Jopie Huisman: ‘In ’46 zag ik voor het eerst een Van Gogh, uit z’n Franse tijd. Dàt was wat ik hier altijd gevoeld had: de oneindigheid, het onvoorstelbare. Ik was verbouwereerd, dacht: wie is hier in godsnaam bezig geweest? Roze strepen in een groene lucht, moet je es nagaan. Ultramarijn en karmijn in de bodem, een grote gele zon erachter.’

Een houten asbak. ‘Dit ben ik. Hierbuiten zal ik nooit schilderen. Dat zijn de anderen. Ik vreet het wel hoor, man, ik ben een keer volkomen overstuur en beroerd geweest na een tentoonstelling van Dick Ket in Arnhem; ik trok me die machteloosheid zó aan. Maar een straal van zes kilometer, groter is mijn wereld eigenlijk nooit geweest. Die begintijd, waar ik nu weer naar terugkeer; waterverf; het liefst een beetje mistig, een klein wereldje, en dan niet de koeien zelf, maar hun sporen in die damp. De tederheid. Daarbuiten was Karl May, Jules Verne. Ik ben wel ‘ns op het Damrak gaan zitten om dat bruisende te ondergaan, maar dan toch weer dat onvermijdelijke terugtrekken. Terwijl een Ed van der Elsken natuurlijk niet ver van me af staat. Ik verdiep me op het moment erg in boompjes, en in het riet. Dat moet je als mystiek, als een wonder ondergaan. En vervolgens doorgeven.’

Hij loopt voor me uit over een trap met smalle treden. Grabbelt in een kartonnen doos, haalt een aantal knipsels tevoorschijn. 1963: Oud-ijzerkoopman Joop Huisman overtreft beroepskunstenaars in Friesland. Een gedeelte van deze zolderruimte was ooit ommuurd als zijn kinderkamer, maar precies kan hij het niet meer aangeven. Beneden een werkruimte waar antieke tegels die hij aan het restaureren is over de grond verspreid liggen. Rondom enkele nog niet afgewerkte schilderijen, waarvan het portret van de oude Tjeerd, dat op de ezel staat, het meest in het oog springt; een boer staat beteuterd in een leeg veld, met een zeis in de hand. ‘Alsof hij terugkijkt en bedenkt dat er niets meer te maaien valt,’ zegt Jopie Huisman.

