Hans Verhagen: ‘We woonden in een mooi, groot huis aan de boulevard in Vlissingen, uitkijkend over zee. In een herhaaldelijk terugke­rende nacht­mer­rie kreeg ik de opdracht om alle zandkorrels te tellen. Ik begon er aan, er kwamen heel grote getallen in die droom voor, in blokken. Het waren er zo oneindig veel dat ik gillend wakker werd.

Vlissingen, stadje vol met zuipende zeelui, die we kaaiboeven noemden. Mijn eigen wereld was er een van permanent dagdro­men. Onder de mannen bij ons thuis werd vrijwel niets serieus genomen. Cynisme. Ik was daarin een uitzonde­ring.
Ik ben tamelijk liberaal opgevoed. Mijn vader was notaris, ik zag hem niet vaak. Ik hield wel van ‘m, maar het was geen echte vader-zoon-relatie. Hij was gewend om haantje de voorste te spelen, had weinig aandacht voor wat ik deed. ‘Energie, een betere zaak waardig’, zei hij over mijn gedichten. Een egoïstische man, maar tegelijk ook aardig en good looking. Zoals alle notabelen in Vlissin­gen was hij lid van de vereni­ging van vrijzinnig hervorm­den. Daar had je zo’n dominee die mensen die het zoge­naamd te druk hadden uitlegde welke muziek Louis Armstrong speelde en wat Sartre nou precies deed daar in Parijs. Met mijn moeder had ik een diepere band, al sloegen we elkaar vaak. Korte, driftige tikjes, als we het oneens waren. Maar zíj las alles van me, volgde me op de voet. Ze overleed helaas al toen ik 19 was, nog voor ik trouwde.
Op de begrafenis van mijn vader, een paar jaar geleden, hield mijn oudere broer een toespraak. Hij zei daarbij: je was een geweldige vader. Ik bedoel, ik zou dat best willen zeggen als hij het graag had willen horen, maar ik heb hem nooit echt als een vader gezien, meer als een aardige jongen. Op het laatst hadden we mot omdat ik vond dat hij zich zo liet beïnvloeden. Hij was, met alle respect, behoor­lijk principe­loos. Ging ie er weer in mee, als iemand wat zat te lullen.

‘Ik ben bij uitstek de persoon die dingen doet waardoor misver­standen ontstaan. Ik vind mezelf niet vreemd. Men vindt me overgevoelig, pathetisch.’

‘In de stad genoot hij een zeker aanzien als voorzitter van de Stichting Nieuw Walcheren en later ook nog een tijd als wethouder. Ik zat als kind op schoot bij illustere figuren als Clemmont Attlee, die bij ons logeerde. Soms kwam harmoniekorps Ons genoe­gen hem een aubade brengen. Ik weet niet wat voor een heldendaad hij dan had verricht. Mijn oudere broer vond het gênant, maar ìk dacht: ze komen voor mij.
Ook zoiets; ik was uitverkoren om bloemen aan koningin Juliana te geven, samen met een vriendinnetje, Els de Jong. Ik vond het zelf een bezoeking. Ik moest me door een enorme menigte heen wur­men. Omdat ze me niet door lieten, riep ik: ‘Ik moet erdoor, ik moet bloemen aan de koningin geven!’ Bulderend gelach. Het werd gezien als opschepperij. Dat heb ik veel gehad.

Misverstanden

‘Bij alles wat ik doe probeer ik zo duidelijk mogelijk te zijn, ik laat niets aan het toeval over. Mij is er alles aan gelegen om misver­stan­den te voorkomen. Toch ben ik bij uitstek de persoon die dingen doet waardoor misver­standen ontstaan en ik verkeerd word beoordeeld of onder­schat. Ik vind mezelf niet vreemd. Men vindt me overgevoelig, pathetisch. Aandacht­trekkerij. Toen Jan Blokker me bijvoorbeeld een keer belde en vroeg hoe ik me voelde en ik, naar waarheid, antwoordde: ‘Nou, rot’, zei hij: God, je lijkt m’n tante Bep wel. Jij vraagt nu weer of ik gulzig ben, altijd op zoek naar drama. Het is waar dat ik snel ver doorschiet, ook emotioneel – dat zei m’n moeder al – maar uiteindelijk ben ik juist altijd en eeuwig op zoek naar het tegendeel van drama, ja haast naar harmonie. Tegelijk is – en dat maakt het zo ingewik­keld – streven naar harmonie de dood in de pot. Als je bedenkt dat het leven energie is en dat energie uit wrijving bestaat, dan zit je natuurlijk goed fout als je naar harmonie streeft.

