Een hotelkamer in het American, 3 september 1996.

Patrick Tilon alias Rudeboy: ‘Als klein jongetje kon ik al met gemak communiceren met mensen. Sterker, communicatie is de rode draad in mijn leven, dus daar hoefde ik niet voor in een band. Ondanks dat vermogen voelde ik me altijd alleen. Natuurlijk worstel ik – zoals iedereen eigenlijk – met het accepteren van mezelf; mijn verhaal is een van de vele. Aan de andere kant: ik heb veel meegemaakt, als kind. Op mijn derde kènde ik het verschil tussen goed en kwaad. Ik wist al heel jong wat het inhield om een vrouw te slaan, ik wist wat het inhield om een pistool op zak te hebben, wat het inhield om veel vrouwen te hebben en daardoor je eigen vrouw te verliezen.

rudeboyMijn ouders leven nog. Met m’n Amerikaanse moeder heb ik geen contact meer, maar ik moet haar nodig weer eens opzoeken, ze woont in New York. M’n vader zie ik eigenlijk niet meer. Het fenomeen familie is zó emotioneel corrupt. Onder het mom van het is familie ben je geacht om met hen op goede voet te staan. Onzin. Mijn broers en zusters zijn zo onbeholpen en bezadigd. Ik heb ze op een gegeven moment echt gevraagd eens te gaan leven. Dat begrepen ze niet. Toen heb ik gezegd: oké, no hard feelings, maar ik moet m’n eigen leven leiden, ik gun jullie allemaal het beste.

Mijn probleem is: ik ben in eerste instantie altijd erg amicaal, of liever nog: sympathiek. Dat is mijn opvoeding, mijn aangepastheid, mijn norm om te voorkomen dat ik altijd denk dat het aan mij ligt als er problemen zijn. Ik wil de confrontatie voor zijn, niemand mag in m’n gezicht schreeuwen dat het mijn schuld is. Ik wil altijd laten zien: aan mij zal het niet liggen.

Wapen

Iedereen in Nederland wil maar spelen in een band. Leuk, maar dat kàn gewoon niet. Succes is echt maar voor een enkeling weggelegd. Het Nederlandse begrip Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg, dat dreigt je steeds weer te nekken. De Nederlandse nuchterheid is een goed wapen voor hen die zich te veel veroorloven; te veel titels, te veel verdiensten die ze niet hebben. Dat is een inquisitie voor hen die wel verdiensten hebben. Zo zie ik het.

‘Mensen denken vaak dat je als muzikant per definitie graag gezien wil worden door iedereen, graag begrepen wil worden door iedereen. Soms wil je juist helemaal niet begrepen worden en is het leuker om te verdwijnen in een seconde.’

Muziek als wapen – dat is voor mij heel herkenbaar. Je kunt de songs boordevol geheimtaal zetten, zeker in het geval van rap. Mensen denken vaak dat je als muzikant per definitie graag gezien wil worden door iedereen, graag begrepen wil worden door iedereen. Soms wil je juist helemaal niet begrepen worden en is het leuker om te verdwijnen in een seconde. Dat doe je via taal. Geheimtaal, geheime emoties. In het nummer Non-starter rap ik, midden in de woordenstroom, revolution’s a solution when the peeps dig the contribution, hit by confusion, seclusion makes it only amusing. Met andere woorden: het maakt niet uit welke revolutie je hanteert, het is taal.

