In de film Dreams van de Japanse cineast Akira Kurosawa dwaalt een hedendaagse man door de landschappen van Vincent van Gogh. Hij doorkruist het korenveld met kraaien en passeert het bruggetje van Langlois. Luuk Scholten (1933) heeft de film niet gezien, maar het beeld moet hem bijzonder aanspreken. Vijf jaar lang heeft hij zich verdiept in de landschappen en motieven in Van Goghs werk. Hij bezocht de plaatsen waar de schilder woonde en werkte, maakte ter plekke foto’s en schetsen die thuis het basismateriaal vormden voor een grote reeks kleurhoutsnedes. Door het oog van de kunstenaar vloeiden heden en verleden in elkaar over. Boven het kerkje in Auvers sur Oise stijgt in de verte een vliegtuig op, langs de toegangsweg naar de inrichting in Saint Remy staan auto’s geparkeerd en liggen platgetrapte blikjes cola.

Scholten: ‘Van Gogh heeft me van jongs af aan gefascineerd, omdat ik net als hij geïnteresseerd ben in het straatleven, de werkelijkheid om de hoek. Het levensgevoel dat zijn werk uitademt is essentieel: contact met de elementaire dingen, met bloesem, met koren, met de maan en de zon. Steeds meer mensen raken daarvan los. Kinderen in New York krijgen op school een foto van een koe te zien: kijk, hier komt onze melk uit. Ons leven wordt steeds kunstmatiger.’
Het is verleidelijk om in Scholten een romantische ‘terug naar de natuur’-kunstenaar te zien, maar dat etiket doet hem geen recht. Zijn werk ademt een wonderlijke mengeling van melancholie en strijdlust uit: als hij constateert dat er bij McDonalds om de hoek oude ambachten worden uitgeoefend, voelt hij èn woede èn ontroering. ‘Om te overleven is een verzoening nodig met de welvaartsmaatschappij. Als ik in de file sta zie ik heus de schoonheid van het asfalt wel, of een mooi doorkijkje tussen de auto’s door. Maar we raken gekoloniseerd. Iedereen die hardloopt heeft de naam van een grote bank op z’n rug, elke gemeente heeft aan de rand van de bebouwde kom een bord met ‘tot ziens’. De directe deelname is weg. Het is alsof we in één grote huiskamer leven. Vader en moeder hebben alles klaargezet en we ondergaan het gewoon. Het kapitalisme heeft via onze vrije tijd een enorme greep op ons gekregen, management is verheven tot religie. Onze manier van handelen – de sterkste wint – geeft aan dat we in een voorfascistisch stadium zitten. Natuurlijk zijn mensen zoekende, in de new age-sfeer met name. Maar dat wordt dan ook direct weer gevangen in een Veronica-programma over alternatieve circuits. Uiteindelijk ben ik, en daar schaam ik me niet voor, een wereldverbeteraar. De vrije markt moet gestopt worden. Ik wil hier niet het communisme verdedigen, maar dat bood tenminste tegenwicht aan het kapitalisme. Sinds de val van de muur lijkt het alsof er geen alternatieven meer zijn.’

Woede, zo blijkt, is een belangrijke katalysator. ‘Wim de Bie is iemand met wie ik me zeer verwant voel: ook hij kan z’n woede heel beeldend hanteren. Een paar jaar geleden dichtte ik: ‘Vechters, jullie hebben niets aan mij/ Ik ben zomaar de aarde opgelopen/ met twee blote handen aan mijn lijf’. Ik strijd, maar ik weet dat dat eigenlijk niet de bedoeling van het leven is. Net als bij Van Gogh aan het eind van zijn leven is het maken van kunst voor mij een manier van contact houden met de werkelijkheid, een manier van overleven.’
In Scholtens prenten, nu voor het eerst aan het publiek getoond in Slot Zeist, zijn ook ontmoetingen met Van Gogh verbeeld. Scholten zelf is daarin een fotograaf met een zonnebril. ‘Ik moest denken aan het nareizen van idolen in deze tijd: je wil dichtbij komen, maar je komt niet verder dan het maken van een foto. Ik vind het onthutsend dat alle mensen die we in deze tijd verafgoden – voetballers, popsterren – miljonairs zijn.’
‘Zoals love songs geschreven zijn om mensen in te voeren in de liefde, geloof ik dat er kunst is – en het impressionisme in het bijzonder – om mensen in te voeren, troost te bieden. Dat zegt me veel meer dan al die kunst die vervreemding tot onderwerp heeft. De hele opstelling van moderne kunst wordt een decor. Een museum is tot een plek verworden, waar je je kan bevinden. Zoals in een stadspark met een omheining, of zo’n gemeente met het bordje ‘Tot ziens’.
Dan, ontroerd: ‘Van Gogh zag al die schoonheid, dat prachtige licht, de bloemen, en schreef tegen het eind van zijn leven aan zijn broer: ‘Ik wilde iets terugdoen’. Dat is toch om van te huilen. Hij had het gevoel dat hij deel uitmaakte van een groot geheel. Dat elementaire gevoel, dat wil ik raken. Boven de deur van deze expositieruimte zet ik ‘Tot zien’, en heel klein daaronder: ‘Tot zijn’. Ik hoop dat mensen weer oog krijgen voor schoonheid. Al is het op koopavond in de stad.’

Van Gogh op nieuw van Luuk Scholten, in Slot Zeist tot en met 12 januari. Openingstijden: dinsdag t/m vrijdag van 11.00 tot 17.00 uur, zaterdag en zondag van 13.00 tot 17.00 uur.

Utrechts Nieuwsblad, 6 november 1996.