‘Als mensen over mij praten of schrijven krijgen ze vaak een olijk toontje. Verhagen, de clown. Het soort mensen dat nog steeds spreekt over beatmu­ziek, daar nooit naar luistert maar op een feestje ineens als voorwereld­lijke dieren heel hard mee gaat stampen.
Critici denken ook dat ze het zich kunnen veroorloven mij heel persoonlijk aan te vallen, alsof ik ze iets misdaan heb. Die neerlandici zoals Rob Schouten kunnen die gedichten niet lezen, laat staan over zich heen laten komen, als muziek. Het zijn rationalisten die eigenlijk vijandig staan tegenover de dichtkunst, want als iets mijn gedichten overtuigend maakt, dan is het dat geheimzinnige poëtische element waar zij uiteindelijk tegen ageren. En dan zijn er ook nog de mislukte dichters, die mij haten om de viriliteit die uit mijn werk spreekt, of wat voor kinnesinne ook. Laatst weer, Hans Warren. Hier, kijk dan wat ie schrijft: Verha­gen is een literair-historisch fossiel, die geen contact meer heeft met z’n pu­bliek. Wat is dat voor een rare toon? Zo’n man heeft toch maar de mogelijkheid om de smaak van zo’n hele provincie te verzieken. Dat is al zo sinds ik in de jaren zestig Zeeland verliet. Wat een valse nicht is dat.
Veel van die gasten doen zulke goedkope dingen. Ben Haveman van De Volkskrant kwam me interviewen ten tijde van Autoriteit van de emo­tie. Vrese­lijk stuk geworden, hoewel hij het zelf heel goed vindt. Hij opent dat verhaal dan met een volkomen uit z’n verband gerukt citaat uit een gedicht over een jong meisje: Speelt ze nu voor sterrenregen? Kan ik daarin wellicht penetreren? Zulke suggestieve stemmingmakerij. En alsof dat nog niet genoeg is bestaat de kop uit een ander citaat uit die bundel: Gesneu­velde soldaat in de wereldbrand der liefde. Ze maken zich schuldig aan Story­-praktij­ken.’

Crises

Hans Verhagen, schrijver van soms raadselachtige, maar vrijwel altijd hartverscheurende gedichten leidde en leidt nog steeds een dankbaar leven voor een kunstenaar. Perioden van euforie en succes werden afgewisseld met geeste­lijke crises, waar niet op de laatste plaats hevig drank- en hard­drugs-gebruik debet aan was. Sinds jaar en dag werkt hij aan een proza-boek dat alvast de werktitel Manie kreeg. Hij zegt zich toffer te voelen de laatste tijd. De ochtenden vult hij vaak met slapen (‘van een uur of 7 tot een uur of 11′), ’s middags wat klusjes en boodschappen doen, ’s avonds en ’s nachts werken. Elke dag staat MTV aan. Vannacht is hij voor het eerst sinds lange tijd weer aan het schilderen geslagen. Hij voelt zich nog onzeker over het doek, maar er is weer een begin.

We staren even naar buiten. Uitzicht op het Centraal Station in Amsterdam. ‘Vanuit dit raam zie ik bijna alle voertui­gen. Ik ben een expert; geen enkel vreemd detail aan een bus of tram ontgaat me. Massa’s mensen in beweging en eigenlijk gebeurt er nooit iets. Je zou zeggen: ze vliegen elkaar naar de keel, lopen elkaar omver. Het is bewonde­renswaardig hoe dat allemaal soepeltjes verloopt.
Natuurlijk werkt de enorme toename van het aantal mensen vergroving in de hand. Vooral die van hogerhand georganiseerde uitlaatkleppen van de emotie: die Ajax-hysterie, of carnaval, of feesten onder het motto ‘Amsterdam heeft het’. De must die daar van uitgaat. Ik wil juist de dinsdag daaròp gek doen. Ik wil het altijd, of nooit. Maar ik ben niet van poppen­schuim, kan een stootje hebben. Zoals Bloem zei: ik beken mij één van deze mensen, van dit geslacht dat doolt en lijdt.’

