraïens, dus die drukt die sfeer de kop in. De partij die in Lviv aan de touwtjes trekt is daarentegen een vrij radicaal nationalistische partij, compleet met fakkeloptochten. Svoboda. De Partij voor de Vrijheid dus. ‘Ik zocht naar een manier om de geschiedenis van Lviv te spiegelen aan het huidige multiculturele Europa. Het is, moet ik achteraf vaststellen,  een achteruitkijkspiegel gebleven. Eigenlijk is er alleen maar afgrijselijk zwart in te zien. Tegelijk realiseer ik me dat het een soort golven zijn, waar je weinig invloed op hebt. Politici maken daar maar een klein deel van uit. Je kunt het hebben over Wilders of over Verhofstadt, maar de beweging die ze representeren bestaat ook zonder hen. Eigenlijk ben ik daar niet optimistischer over geworden. Het idee dat op een tekentafel in Brussel Europa gemaakt kan worden, dat kan dus ook echt niet. Volgens mij gaat dat nu ook weer blijken. Het is onmogelijk om met z’n allen, hoe goedwillend ook… Als je zegt dat je een ware Europeaan bent, ben je een heel somber mens, denk ik. Dan weet je dat het eigenlijk niet kan, maar vind je dat we het desondanks maar moeten blijven proberen. Dat geldt voor mij ook. Terwijl we hier zitten te praten, valt Europa uit elkaar. De komende vijf jaar gaat dat nog erger worden. Ik ben daar heel pessimistisch over. Lviv is het meest bizarre voorbeeld van hoe fout het kan gaan in Europa. De joden zijn op een gruwelijke manier afgeslacht door de Duitsers met hulp met Oekraieners, de Polen zijn weggejaagd naar het Westen, de Armeniers zijn door Stalin vermoord, de Grieken ook. Iedereen en alles is verdreven of vermoord. Voor Warschau en Kiev geldt het ook, maar daar zijn ook de gebouwen weggevaagd. In Lviv heb je nog een Israelistisch ziekenhuis; je ziet de afdruk van de jodenster nog in de gevel. Je ziet er nog oude reclame-opschriften voor melk of kaas in het Pools of het Hebreeuws. Nu de Oekraïeners zien dat daar belangstelling voor is, wordt de boel juist opgepimpt en uitgebuit. Dus alles oogt straks weer als spiksplinternieuw voor de toeristen.’

Op zijn blog beschreef hij dat ‘de overdaad aan rauwe religie’ in de stad hem beklemde. ‘Rauw in de zin van puur. Er is heel veel religie op straat. Er vinden voortdurend processies plaats, aan de randen van de stad verrijzen ook weer gloednieuwe kerken. Mensen zijn echt super-religieus. Er is niks niet echt aan. Ik had iemand op bezoek in Lviv, die voor het eerst een ex-sovjetland bezocht en zij zei: het lijkt eigenlijk op Afrika, of op Haïti. Waar mensen zich ook vastklampen aan religie, ofwel omdat er niks meer is, ofwel omdat ze zich schuldig voelen omdat ze noodgedwongen corrupt waren of mensen moest verraden. Ze heeft gelijk. Er is in zo’n land als Oekraïne domweg veel reden om erg religieus te zijn. De behoefte is er groot om iets buiten de staat en je bedrijfsleider om te zoeken, en – niet onbelangrijk – het mág weer. Al die rauwe religie op straat is natuurlijk ook een overwinning. De Grieks-orthodoxe kerk is decennialang de grootste ondergrondse kerk ter wereld geweest. Er spreekt ook iets uit van: nu kan het. Gooi het eruit, op straat! Ik ben dat niet gewend. Wij zijn hier gewend om er een groot rationeel kader omheen te plaatsen. Het is misschien voor mij beklemmend omdat je er niet bij hoort. Behalve in de Lutherse kerk in Lviv, waar zeven grijze bejaarden Duitse protestantse liederen zongen. Daar voelde ik me thuis. Ik ben heel religieus opgevoed. Als je vier maanden lang alleen orthodox gezang hebt gehoord en je wandelt ineens een klein kerkje binnen waar ze gewoon een Psalm zingen, dat is fenomenaal. Precies dezelfde melodieën uit mijn gereformeerde achtergrond.’