‘Je bent hier gedropt, op een asvaalt of in een warm nest, en ogenschijnlijk verdwijn je weer in het niet. Dat is de status van alles en iedereen. Ik ben van roomse huize maar ik voelde – ik was een jaar of elf – dat ik alleen was, dat ik in principe met niets en niemand iets te maken had. Ik voelde dat ik voor de keuze stond: dat waarmee ik vanaf m’n wieg geïndoctrineerd ben kan ik helemaal overnemen omdat het correspondeert met m’n ziel – voor zover je zo’n ding hebt – maar het kan ook zijn dat je dat juist allemaal weg moet sorteren, ja zelfs dat je erdoor naar de bliksem gaat. Het zijn doodgewone mensen, maar boordevol vergif. De stakkers waren heel vroom maar, en dàt interesseerde me, sommigen waren van nature hemelsver boven dat instituut uitgegroeid. Mijn moeder bijvoorbeeld, maar dat zag dat mens zelf niet. ‘We zullen maar hopen dat we een goed plekje krijgen in die hemel’; je naaste lief hebben als jezelf, dat zat ín haar. Een warm bad. Voor mij een blauwdruk van God, omdat ze het zonder wikken en wegen in praktijk bracht. Daarvoor hoefden ze haar geen geboden voor de harses te spijkeren. Gandhi bijvoorbeeld, ik hoorde dat scharminkel praten voor de radio. De grootsheid van een dwalende broeder. Kijk, ik was altijd al een solist, ik zwierf in de natuur rond, dan trapte ik hier soms op de aarde, die grote bal, en dan overkwam me dat besef van onzichtbaarheid, die kleinheid. Een zandkorreltje. Toen begon ik ook heel vlug, buiten alles en iedereen om, de grootsheid te onderscheiden. Iets waar nooit over gepraat werd. Ik was een doodgewone jongen natuurlijk, wel begaafd in rijmen en rijtjes kennen; dat hing om me heen, ik heb zelden gebrek gehad aan aandacht. En daardoor, ook zelden een sterke behoefte aan die aandacht. De eenzaamheid kwam dus niet uit die hoek, maar uit het besef: in zonde geboren, dus verkeerd geschapen. De pastoor stond aan het roer van het moederschip. Bij het biechten – op zich heel prettig, want ik deed niks anders dan liegen, iedere gedachte aan meisjes was een doodzonde – vroeg ik me af wat die kerel zelf allemaal uitvrat. Smoor man, daar kwam ’t op neer. De eerste uiting van mijn opstand tegen Het Gezag. Ik dacht: ik stap van boord af, m’n eigen bootje in, neem ’t roer zelf in handen. En ik raakte ont-roerd. Geen zekerheden meer, volledig op m’n gevoel leven; dan kom je overal terecht, in de voor- en achterhoede, aan hoger en lager wal. Omdat ik me met iedereen gelijkschakelde. Dat gaf zelfvertrouwen. De boeteprediker in de kerk met verheven stem: ‘En de satan…!’ En ik, vanachter een pilaar: ‘Schijt aan!’ Echt gebeurd. Ik sprong achter de voddenkar, een geweldige daad. Status, weg ermee. Geen sterveling kan me vernederen, want: dat heb ik, in andermans ogen althans, zelf al gedaan. ‘Ouwe kruimeldief, ouwe oplichter!’ Schitterende tijd. Kwam ik in die sloppen en stegen en dan lagen die wijven soms nog moe op bed. Twee gulden zestig voor die vodden, zeg ik. ‘Gôh kan het niet wat meer zijn?’ Nou, d’r zat niks van waarde bij, en toch werd het drieënhalve gulden. En als ik iemand voor me had die stikte in het geld, dan pakte ik het dubbel zo hard terug. Niemand wist toentertijd wat die rommel waard was, er was geen Tussen Kunst en Kitsch. Ik wilde m’n onafhankelijkheid behouden en het voor de rest wat verspreiden onder wie ik tegen kwam.’

‘Ik verschuil me nergens achter, ben keihard voor mezelf. Met m’n hoofd onder de tafel, dat ken ik niet. ‘

In de huiskamer, achter dampende soep. ‘Vader was ook een juweel van een mannetje. Anders kun je ‘m toch ook niet zo schilderen. In zeven uren gemaakt. Op een zaterdag. Toen was m’n moeder een maand of drie dood. Drie keer is ie overeind geweest: ‘Ben je al ‘ns een keer klaar?’ Zoals ik over ze praat, zo zie je ze daar hangen. Het was een modderschippertje, later boer. Wat waren ze gek met die man. Prachtige spreker, dan heb je al een stap voor natuurlijk. Enorm sarcastische humor en toch een hart van goud. Als ik het in deze wintermaanden niet zo breed had, en hij had zelf ook geen stuiver, kwam ie toch weer met die kruiwagen vol opgescharreld hout aanzetten. Hij was gek met me. In die armoede kwam de goedheid van mensen veel sterker tot z’n recht – nu meent iedereen zichzelf wel te kunnen redden, wat een verdwazing. Je ziet hier niet één voorwerp waar ik niet met m’n gevoel bij betrokken ben. Ik heb hierachter een halfverzonken lek bootje liggen. Komt zo’n man van de belastingen controleren, hij stond er boven op, naar de horizon te kijken waar die grote boot dan lag. Ja, ik mag graag hozen, zei ik. Ze begrijpen je niet hè; ik ben een heel kleine kerel, en dat kleine vlak om me heen, dat boeit me. Ik leef vlak voor m’n poten, loop met de kop naar beneden, er ontgaat me niets. Ik ben m’n eigen wereldgeschiedenis, het centrum van het heelal. Dat kan hoe dan ook nooit weggevaagd worden. Ik verschuil me nergens achter, ben keihard voor mezelf. Met m’n hoofd onder de tafel, dat ken ik niet.

