Willeke van Ammelrooy: ‘Als ik de films nu terugzie waarin ik 22, 24 was, begrijp ik de kritieken wel. Het was heel open, het had iets sensueels, maar het woord seksbom past er echt niet bij. Die sensualiteit – dat hebben zoveel jonge mensen. Het is volkomen uitgebuit. Ik heb heel vaak gevochten voor de rol van de dorpsgek in plaats van de glamour-rol. Pas met Ciske de Rat werd er tegengecast. Ik dacht dat ik de rol van lieve Moeke zou krijgen, maar die ging naar Linda van Dyck. Dat was een omslag, die al veel eerder plaats had moeten vinden.’

De zon breekt door in Breukelen. Ik tref haar in een klein maar sjiek ogend restaurant, op steenworp afstand van het marktplein. Ze geniet op het moment van haar rust, zegt ze. ‘Ik heb nooit aan image-planning kunnen en willen doen. Het enige belangrijke is altijd geweest: geaccepteerd worden zoals ik ben. De Garbo-mystiek – dat heb ik niet. Ik heb wèl vaak ervaren dat schoonheid in de weg zat. Te mooi voor een rol. Vreselijk, maar daar doe ik niks aan’.

Ze klopt haar sigarettenkoker uit en zegt: ‘Ik was twaalf toen ik m’n eerste balletvoorstelling zag, met m’n moeder. Bewegen heb ik altijd de ultieme vorm van expressie gevonden. Professioneel toneel heb ik, voordat ik naar de Toneelschool ging, niet gezien. Er was geen culturele achtergrond, en geen geld. Theater was voor mij: de kist met kleren van mijn oma en het amateurgezelschap, waar mijn opa voor schreef. Het eerste dat ik op televisie zag was Pension Hommeles.

Op de Toneelschool ben ik gevormd tot actrice. Ik kwam een deur binnen als actrice. Dus toe iemand vroeg ‘Wie ben je eigenlijk?’ kon ik alleen maar zeggen ‘Ja, wie ben ik eigenlijk’. De foefjes, de maniertjes moest ik echt afleren om tot het elementaire toneel te komen. In de Toneelschooltijd hield ik me bezig met method acting. Ik zag de klassieke films en dacht dat het zoiets was als: gisteren is mijn kat overleden, dus i kan lekker huilen. je eigen rommel er maar uitgooien. Ik heb altijd gedacht: ik huil omdat ik moet huilen voor de scène, ze zullen mij nooit zien huilen omdat mijn kat dood is gegaan! Dus ik verzette me tegen method acting, onterecht want het gaat daarbij om emoties die ouder zijn dan zes jaar. Allang verwerkte emoties. Maar ik kòn het ook niet. Lachen kon ik als de beste, maar voor een mooie traan moest ik met m’n hoofd in een zak uien, menthol in m’n ogen spuiten. Toen ik een scène moest spelen met Ann Haywood waarin zij moest huilen zag ik dat ze naar achteren rende en haar traan uit een flesje haalde. Ik heb gekeken wat voor flesje het was, kocht hetzelfde spul in Italië en (haalt haar hand als een waaier over haar wang): prachtige traan.

Karakter

‘Alle regisseurs met wie ik toen werkte hadden de Filmacademie doorlopen en wisten niets van acteren af. Ze spraken de taal niet. Het vechten voor het dichten van die kloof heeft uiteindelijk tot mijn eigen regisseurschap geleid. Het was: als zij mijn taal niet kennen, ga ik hùn taal leren.’