Wat ik geleerd heb: buitengesteld zijn kan ook een zegen zijn. Wat eerst een straf was, zet ik om tot een zegen. Ik heb er van leren genieten buitengesteld te zijn. Natúúrlijk was ik altijd al buitenstaander. Als je in het dagelijks leven een sterk emotioneel persoon bent, en dat ben ik, dan ben je per definitie buitenstaander. Mensen kunnen nu eenmaal niet tegen heavy emotions. Een land als Amerika, dat verder allesbehalve zaligmakend is, heeft dat wel. Dat moet je ze daar nageven: qua expressie zijn ze verdomd ontwikkeld. Ik vind: om jezelf uit te drukken moet je je emoties uitpersen, zo scherp, zo heet, zo diep als maar kan. Het leven móet heftig zijn want je moet alles kunnen wegblazen als het moet – dat maakt een mens groot en interessant. Dat heeft een keerzijde. Ik ben net weer belazerd, tijdens mijn vakantie in de Dominicaanse Republiek, door iemand die ik jarenlang een vriend noemde. Financiële zwendel was het. Ik heb ‘m in de gevangenis moeten stoppen. Bovendien bleken m’n advocaat, de politie en het rechtstribunaal corrupt en werd ik als crimineel gestigmatiseerd omdat ik bodybuilder ben.

Muzikale invloeden zitten in je als een virus. Ik luister naar twee categorieën muziek: de moderne, zwarte muziek, gemakhalve rap te noemen, en wat ik noem gitaarmuziek die klinkt als The Beatles in een badkuip: groepen als Pavement, Guided by Voices, Oasis. Alles en iedereen die stinkt naar The Beatles, ook al klinkt het nergens naar. Alles wat met punky reggae te maken heeft gaat er bij mij ook nog steeds in als koek. Met rebellie heeft het niet meer te maken. Met tienduizenden hiphop-releases per week kun je toch niet meer met een serieus gezicht van rebellie spreken. Van die 10.000 koketteren minstens 9.000 met rebellie, slechts een minderheid kent die emotie daadwerkelijk, wat denk je.

Video

‘Het is geen vriendenclub. In de band zitten een paar mensen van wie ik zeg: muzikaal, te gek. Werken met ze: cool. Maar privé moet ik ze niet te vaak zien. Dat is toch logisch. Privé ga ik met mensen om die me liggen.’

Urban Dance Squad is nog steeds slachtoffer van het trage, logge bureaucratische apparaat dat muziekindustrie heet. We zouden wat we kunnen creëren veel en veel sneller willen uitbrengen. Het verschil tussen drie jaar geleden en nu is: we kennen het klappen van de zweep, we weten wat voor ons telt en wat niet. Wat bijvoorbeeld niet meer telt is video. Er is bij Dresscode, de single, nog geen clip en ik houd m’n hart vast want binnenkort krijg ik weer die vraag voorgelegd: so what about it? Mijn antwoord moet zijn: waarom zou ik daar nog energie in steken? Een plaat moet gewoon goed zijn. Klaar. Als ze een video willen maken, geen punt, maar laat mij er buiten. Als we bereid zouden zijn water bij de wijn te doen, zouden we veel en veel meer verdienen. Zeker in Amerika, waar onze platenmaatschappij ons het liefst zou omtoveren tot een all American band. Een band die ze naar hartenlust kunnen kneden en sturen. We zijn volledig autonoom, in ieder opzicht, zowel creatief als financieel. Van het bedrijf Urban Dance Squad ben ik de corporation director. Ze kunnen ons niet plaatsen. We zijn niet wit, niet zwart, we zijn geen hiphop crew, maar ook geen rockband. We zijn genuine crossovers. Net als Living Colour, de Red Hot Chili Peppers en Fishbone.

Mensen hebben altijd zo’n onzinnig idee van wat een band is. Als collectief deugen we karakter-technisch gezien niet. Het is geen vriendenclub. In de band zitten een paar mensen van wie ik zeg: muzikaal, te gek. Werken met ze: cool. Maar privé moet ik ze niet te vaak zien. Dat is toch logisch. Privé ga ik met mensen om die me liggen.

Meestal werkt het zo: de jongens maken geluid, en in de tweede jamfase – zoals we dat noemen – kom ik er bij om structuren te maken. Ik luister simpelweg naar het geluid en ik beweer dat het geluid met me communiceert, dat de titel en de tekst dan als vanzelf opdoemen. Als ik de titel heb, heb ik de song. Als het geluid dat de groep maakt me niet zo veel zegt, maken we er een instrumental van. That’s it.