‘Ik besef wel dat ik m’n hele leven lang heel egocentrisch ben geweest. Je weet precies wat je wel en niet kwijt wilt, hoor ik wel ‘ns. Maar het is natuurlijk: ik weet wat ik wel en niet kwijt kán. Ik voel binnen een paar minuten of ik bij je terecht kan, of je weet wat verdriet ís. Ik heb je als klankbord nodig, want ik ben in het leven beproefd. M’n vrouw en ik hebben een jaar of zeven terug een beestachtige roofoverval gehad, in Herbayum. Twee uur en een kwartier als beesten gemarteld, als een rollade met honderd meter elektriciteitssnoer aan elkaar vastgeknoopt.’ Staat op, loopt naar het portret van z’n vader: ‘Hem staken door z’n hart, kijk je ziet het hier nog een beetje. Op m’n zelfportret staken ze me door mijn voorhoofd. Zie je niks meer van, hangt in het museum. Het gekke is, en daarom kan ik dit ook zo vrijuit vertellen; hoewel ik een keer of vijf tijdens die twee uur en een kwartier dacht ‘dit is het einde’ zag ik het als een aanval op mijn geloof in de liefde. Alles wat niet de liefde als basis heeft is surrogaat, is theater – zakt als een kaartenhuis in elkaar. Een vreemde beproeving, want er is niets, helemaal niets veranderd.

‘Twee kilometer die kant op is een punt waar alles ophoudt, daar ben ik helemaal alleen. Daar zit ik vaak even een halfuurtje te mijmeren. Toen ik hier drie jaar geleden weer kwam wonen liep ik naar dat punt daar bij de braamstruiken en ik zag diezelfde landrol liggen, waar ik als zevenjarig ventje op klom; 1200 kilo met een stuk ijzer d’r doorheen om die turfgrond te egaliseren. Zestig jaar gepasseerd, en die rol ligt er nog precies zo tussen die struiken! Een groot gat, alsof ik er gisteren nog had gezeten. Dan zie je hoe schitterend dat verwoord is: De mens is de ijdelheid gelijk, zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

Oorlog

‘De grootste klap kwam met de oorlog; een werkkamp. Ik zat aan de buitenkant van Kassel, waar ze in loodsen van een houtzagerij al die kanonnen hadden verborgen. En het was doodstil, prachtig weer, een verkeersweg door het landschap, en ik dacht: verrek, ganzen, wel tien kilometer hoog, in zo’n V-vorm. Ik stond daar met een heel vreemd gevoel te kijken – er ging geen alarm, want er was daar nog nooit wat gebeurd. De eerste bom klapte in een papierfabriekje, vlakbij waar ik zat. En ik bestierf het zowat, dook in een draineerbuis. Die doodsangst bevestigde wat ik al zo vaak hier achter in de Holle Mar had beseft. Een week later gingen ze er nog veel gewelddadiger overheen. Goed, ik ben de rivier overgezwommen, aan de andere kant gekomen; gevlucht met een jongen die stroper was uit de Biesbosch en dus elk geluid kon onderscheiden. Bij Tegelen kwamen we de grens over. Ondergedoken. Maar toen die oorlog voorbij was, was hij voor mij ook finaal voorbij. Het enige wat me nog bezighield was wat er van de jongen geworden was, met wie ik gevlucht was. Ik hield een paar jaar geleden een verhaal voor de VPRO-tv, hij zag mij voor dat ding. Hij belde me op, helemaal stapelgek, wilde onmiddellijk naar me toe. Eerst uren over de telefoon de hele tragedie aangehoord; niet welkom thuis na de vlucht, twaalf keer gevlucht en weer gepakt, z’n eerste vrouw pleegde abortus, de tweede besodemieterde hem met kerels. En dat hoopje mens, een kop kleiner dan ik, liftte met wat jongelui hierheen; we knepen elkaar zowat dood. Steeds maar praten over die oorlog, onder het peuren van die magere rotpalinkjes. Ik zag het als een grote verrijking van m’n leven, stelde me voor hem zo verschrikkelijk te verwennen dat al die jaren beëindigd zouden worden met dagen boordevol genegenheid. Ik zei: je blijft hier een paar maanden, daar ligt m’n bootje, ga je gang. De spanning van die vreugde was me iets te veel, ik had net een hartinfarct achter de rug; ik bracht ‘m op de trein en we spraken af dat hij over twee weken voor onbepaalde tijd hier zou komen, maar vlak daarna werd ik enorm beroerd. Ik was twee dagen later aan het werken aan De Schatten van Oude Jouke, toen de telefoon ging. Arie, een broer van Jan. ‘Is Jan het weekend bij u geweest? Er ligt hier een boek en daar staat uw naam en telefoonnummer in’. Ik vroeg wat er met hem was. Nou, het was dus zijn dood geworden.’