‘Mijn manier van voorbereiden op een rol is nooit veranderd. Het was en is: uitpluizen van het karakter en de punten zoeken die overeenkomen met mijn eigen karakter. Het is ook altijd belangrijk geweest dat ik me afvroeg of ik het karakter nog kon aanvullen. Bijna alle rollen waren door mannen geschreven, dus ik had er meer verstand van. Mira kon ik heel goed aanvullen. Van de rol in Louise, een woord van liefde, die door de regisseur was geschreven, dacht ik: die vrouw klopt niet. Ook daar wilde ik aanvullen, maar ik kreeg die vrijheid niet. Een gevecht, steeds weer. Alle regisseurs met wie ik toen werkte – met uitzondering van Fons Rademakers – hadden de Filmacademie doorlopen en wisten niets van acteren af. Ze spraken de taal niet. Het vechten voor het dichten van die kloof heeft uiteindelijk tot mijn eigen regisseurschap geleid. Het was: als zij mijn taal niet kennen, ga ik hùn taal leren. Een paar geleden heb ik een tijdje cursussen gegeven aan jonge acteurs, in de Acteursstudio in Amsterdam. Gôh wat heb ik ze veel te geven, dacht ik. Ze hingen aan mijn lippen. Monique van de Ven had Delia Salvi naar Nederland gestuurd, dus ik werkte samen met haar. Van haar heb ik ook geleerd om de Method op de juiste wijze toe te passen. Voor het eerst kwam, keer op keer, de traan tevoorschijn uit verdriet. Met die methode ben ik vervolgens – in dezelfde periode waarin ik dacht: ik word ouder, ik kan geen teksten meer onthouden – weer aan een toneelstuk gaan werken. Het werkte. Dat heeft met mijn karakter te maken: als ik verdriet heb kruip ik in een holletje, en kom er pas uit als ik weer kan lachen’.

Eind vorig jaar verscheen haar boek Een dubbeltje sexappeal, een korte autobiografie (‘geen sensatie, maar het loopt gestaag’), waarin ze het milieu waarin ze opgroeide kort en helder kenschetst: liefdevol, onschuldig, naïef. ‘Mijn moeder reageerde heel goed op het boek, mijn vader had er meer moeite mee. Hij heeft het al vrij snel weggelegd omdat het hem te emotioneel werd. Zijn eigen verhaal kwam naar boven – dat kan ik hem natuurlijk niet kwalijk nemen.

‘Hoewel mijn ouders absoluut niet gelovig waren stuurden ze me wel naar de zondagsschool en later catechisatie-lessen. Ik moest er wat vanaf weten. Religie had direct iets mystieks en theatraals, dus ik ging bidden. Als enige in de familie. Later verdiepte ik me in boeddhisme, yoga, katholicisme, maar het ging nooit zover dat het oplossingen bood. Die zoektocht liep parallel aan m’n hippietijd in een commune in Marokko. Iedereen wilde Jezus worden, zich vrijmaken van barricades uit de opvoeding ook. Daar ben ik niet fanatiek in geweest, want ik had helemaal geen barricades. Liegen, bedriegen, dat soort dingen kènde ik niet. De denkbeelden van flower power speelden dus wel een rol, maar ik was te veel met mijn man bezig (Leendert Janzée, wiens zelfmoord het boek veel zwaarte geeft, MS) om me er volledig in te storten. Ik wilde hèm begrijpen. Uiteindelijk had ik het gevoel dat ik alles had gedaan wat ik mijn macht had. Het zou belachelijk zijn geweest als ik schuldgevoelens had ten opzichte van hem. Nadenken, praten, vergelijken met andere gevallen. Als ik de spiraal naar beneden had getrokken was ik in een psychiatrische inrichting terecht gekomen. Kon ik niet meer groeien. Dat weet ik. Ik geloof dat ik nu de meeste sympathie koester voor het humanisme.’

Willeke van Ammelrooy, © Maarten Slagboom

Flower power

Ten tijde van flower power speelde Willeke van Ammelrooy bij Studio, het baanbrekende Amsterdamse toneelgezelschap van Kees van Iersel. Volgens mensen als Peter Oosthoek en Henk van Ulsen was Van Iersel in die jaren de top van het Nederlandse theater. Wenkbrauw: ‘In zijn ideeën en denkbeelden misschien, maar ik kon niet met hem werken. Hij werkte compleet van buitenaf. Ik was een pop in zijn theater, geen gebruiksvoorwerp. De beste stukken speelde ik later bij Lodewijk de Boer, omdat hij me creatief liet zijn. De periode bij Studio viel samen met flower power, maar ook met mijn huwelijk. Leendert ging met z’n vrienden de straat op tijdens het huwelijk van Beatrix en Claus om condooms met hakenkruizen op te blazen. Nou daar was ik dus he-le-maal niet mee bezig. Ik was hoogzwanger en had het druk met het theater. Ik dacht: laat die vrouw toch trouwen met de man van wie ze houdt, wat kan mij het schelen. Toen ik een bekende Nederlander werd móest ik wel politiek bewust zijn. Ik moest ineens overal m’n naam onder zetten. En veel later heb ik me, omdat ik dáár wat vanaf wist, ingezet voor abortus. Ik schaarde me achter Den Uyl, omdat ik tegen Van Agt was. Ik werd gevraagd een interview met Van agt op de radio te houden. Ik weet nog precies wat er gezegd is – het was heel fel – maar ik ben het bandje kwijt. Ik had het graag letterlijk in het boek geciteerd. Voor de uitzending begon zei Van Agt: ‘Het is niet goed voor m’n imago dat mevrouw Van Ammelrooy naast me zit’. De grootste belediging die ik ooit gehad heb.’