Er staan Verhagens tegen de muur: Elvis als militair, een meisje dat zwemt òf ver­drinkt (‘wie zal het zeggen’), een kruisiging, een collage met een gescheurde herenslip uit de serie Rippings. De kunstenaar ijsbeert door de kamer, constant op zoek naar foto’s, knipsels en boeken om zijn betoog luister bij te zetten. Begint over de tram die naar zijn ontwerp is bespoten en de komende zes jaar door Amster­dam rijdt. Over de steen op de Vlissingse kade waarin onlangs een tekst van hem is gegra­veerd: Mis­schien geen verheven plek, maar hier begon het. Over de VPRO die hem vergat uit te nodigen voor het feest dat gegeven werd toen ze A-omroep werd (‘en intussen wel oude programma’s van mij herhalen’), maar hem onlangs weer heeft gevraagd documen­taires te gaan maken. Over de ontdekking van de schilderkunst, nu alweer een jaar of tien geleden. ‘Het nam me bij de strot. Nachten achter elkaar werkte ik door, de vooruit­gang was zo bevredi­gend. Ik liet alles verder rotten. Een heuse versla­ving.’
En over zijn muziek. ‘Ik had zo’n porta-sound keyboard van Yamaha. Had er wat op zitten pingelen en onderwijl een bandrecorder mee laten lopen. Later toen ik thuiskwam zette ik dat bandje op en tot m’n stomme verbazing hoorde ik een echt nummer, met een kop en een staart. Ik dacht: er is hier iemand in huis geweest. Kon niet geloven dat ik het zelf gemaakt had. Vanaf dat moment liet ik steeds die recorder meelopen. Ik bleek op rare momenten heel gave dingetjes te doen. Lekker, swingend. Er zijn momenten waarop je veel meer kan dan je in werkelijkheid kan. Ik geloof dat het met poëzie ook zo werkt. Alle goede poëzie put uit een andere bron dan het gewone dagelijkse bewustzijn. Het kom ergens vandaan; er is contact. Via die momenten waarop je tot alles in staat geweest blijkt te zijn. Dat hoor je ook als je Maria Callas hoort zingen. Dat wijf maakt van allerlei toeren, en ze kan zich àlles permitteren.’

Hij staat op, moet nodig boodschappen doen. Zet een bandje voor me op met eigen composities: volle, elektronische klanken. Veel instrumen­tals, een enkele song waarin hij op een Captain Beefheart-gelijkende wijze teksten declameert. Fear of love heet het. Hij komt terug met bier en ijsjes.
‘Ken je dat liedje van Cher, Sooner or later we all sleep alone? Tot een jaar of tien geleden heb ik, inclusief mijn moeder, altijd een vrouw om me heen gehad. Conny, later Doré. Ik heb er erg aan moeten wennen alleen te wonen maar ik vond het wel de meest reële situatie want je bènt uiteinde­lijk alleen. Daar schrijf ik over; ik wil dat dan ook in praktijk brengen.

Aan Conny (1941-1986)

Jij bent de waarheid
waar ik ben
de tijd staat stil
de klok verstrijkt
en wij zijn altijd samen.