‘Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld door alles wat door de wereld genegeerd wordt, dan wel als vanzelfsprekend wordt ervaren. Het afval, het tuig.’

‘Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld door alles wat door de wereld genegeerd wordt, dan wel als vanzelfsprekend wordt ervaren. Het afval, het tuig; de vissersmannetjes, allemaal zuiplappen in een streng calvinistische omgeving. En ik was stapelgek met ze. Een verrijking. Er werd niet gezegd ‘Ik mag jou’, dat was vanzelfsprekend. Niets te verliezen. Ik dronk zelf geen druppel, altijd broodnuchter want ik wil elke seconde helder beleven, dus ik voelde die tragedie aan. Vissen en Gandhi, met meer hield ik me niet wezenlijk bezig. Een knappe boerendochter hier, ze hangt in het museum, werd vuurrood als ze me zag, ik dacht: die stakker heeft hoge bloeddruk (lacht). Verleden jaar – zij was 63, ik 69 – is dat pas uitgepraat. Bleek dat ze stapelgek op me was geweest: ‘je was zo’n stuk’. En toch, nu, ben ik goed met ze; de meeste reacties die ik krijg zijn van vrouwen. De eerste vrouw die ik echt leerde kennen, daar ben ik 29 jaar bij geweest. Als ik een mooi wijf zie, zie ik dat net zo goed als ieder ander: wat heeft die een paar mooie poten, of borsten. Maar d’r achteraangaan, welnee man. Ik moet er natuurlijk bij zeggen: ik was dolgelukkig met haar.’