Na Studio nam de filmcarrière van Willeke van Ammelrooy een aanvang. Haar eerste filmervaring in 1966: de rol van Senta in Joris Ivens’ verfilming van De Vliegende Hollander. Ze rolde de filmwereld in, zoals ze eigenlijk overal inrolt. Ze zegt: ‘Naïviteit is me altijd verweten, maar uiteindelijk is het een heel goede eigenschap: open staan voor alles wat kan gebeuren’. Haar rol in The Family (1973) was een ‘krankzinnige ervaring’ omdat ze uit Parijs werd gehaald om in te vallen voor een zieke actrice. Trots is ze op haar samenwerking met regisseur Frans Zwartjes, die een actrice met ‘de nodige sterallures’ zocht voor zijn eerste lange speelfilm It’s me uit 1976: ‘Na die film was ik gevloerd, had alles gegeven wat ik kon geven’. Vorig jaar besteedde het Filmfestival aandacht aan haar hele oeuvre. Critici merkten op hoe aardig het was om te zien hoe Nederland is veranderd: de mode, de haardracht, het taalgebruik. Hoe denkt ze zelf over de waarde van dat oeuvre? ‘Ik heb er geen goed overzicht van omdat er nog steeds films zijn die ik zelf niet eens gezien heb, maar er zit een duidelijke scheidslijn in tussen de commerciële film en de art-film. Tussen de kunstfilms die ik heb gemaakt zitten heel slechte, tussen de commerciële heel goede. Mensen die de kunstfilm bij voorbaat op een hoger plateau plaatsen hebben ongelijk. Sommige zijn heel slecht, of je snapt er geen barst van’.

‘Ik geef iedereen die emigreert groot gelijk. In het buitenland krijg je gewoon sneller meer ervaring, en geld natuurlijk. Het enige dat je kunt zeggen is dat het voor de Nederlandse film jammer is dat al dat talent hier niet meer beschikbaar is. Er zou een constantere productie moeten zijn. In september komen er weer drie fims uit die elkaar moeten aftroeven. Mensen die een flop hebben gemaakt, moeten sneller de kans krijgen om weer aan de slag te gaan. We zitten in Nederland ook echt met een schrijversprobleem. Er zijn misschien hooguit drie schrijvers, die constant werken en het goed doen. Met Vroeger is dood – echt een goede film – won Jasperina de Jong naar Gouden Kalf. Op dat moment hadden er dus gelijk vijftig kopieën gemaakt moeten worden op 35 mm, hup, in de bioscopen draaien. Maar dat geld is er dan niet. De film krijgt een Kalf, het grote publiek kent het niet, vervolgens komt het op televisie en iedereen is laaiend! Absurd’.

Woede

‘Ik schreef het boek in eerste instantie uit kwaadheid. ik dacht: ze schrijven maar over me, ze doen maar met me. Een boek was het geschikte medium om mijn woede te verwoorden.’