(uit de bundel Autoriteit van de emotie, 1992)

‘Ik gebruikte al wel heroïne in de tijd met Conny, maar was het nooit in die extreme mate gaan doen, als dat drama van haar psychische neergang zich niet had voltrokken. Echt, met heroïne kun je àlles aan. Je kunt héél veel hebben, je voelt je aangenaam, maar uiteindelijk is het natuurlijk een downer.
Conny was op een avond vrij laat weg, ik dacht dat ze verdron­ken was. Later bleek ze al die tijd in België in de bak te zitten, maar ik vond het verschrikke­lijk, de vrouw van m’n leven was zoek. Met heroïne kon ik het aan. Heroïne voegt alles wat naar is onder het vloer­kleed. En je hebt geen enkele behoefte iets af te maken, echt te gaan werken.
Heel vaak ben ik cold turkey afgekickt, omdat ik keer op keer voelde dat ik het niet kon blijven gebruiken. Aldoor die pogingen, aldoor dat terug­val­len. Omdat ik zònder niets meer kon trotseren. Emotioneel raak je door die drug gehard. Vandaar dat vrijwel iedereen die afkickt zo sentimen­teel wordt. Huilerig. Je begeeft je in een niemandsland. Ik kan er helemaal niet tegen. Je moet wel bedenken dat het toen, begin jaren tachtig, veel sterkere heroïne was dan nu. De Turkse en Marokkaanse is veel slapper dan die brown sugar die ik toen gebruikte. Ik maal er niet meer naar, ik gebruik nu alleen speed, maar zo af en toe doe ik nog mee met vrienden die aanbieden. Als ik een tijd lang slecht geslapen heb bijvoor­beeld. Ik had nooit gedacht dat ik het nog zou kunnen. Omdat ik zo onge­loof­lijk hooked ben geweest.

‘Ik vervreemdde van mensen om me heen – wat op zich niet verkeerd is, die dingen moeten gebeuren. Doré, de vrouw met wie ik toen leefde, dacht dat ik gek werd. Ik ging op een dag naar een nieuwjaarsreceptie van de Bezige Bij, waar ik jonge meisjes van een jaar of 8 ontmoette, de tweeling Esther en Chaja. Mijn cyclus Schreeu­wende vensters gaat over Esther. Ze waren daar met hun vader, de schrijver Salvador Hertog. Die man was 77 toen ze geboren werden, dus traditionele spelletjes als paardjerijden en ander gedonderjaag waren hen vreemd. Ik werd een surrogaatvader omdat ze in de buurt woonden. Voor Esther was ik een apenliefde, maar ik voelde het zelf ook hoor. Een warme golfstroom. Dat heb ik zo gelaten en geaccepteerd. Ze woont nu in Israël, wordt op een grappige manier agressief als ze me ziet. Afzetten hè.
Goed, op die receptie hoorde ik al die mensen zoals Jan Vrijman zo praten en besefte: ik hoor helemaal niet bij ze, ik heb hier niets mee te maken. Ik hoorde m’n vader weer met veel aplomb praten met zijn vrienden. Als kind dacht ik dan: nou, de wereld is in heel goede handen, dat zit wel goed. Terwijl het zo’n minuscule wereld is waarin ze leven, het hoeft maar een centimeter af te wijken of ze staan uit hun nek te lullen. Ik schrijf in Schreeuwende vensters ook aan dat meisje: Dat het allemaal namaak is en nep, dat weet je dan nog niet.
Als er sprake is van vervreemding kun je dat niet op mijn conto schrijven. Jan Cremer werd 50 en liet zijn expositie of all people openen door die Brinkman. Een man met wie ik nog geen vijf minuten in één ruimte wil zijn. Echt een kwade, slechte man. Dan denk ik: hé Jan, jij schalkse rebel, eerst was er rancune en nu een serieuze poging om ook zo iemand te worden. Hij was er nog hartstikke trots op ook, hoorde ik.
Er waren ook mensen die een andere weg volgden. Cor Vaandra­ger was uitein­delijk haast een zombie. Heel gek. Toen ik net in Rotterdam kwam en de jongens leerde kennen was het: waar Cor is, daar is de wereld. Cor, de trendsetter.’