Gezag

Jopie Huisman, foto: Maarten SlagboomWe rijden langs een plek die hij zojuist aan het doek heeft toevertrouwd. Een rijtje lage, oude huizen in de winterzon, aan de rand van Workum. Hij wijst op het door vogels kaalgevreten veld. Dan de hoofdstraat, waaraan het naar hem vernoemde museum gevestigd is in een oud pand van de School met de Bijbel. ‘Vroeger stonden er van die heel dikke bomen langs deze weg en er was in wezen niets dat de natuur verstoorde – die voor mij noodzakelijke stilte. Het mag dan lijken of de tijd hier heeft stilgestaan, maar er is veel verloren gegaan. Kijk, rechts rijden, dat is natuurlijk niet het gezag waar ik me tegen keer. Ik was er nooit op gaan azen dat het museum ooit zou sluiten, ben je gek. Het is: je wilt wat beginnen, je komt bij iemand en vraagt om hulp. De gemeenteraad wist uit het verleden dat het niet stuk kon met zo’n museum, maar in plaats van te denken ‘wat fantastisch’ gaan ze zich er tegen afzetten door dagtoeristenbelasting in te stellen. De wethouder van cultuur weet alleen wat koeienstront is, kan nog geen rood van blauw onderscheiden. Vervolgens gaan ze op zo’n manier met gemeentegeld scharrelen dat ik zelf in de financiële knoei kom. Eerst laten ze je stikken en dan gaan ze je ook nog eens als buit zien. Om díe smeerlapperij ging het. Ze zijn voor het hele land voor schut gezet. Niemand heeft iets over mij te zeggen.’ In het museum, lopend langs portretten van alcoholisten, blinden en zieken, nu onbedaarlijk lachend, dan weer met een diepe frons. ‘Nadat m’n eerste vrouw wegliep maakte ik veel van dit soort donker-wazige schilderijtjes, waarop een persoon wat ronddwaalt. Stuk voor stuk zelfportretten’. ‘Ik was niet van plan ooit nog te schilderen; dat was verleden tijd. Die zaterdagavond; ze was weggelopen, we hadden inmiddels vier kinderen, en ik zag die weggedonderde, toegetakelde broek en dacht: dat ding is net als ik. De drang tot schilderen kwam weer op omdat ik die pracht zag; wat een viering van het leven als iemand een broek 134 maal versteld heeft. Een oermenselijke drang tot zelfbehoud, omdat zo’n vrouw maar een broek had. Het werd me aangereikt als een middel om me door mijn situatie heen te worstelen. Al schilderend. Aanvankelijk op een manier waarop ik er zo in op ging dat ik totaal vergat dat ik bestond. Ik was dus niet gelukkig, niet ongelukkig, maar het loodste me wel door de eenzaamheid heen. Ik voel me, als beschadigde, aangetrokken tot beschadigden. Ik maak niet de stap om lijken te schilderen, want dat herken je niet. Wèl de horloges en ringen die op een berg lijken liggen. Dat is wat van de mensen overblijft, dat is zwoerd. Wat de vergankelijkheid betreft staat een paar schoenen veel sterker dan degene die ze gedragen heeft. Je ziet het hele verhaal in die schoenen, daarom schilder ik ze zo scherp. De lichamelijke houding; kromme poten, een knobbel. Die schoenen praatten tegen me, en dan dacht ik: ik kan zien dat je zo en zo groot was, maar had je ook een vrouw? Kinderen? Wat deed je? En waar het me in wezen dan om ging is mijn plekkie daartussen. Tussen die verhalen, dat mysterie. Die pikzwarte achtergrond; ik had het gevonden. Een schreeuw om aandacht. Die broek, dat hemd, die achtergrond, dat was: hier ben ik. Maar dan word je een maniërist. Dus ik ben realistisch doorgegaan, maar koste wat het kost die zwarte achtergrond vermijdend. Het is zoals Rutger Kopland zegt: Wie het gevonden heeft, heeft niet goed gezocht. Nu wil ik de mensen zo schilderen, als zijn ze van gekleurde modder. De kleur die vergeestelijkt. ‘Er lijkt hier in Workum een soort angst voor me te bestaan. Niemand doet gek tegen me, maar er is een zekere afstand. Maar als ik op die tv ben, is de hele plaats uitgestorven. Dan gaat de kapper door de stad en als ie ziet dat er iemand niet kijkt, gooit ie een steen door de ruit.’

‘Hij vertegenwoordigt waarom ik van Nederland en de Nederlanders houd. Niet de Nederlanders van de grachtengordel, maar daarbuiten, in de echte provincie. Die provincie lijkt niet meer te bestaan, maar in het hart van de mensen leeft hij voort’
(Freek de Jonge, vorig jaar, in Het Parool)