Michiel Driebergen

EK

De afgelopen jaren woonde Michiel Driebergen steeds een paar maanden van het jaar met zijn gezin in Lviv. En toen kondigden de EK zich aan. ‘Al vier jaar geleden dacht ik: rond de EK moet ik ergens daar in het Oosten zitten, want dan is er bij uitstek aandacht voor mijn regio. Er waren een paar sportjournalisten in Lviv, met name Duitse, maar de stad werd niet door journalisten belegerd. Julia Timosjenko, de gevangen genomen ex-premier, wakkerde de belangstelling voor Oekraïne enigszins aan. Hoewel er niet zozeer belangstelling was voor Lviv zelf, boden de EK mij wel echt een mogelijkheid om artikelen te verkopen. De plotse afzetmarkt ineens was overweldigend. Man, ik heb me echt te pletter kunnen werken ineens. Terwijl ik daarvoor echt een paria was daar.’ Dat ‘zijn’ Lviv plots in de schijnwerpers stond, betekende niet dat zijn liefde voor de stad op schrift kon stellen. Hij schrijft ergens: nu móet ik wel over mensenrechten schrijven. Alsof hij er tegenop zag, maar wist dat hij er niet aan zou ontkomen. ‘Omdat het ook een mooi land is, met geweldige kanten. Ik wil geen correspondent zijn die een berichtje moet schrijven over iedere milieuactivist die wordt vermoord na een artikel over de vuilstort van een bedrijf. Ik ben daarvoor te veel geïnteresseerd in de zoektocht naar identiteit van de bewoners. Maar media willen dramaverhalen. Vrij Nederland of De Volkskrant had nooit een mooi dromerig melancholiek verhaal over het landschap of over de joodse geschiedenis willen hebben natuurlijk. Eigenlijk wilde ik het helemaal niet over mensenrechten hebben. Het toeval wilde dat het op m’n pad kwam. Vrienden van mijn vriend daar waren afgeranseld door de politie, louter omdat ze vlak voor sluitingstijd in een pizzeria hun bord nog wilden leeg eten. Tot op dat moment had die vriend steeds gezegd: schrijf alsjeblieft positief over ons. En ik maar zeggen: jôh, ik schrijf niks, ik verkoop niks, ik heb nul invloed. Maar na dat incident met zijn vrienden zei hij beslist: hier moet je over schrijven. Toen mocht het ineens. Het kwam plots dichtbij. De politie was tegen mij ook agressief, tegen alles en iedereen. Nu het EK-circus weg is zakt het land weer verder af. Niet eens in dictatuur denk ik, maar in een bananenrepubliek waar angst voor de politie regeert. Niettemin is de belangstelling heel goed geweest. Veel mensen weten nu in elk geval waar het ligt. Met dank aan de EK konden er genuanceerde verhalen gebracht worden. Normaal moet je echt met iets shockerends over de brug komen wil je aandacht krijgen. Zie het media-succes van Femen, die Oekraiënse vrouwen die aandacht vragen voor problemen door hun borsten te ontbloten. Je moet naakt de straat op wil je aandacht krijgen.’ Er is de afgelopen jaren veel veranderd in Lviv. Toeristen hebben de stad ontdekt, de straatnaambordjes zijn inmiddels tweetalig.

Michiel Driebergen twijfelt nog, maar misschien wordt het tijd de bakens te verzetten. ‘Het wordt kiezen: ofwel we vestigen ons echt voor een aantal jaar in Polen (‘Daar zijn de besprekingen over gaande, thuis’) of ik zoek hier in Nederland weer een vaste betrekking (de afgelopen periode werkte hij als redacteur voor het nachtprogramma Casa Luna op Radio 1). ‘Ik zou hoe dan ook geen correspondent willen worden die over elke willekeurige vliegtuigramp moet berichten. Ik denk ook eerlijk gezegd dat niemand dat hier wat interesseert. Wat mensen misschien wel interesseert is de link met Nederland. Waar komen ze nou eigenlijk vandaan, die Polen die ons huis verbouwen? En wat blijkt? Ze worden door de Otto-uitzendbureau’s vooral geworven in Silezië, het westelijke gebied dat vroeger Duits was. Dat zijn voor een belangrijk deel mensen die oorspronkelijk uit Lviv en omgeving komen. Ontheemde Polen, naar wie ik wel nieuwsgierig ben. Daar zou ik wel in willen duiken.’

Rituelen

Eerder dit jaar werd zijn tweede dochter Lotte geboren. Ze is gedoopt, net als haar drie jaar oudere zusje. Het doopritueel brengt ons tegen het eind van het gesprek andermaal bij Lviv. ‘Religie en cultuur zijn daar één. Ben je Pool, dan ben je katholiek. Ben je Oekraïener, dan ben je Grieks-katholiek of orthodox, enzovoorts. Mijn joodse belangstelling is niet zozeer religieus. Ik heb er nooit iets mee gehad. In de gereformeerde gemeenschap waar ik uit kom heb je veel fans van de staat Israël, daar heb ik helemaal niks mee. Ik weet ook niets van joodse gebruiken. Religie is voor mij veel meer een manier van gedragen. Die totale eerbied van mensen die echt gelovig zijn, dat zie je hier toch niet. Ik kijk daar met een mengsel van verbazing en bewondering naar. Omdat ik weet hoe moeilijk het is geweest om die tradities vast te houden. Het enige dat Sharona, de Holocaust-overlevende in ons boek, in leven heeft gehouden in Bergen-Belsen is niet het eten, ze overleefde omdat ze haar tradities wist vol te houden. Dat kennen wij niet. Het had niet met bidden te maken, maar met de rituelen, de kalender bijhouden. Oók in het concentratiekamp. Jongens, luister, het is nu Pesach. Maar we hebben geen matzes! Dan doen we het zonder. Het gaat niet over de vraag hoeveel vertrouwen je hebt in God in die situatie, maar om de vraag: hoe blijf je mens in zulke omstandigheden? Dat is het mooie van religie. Er wordt vaak gezegd dat je je door religie onmenselijk op gaat stellen, of maar met je hoofd in de wolken loopt, maar dat is hier zeker niet het geval. Het is voor mij een belangrijke vraag: wat blijft er van je over in extreme situaties, in uiterste omstandigheden? Dan grijp je dus terug op je tradities. In mijn geval is dat die van generaties stroeve protestanten. Die lijn voorzetten is alleen daarom al belangrijk, omdat het een van de weinige dingen is die uiteindelijk overblijft. Ik hoop dat ik nooit in een situatie komt waarin dat zo wezenlijk belangrijk is als bij Sharona, maar toch. Zijn wie je bent, daar draait het wat mij betreft om bij religie. En dat is vaak niet je eigen keuze. We hebben onze beide dochters dus laten dopen. Ze hebben daar natuurlijk geen enkel besef van, en toch vind ik het belangrijk dat te doen. Anders ontneem je ze die identiteit al op voorhand.’

© Schift, juni 2013