‘Ik schreef het boek in eerste instantie uit kwaadheid. ik dacht: ze schrijven maar over me, ze doen maar met me. Een boek was het geschikte medium om mijn woede te verwoorden. Ik heb ook gedacht aan een documentaire over mezelf, maar dat vond ik erg ijdel en bovendien zou ik daar nooit geld voor krijgen. Ik zie het boek niet echt als een afrekening met het verleden, wel met de pers. Al die nare ervaringen, het achtervolgd worden. Ik voorzie dezelfde ellende bij de jongeren uit Goede Tijden, Slechte Tijden: nu is alles nog positief, maar zodra ze uit de serie zijn geschreven is het voor de roddelpers: zo, die hebben van het succes gesnoept, wat gebeurt er nu met ze? Panorama in België, waarvan ik dacht dat het sympathieker was dan de Nederlandse editie, mocht het eerst uit het boek citeren. Twee weken voor de verschijningsdatum lieten ze me weten het niet sensationeel genoeg te vinden. Prima, moeten ze zelf weten. Maar het manuscript was intussen ergens anders beland: Privé schreef een artikel aan de hand van het manuscript, dat het blad dus wederrrechtelijk had verkregen. Ik ervaar het nog steeds als kwetsend. En ik wil er niet immuun voor raken omdat het verschrikkelijk is – juist voor een actrice – om te moeten verharden in je gevoelens. Dát is je materiaal! Voor Panorama en Nieuwe Revu doe ik beslist geen intervies meer. Ze vinden het gek, zeggen: het is nu een veel beter blad geworden. Ik zit nog steeds met oude vetes van vroeger. In De Lift speelde ik een journaliste van Nieuwe Revu, ik vond dat heel erg om te zeggen! Waarschijnlijk had het blad geld in de film gestoken. Ik ga m’n privé-zaken natuurlijk niet uitvechten in een rol. Ik was vroeger zo naïef dat ik alles vertelde, er was nauwelijks scheiding tussen privé en openbaar. Ik heb het wèl sterk gezien bij Marco, toen ik hem nog niet kende: in werkelijkheid veel leuker dan die man op televisie. Ik nam hem in mijn ontwikkeling mee, hij moest meer van zijn persoonlijkheid in z’n werk leggen.’

De autobiografie houdt op, waar Marco Bakker in uw leven komt.

‘Ja, ik moet daar nog goed over nadenken. Ik weet niet goed in welke vorm ik dat zou moeten gieten. Ik bedoel, ik heb nu geschreven over dingen waar ik afstand van kan nemen. We namen elk ons verleden mee. Ik had inderdaad nog een aantal portretten van Leendert in huis hangen, maar Marco heeft dat wat overdreven naar voren gebracht. Het duurt heel lang voor je in een nieuwe relatie niet meer in oude fouten vervalt. We hebben heel lang reserves gehouden ten opzichte van elkaar, niet de diepste gevoelens gedeeld. Ik had niet voor niets een eigen huis, waar hij inwoonde. Het idee: ik kan hem er uit zetten, wanneer ik wil. Dat we pas heel laat getrouwd zijn heeft daar direct mee te maken. De relatie was toen zo geworteld, dat we voor het eerst echt àlles konden en wilden delen. Ik heb er echt veel voor ouder: het samen ouder worden. Ik blijf het interessanter vinden dan om de paar jaar een andere relatie. Ik geloof ook echt dat een vrouw als Elisabeth Taylor er door zoveel mannen, zoveel huwelijken te hebben gehad, geen zak van heeft geleerd. Elke keer opnieuw weer beginnen met verliefdheid – heerlijk hoor, maar je weet dat het oppervlakkig is.’

Ik heb begrepen dat Marco alle ‘deals’ sluit.

Steekt sigaret op: ‘als ik denk: ik wil zoveel geld hebben en dat is redelijk, en ik kom in een situatie dat ik het niet krijg, ben ik geneigd met minder akkoord te gaan. Marco houdt dan voet bij stuk, ja’.

De rollen komen niet aanwaaien. Zou u zo ver gaan als Pleuni Touw: jezelf in het openbaar aanbieden?

‘Nee… Weet ik niet, weet ik niet. Ik verplaats me gelijk in haar situatie. Zij moest wel reclame maken, want niet iedereen wist dat ze zelf geen theatergroep meer had. Maar nee, ik zal het waarschijnlijk nooit doen’.

Zou u niet graag een seizoen een mooie Medea spelen?

‘Het punt is dat mensen niet meer weten dat ik een theaterachtergrond heb. Het past niet meer in mijn leven, ik ben zo intens met film bezig, ik kan er geen tijd voor vrijmaken. Ik heb altijd gezegd dat ik ooit nog eens de moeder van Hamlet wil spelen. Maak ik daar expres een seksbom van. Hamlet is zo kwaad op z’n moeder omdat ze na de dood van z’n vader zó snel een andere man heeft. Dat moet toch ergens aan liggen… (lacht). Toneel zit er even niet in, maar ik blijf sleutelen wel aan mezelf. Ik zit voor het eerst in een tv-serie – de comedy Mag het ietsje meer zijn – waardoor ik elke dàg met drie camera’s bezig ben. Dat was even moeilijk’.

Ik kan me voorstellen dat bij het spelen van comedy de realiteitszin in de weg zit.