‘Hij klampt zich vast aan de idee van de oermens, die niet van zijn stuk te krijgen is. Ik zie me niet als Fries, niet als wereldburger, maar als een inwoner van de kosmos. Mensen zoals Freek zijn het gewend door anderen op een voetstuk te worden geplaatst. Hij weet dat ik dat niet doe. Dat ik gewoon van ‘m hou, net als van m’n achterbuurman hier. Waar hij op doelt is mijn manier van leven, dat ik bijna alles wat modern is verwerp. Mijn kracht zit ‘m erin dat ik niks nodig heb. Ik zie dat mensen zich zo diep in de materiële rotzooi begraven, dat ze zelf niet meer voor het licht komen. Het roept zowel medelijden als agressie bij me op. Maar ik krijg zo onvoorstelbaar weinig weerwoord, het lijkt wel of ik een halfgod ben. Wie mooi tekent is de held op school. Dat wordt in je vorming verpletterd. Je wordt gedwongen te lezen over dat gespuis op zee; Michiel de Ruyter, de zilvervloot, terwijl alles wat van het hoogste belang is van jongs af aan wordt weggedrukt om je klaar te stomen voor de consumptiemaatschappij. Ik weet het nummer van mijn auto niet. Echt niet hoor. Het gaat me er niet om dat er auto’s zijn, maar hoe er over bezit wordt gepraat in een gezelschap. Het bewijst èn verbergt de onzekerheid. Gewoon een beetje leven. Palingen vangen, koken, ’s avonds opvreten. Door dat geschilder krijg ik dat Hans Wiegel of Jelle Zijlstra hier met me mee wil, in dat bootje, naar dat gat hierachter. Vijf van die grote Zuiderzee-fuiken en ze worden halfgek hè. Ze voelen zich hier thuis. Als Wiegel aan boord gaat, pakt hij me eerst even vast. Dat vind ik mooi. Jelle Zijlstra doet alle moeite om niet in de vergetelheid te raken, wat heeft ie niet gedaan om z’n boek onder de mensen te krijgen. Die mensen zien enorm tegen me aan, omdat ze menen dat het iets betekent dat ik straks voortleef. Daar zitten ze mee hoor: straks ben ìk vergeten. Wonderlijk is dat hè. Voor mij is dat onbegrijpelijk.

‘In de museumcatalogus staat ’t mijne niet. Jaloezie. Ik spreek te veel mensen aan. Ik sta als schilder volkomen alleen.’

‘Ik voel me verantwoordelijk, omdat er zoveel mensen tegen me aan leunen. Ik kan die paal natuurlijk niet voor ze wegzagen, dan vallen ze om. Ik zie toch dat die mensen er behoefte aan hebben! Een voortdurend gevecht, een beproeving, want als ik iets zeg moet ik het waarmaken. Schilderen is op deze manier een religieuze aangelegenheid. Door mijn werken ontstaat een bewustzijn, dat troost biedt. ‘Zo kan het wel’, dat ken ik niet bij het schilderen. Het moet voor ’t licht komen. Zo’n mens van tachtig dat er nog nooit ook maar één seconde aan heeft gedacht een museum binnen te wandelen. Herkenning. En dat mag niet hè, van de officiële kunstwereld. In de museumcatalogus staat ’t mijne niet. Jaloezie. Ik spreek te veel mensen aan. Ik sta als schilder volkomen alleen. Niemand die met me op een lijn staat. Ze willen me wel de titel van Schilder zonder Penseel geven. Ik zou graag gewoon zendtijd krijgen en m’n verhaal vertellen. Ze moeten me vragen, nee daar neem ik zelf geen initiatief toe. Zo zou ik met Freek de Jonge het Holland Festival afsluiten met De Noodzaak van de Kunst; het enige wat voor mij vaststond was dat er een tweetal gedichten zou worden voorgedragen. Ik verheugde me daar zo op. Ik was in die periode buitengewoon onder de indruk van een jonge blueszanger, Simon Flietstra. Fantastisch was ie. Ik dacht: als ik hem in het geheel betrek, is hij in één klap beroemd. Het kostte me moeite hem over te halen, maar uiteindelijk stemde hij in. Nou, en dat is weer zo’n tragedie, een paar dagen voor dat festival hoor ik dat hij zich opgehangen had aan de preekstoel in Sexbierum. Dan kost het veel moeite jezelf ervan te overtuigen dat je geen blaam verdient; dat dat al in ‘m zat. Het enig echte geloof is totale acceptatie. Ik roep dat op bij mensen doordat ik zo kwetsbaar ben als het vloeitje dat ik hier in m’n klauwen heb. Zo benader ik mensen. In dat programma van Viola Holt wordt in het begin een bloemetje aangeboden. Er is kortsluiting ontstaan, je bent elkaar kwijtgeraakt, en via een bloempje vind je elkaar terug. Nou, je moet van me aannemen, je zit hier bij de grootste dweil van West-Europa, want dan zwem ik in mijn verheugd zijn. Dat voel ik in m’n strot. Hoe is het mogelijk. Je voor een miljoenenpubliek zo klein maken. Echt waar, dat is geen theater.