Complex

Het lijkt een andere band dan vroeger, dat is waar. Omdat het geluid transparanter is. Met deze plaat wilden we een veelvoud aan atmosferen, zoals van ons bekend, maar dan alsjeblieft wat meer songs, iets poppier. Songs met een kop en een staart. Mensen mogen de sfeer op Planet ultra wel kolderiek noemen, maar liever niet grappig. Want dat is ie voor mij niet. Het is mijn wereld, en mijn wereld is niet grappig. Mijn wereld is complex, onbegrijpelijk voor velen, donker. Onze engineer, Andrew Weiss, begreep dat. Hij zei dat-ie met me te doen had. Andrew gaf me nog de tip het stadsleven vaarwel te zeggen om tot rust te komen. Maar dat kan ik niet. Om te leven moet ik in het drukst van die mierenhoop zitten.

Inhoudelijk is dit de meest persoonlijke plaat tot nu toe. Het was nooit de bedoeling er een conceptplaat van te maken, maar dat is wel wat ik er in terug hoor. Het valt misschien niet mee die gedachtegang in alle teksten te herkennen – daarvoor zijn ze, zoals dat hoort bij rap, te cryptisch en te fragmentarisch – maar de meeste nummers gaan over eenzaamheid, over de verhouding tussen het individu en het collectief. Over het gevoel dat je weinig gemeen hebt met anderen en dat je daarom je eigen weg moet zoeken. Ik zelf heb mijn eigen wel al wel gevonden. Al betreur ik dat niet iedereen op dezelfde golflengte zit.

‘Ik heb het nu aardig onder controle, maar een jaar geleden moest ik echt afkicken. Ik spaarde zó veel strips dat het me financieel aan de rand van de afgrond bracht. Ik werd er gek van, agressief. Ik was een stripjunk.’

Planet ultra is de ideale plek voor escapisme. Wil je je in deze tijd gelukkig voelen, dan is escapisme een noodzakelijk deel van je leven. De één zoekt het in drugs, de ander in een obscure sekte of in een postzegelverzameling. Voor mij zijn het comics. Ik hield altijd al van strips, maar een paar jaar geleden kwam het in een stroomversnelling. Ik raakte verzeild in een soort genootschap, die comics-wereld is een heel hechte. Een vriend werkt bij een kinderboekenuitgeverij en heeft daarnaast een eigen stripzaak, met het echte werk: de Amerikaanse independants. Ik werd in die groep opgenomen, ontwikkelde me snel en raakte verslaafd. Het werd steeds erger. Ik heb het nu aardig onder controle, maar een jaar geleden moest ik echt afkicken. Ik spaarde zó veel series dat het me financieel aan de rand van de afgrond bracht. Ik werd er gek van, agressief. Ik was een stripjunk. Als vaste klant bij CIA Comics moet je er altijd voor zorgen dat je dirèct bestelt wat over twee maanden uit zal komen. Op een gegeven moment schold ik de eigenaar verrot als een bepaalde lichting comics niet op tijd binnen kwam. Het is een verslaving die voortkomt uit de wens om beter te zijn dan jezelf. Je zoekt het in een perfect getekend poppetje, dat kan vliegen, dat àlles kan. Dat is toch wat iedereen wil. Het lezen van strips kan je veel genot en voldoening schenken.

Ik maakte een blauwe maandag deel uit van de Pinkstergemeente, verdiepte me in de islam – ik heb me daar een tijd mee bezig gehouden, maar kwam er achter dat een hoop dingen domweg niet kloppen. Klaar. De essentie van de mensheid is dat iedereen zoekende is en dat niemand hard kan maken wat de juiste levenswandel is. Dat zou ook te makkelijk zijn. Je wordt je leven lang gelouterd door ervaringen en wanneer je dood gaat lijkt het alsof je de oplossing vindt, en dan is het net te laat. Ik leef gewoon zo goed mogelijk met behulp van universele waarden. Ik werk heel lokaal: goed zijn voor je goede vrienden. Wie goed doet, goed ontmoet. Ik ben niet meer op zoek, ik weet genoeg.’

De Plantage, 3 september 1996