‘Ja, maar je speelt zoals je een mop vertelt. En dus heb je constant de timing in je achterhoofd’.

‘Ik moest als filmster bloot in bad. Ik wilde meegaan in die grap, dus ik zei: oké, maar dan wil ik ook een èchte filmster zijn met een groot bad in de vorm van een hart, luxe zeep. Dat mocht niet, als actrice heb je geen inbreng. De groeten.’

Zou u in een stuk van Wim T. Schippers willen spelen?

‘Nee, absoluut niet. Ik heb met hem gewerkt in de Fred Haché-show en dat heb ik een heel nare ervaring gevonden. Een walgelijk verhaal. Ik moet er niets van hebben. Hij gebruikt mensen. Ik moest als filmster bloot in bad, daar wilden ze een leuke grap van maken. Ik wilde meegaan in die grap, dus ik zei: oké, maar dan wil ik ook een èchte filmster zijn met een groot bad in de vorm van een hart, luxe zeep. Dat mocht niet, als actrice heb je geen inbreng. De groeten’.

De humor ligt wel in uw straatje?

‘Soms. Het is moeilijk te formuleren waar je wel of niet om kunt lachen. Iets wat ik niet licht vergeet: een Engels stuk op televisie – een kerstdiner, waar een mevrouw zit met denkbeeldige gasten, alle gespeeld door haar ober. De ober wordt steeds dronkener, loopt honderd keer om het tapijt met de kop van een beest en dàt moment wordt steeds gevarieerder. Hij valt steeds nèt niet. Subliem. Daar ga ik in mee, de tranen lopen over m’n wangen. André van Duin heeft die momenten ook wel eens.Ironie en satire spreekt me ook wel aan, zolang het niet te grof wordt. In het script van Theo en Thea en het Tenenkaasimperium, waarin Marco zijn acteerdebuut maakte, ging de geboorte van een tweeling gepaard met een scène waarin een hondje de nageboorte opeet. Dàt hoeft van mij dus niet, ik pik het niet. Het zit ook niet in de film, gelukkig’.

Vingeroefening

De afgelopen jaren stond Willeke van Ammelrooy in de belangstelling door haar rol in Koko Flanel, maar ook door haar regie-werk: populair-wetenschappelijke filmpjes over onderwerpen als menstruatie, borstamputatie en miskramen. ‘Ik wilde filmpjes maken die gebruikt worden – op school bijvoorbeeld. Het onderwerp menstruatie interesseerde me en er was in die periode niet één vrouwenblad dat er over schreef. Voor mij als regisseur was het een vingeroefening, maar het was ook heel belangrijk dat het niet iets was dat in de kast kwam te liggen’.

Was de rol in Romeo – over de ouders van een doodgeboren baby – niet voor u weggelegd?

‘Het leek me wel wat, maar ik was er te oud voor. Ik vind de film ook wat te eenzijdig. Hij was interessanter geworden wanneer ook andere soorten rouwprocessen verder waren uitgediept. Je ziet een scènetje van een vrouw die haar hondje verliest, en een scène met een oude man in het park: rouwprocessen, maar ze worden niet uitgediept. Het gaat teveel over het rouwproces om een doodgeboren baby, waardoor het bijna een anti-abortus-film is geworden’.

In haar boek schrijft ze dat ze in 1975 bij de Sociale Dienst moest aankloppen. ‘Ik heb nu samen met Carel Donck een script geschreven voor een film over multiple sclerose. Het is een liefdesverhaal, want het blijft een speelfilm. We hebben geld kregen van de MS-stichting. Daarvòòr heb ik anderhalf jaar alléén aan dit project gewerkt, zonder een cent te verdienen. Toen kon ik niet in de WW, maar op het moment dat ik weer een tijdlang ga schrijven zal ik zeker bij de Sociale Dienst aankloppen. Ik heb ook de synopsis af voor een psychologische thriller, maar het is zo’n groot project, dat er niemand in stapt. Maar wie weet, komt het er nog eens. Ik hoop het echt, want die film is helemáál van mezelf’.

Als een zucht van verlichting: ‘Ik zeg nu een tijdje alle interviews af. Spelletjes op televisie ook, daar hou ik helemaal niet van. Even niet zes keer naar de kapper, even niet in mantelpakjes rondlopen. Even terug naar die aarde – met mezelf bezig zijn, met m’n eigen creativiteit’.

17 mei 1991