Vijand

‘Ik hoorde Luns met die hese stem van ‘m eens zeggen: ‘Ik heb nog nooit meegemaakt dat iemand er beter van is geworden door zich over te geven aan de vijand’. Geen andere gedachte dan aan zo’n smerig rotleger. Had ik er maar bijgezeten, want volgens zijn principe, het roomse, heeft Jezus zich overgegeven opdat híj in de hemel zal komen. Zo probeer ik ook nog eens op een sluwe manier rechtstreeks op Henk Binnendijk te kunnen reageren. Goed, ik ging naar de viering van het koperen jubileum van Beatrix. Ik stap die kerk binnen en daar zit die Luns. Ik wist dat z’n vrouw was overleden, nou, dan smelt ik in een keer. Wèg is de vijand. Ik loop naar ‘m toe en zeg ‘Luns!’ Hij zegt (zet hese stem op en proest van het lachen): ‘Ik ben hier uitgenodigd. U ook?’ Ik zag de mensen zitten grienen en zei: ‘Wilt u allemaal even voor me overeind gaan?’ Hij vroeg: ‘Wie bent u?’ Ik antwoordde dat ik heel onbelangrijk was en liep door. En dan, die wijven komen allemaal op me af. Die van Brinkman en van die andere vent, want ze schilderen allemaal hè. Dus die beginnen met een glas sherry in de hand tegen me aan te praten: ‘Gôh, wat keurig, dit en dat’. Ik zeg: ‘Ik ken je werk niet, maar je ziet er in elk geval verrekte leuk uit’. Een heel saai zootje mensen, ze hebben werkelijk niets te zeggen. Maar als je daar zo wat staat te ouwehoeren, kruipen ze allemaal naar je toe. Dat is zo gek hè. Ik wilde Claus nog een hand geven, omdat het zo’n groot drama is, die hele koninklijke troep van de laatste honderdvijftig jaar. Emma, die een ouwe kerel van 72 jaar kreeg opgedrongen en een kind moest verwekken. Wilhelmina, een zoutpilaar, geen seconde gelukkig geweest met die dikke Hendrik. Ze was heel mooi om te zien, maar zo koud als een steen opgevoed, dus die kerel ging natuurlijk aan het zuipen en achter de wijven aan. Ik heb ‘m hier wel eens bij de brug gezien, zo dronken als een kanon. En dan is er nu een paar dat wèl echt van elkaar houdt, en dan staat die stakker me zo heel apathisch aan te kijken. Beatrix schuift Lubbers aan de kant en zegt: ‘Gôh, Jopie, de beroemde schilder!’ (lacht) Ik zei: ‘Moet je ‘ns luisteren. Ik ben zo’n eind gekomen speciaal om jou een hand te geven, nu moet je me ook een plezier doen en eens bij mij langs komen’. Ze zegt: ‘Dat is afgesproken. Dat had allang gemoeten’. ‘Ik heb niks met jou te maken, ja, zolang ik je niet beschadig. Iemand die finaal door de wereld is weggetrapt geef ik zes weken onderdak. Als zelfbevestiging. Ik heb bedacht: ik heb geen boodschap aan alles wat voor mijn geboorte bedacht is. Ik las een jaar of vijftien geleden al die filosofen aaneen, nou, het was net of ik zelf aan het woord was. Niet één gedachte die ik nog niet gehad had. Als hier een jongen aan de deur staat met een lekke band kan ik te beroerd zijn om even naar achteren te lopen en zeggen dat ik geen fietspomp heb. Dan loopt hij diep teleurgesteld van m’n erf af. Als ik ‘m wel ophaal, vertelt die jongen thuis dat ie bij een verrekt aardige ouwe man aan de deur stond, die ‘m direct die pomp bracht. Het verhaal dat die jongen aan tafel vertelt, daar draait het bij mij om. Ik gelóóf dus, onvoorwaardelijk, in een fietspomp.’

22 februari 1993