We kijken samen naar een videoband. Iggy Pop zingt Lust for life. Daarna beelden van Vaandrager, niet lang voor zijn dood in ’92. Bob Visser volgde hem op z’n zwerftochten door Rotterdam, op zoek naar spullen waarmee hij zijn huis vol stouwde. Verhagen, naast me op de grond: ‘Agressief kon hij zijn. Op het laatst viel hij mensen aan.’ Vervolgens zien we een gesprek dat hij zelf in ’76 met Vaandrager voerde. Verhagen een timide interviewer, Vaandrager warrig en verweesd. Over zijn zelfgemaakte Byrds-bril, over speed en cocaïne, over School’s out van Alice Cooper en over zijn eigen boek De hef.
Armando ziet Verhagen niet meer, Sleutelaar ook niet (‘Ruzie, sinds gedoe over dat Nieuwe Stijl-herdenkingsboek’). Door over Vaandrager: ‘De reus van Rotter­dam en De hef zijn wereldboeken, véél interessanter dan Hermans en Van ’t Reve. Dat hij enorm onderschat werd is mede de oorzaak geweest van zijn ellende. Cor had altijd al rare trekken maar die hebben helaas de overhand gekre­gen.’

We drinken bier. ‘Na mijn bundel Kouwe voeten, een boek over een lijdensweg, schreef een journa­list: als je zulke grote woorden gebruikt, dan moet het wel een kwestie van leven en dood zijn in je eigen familie. Nou, dat was dus ook zo. Ik had tijdens het schrijven al twintig zelfmoord­pogingen van Conny achter de rug. Toen ze uiteindelijk over­leed – ze heeft zich gewurgd op de isolatie-afdeling van een ziekenhuis in Vlissingen, waar je je eigenlijk niet mag kunnen wurgen, maar goed, ze liep er in en uit – voelde het bijna als een opluch­ting. Het was voor haar ook verschrikke­lijk. Ze wilde het graag, eindelijk was het voorbij.

Hans Verhagen, foto: Maarten Slagboom

‘Ik kende Conny al van de lagere school, maar we zijn elkaar uit het oog verloren toen ik een tijdje naar Den Haag ging. Toen we 15, 16 waren, gingen we met elkaar. Ze was heel mooi. Ze zat vaak heel vaag voor zich uit te staren, zei de dingen niet hardop. Vrienden begrepen dat niet. Zeiden: leuk meisje, maar wel een beetje dom. Terwijl Conny ze honderd keer in d’r zak had, weet je wel. Een vrouw die officier van justitie was kwam regelmatig bij haar adviezen inwinnen. Ze had een talent voor op een mooie manier naar het leven kijken. Het is niet te geloven wat ik van haar geleerd heb.
We woonden nog in Vlissingen, maar kwamen al geregeld in Amsterdam; we logeerden veel bij Simon Vinkenoog, en zelf had ik een pied-a-tierre aan de Wetering­schans. En al die mannen hier, van Jan Cremer tot Cees Nooteboom, ze waren allemaal gek op d’r. Ondanks het feit dat ìk er was, togen ze dan met een fles champagne naar Vlissingen. Ik was dus niet de enige die die magie voelde.
In Vlissingen was ze welhaast berucht; altijd met mannen, daar was ze makkelijk in. Zelf had ik ook die naam. Dus men vond het een behoorlijk negatieve combinatie. Maar het was natuurlijk passend. Ik had dan wel altijd praat­jes, maar gaandeweg werd ik veel afhankelijker van haar dan zij van mij. Voor we trouwden heeft ze het verschillende malen uitge­maakt, nou, daar ging ik ka-pot aan. Ik kon niet zonder haar oordeel, haar inzicht. Met één gebaar, één voorbeeldje, kon ze me zo veel duidelijk maken. Ik bewon­derde haar zo. Vergeleken bij haar was ik zo’n banale, grofbesnaarde, ongeduldige persoon. Conny loopt als een soort Vrouw der Vrouwen door mijn bundels heen.

Poëzie-Messias

‘Ik was echt een blaag. Mijn streven was een gedicht te schrijven dat het waard werd bevonden in Podium af te drukken. Ik had het gevoel dat ik daarmee alles wat ik op de middelbare school had verziekt, gelijk Jezus die voor onze zonden stierf, kon rechttrekken. Het kwam uit. Ik werd ontvangen als een poëzie-Messias. Na Rozen & Motoren was ik al volkomen gewend aan het gejuich, ik las de loftuitingen al niet eens meer. Tot en met Duizenden zonsondergangen werd ik als dichter op handen gedragen. Er waren wel mensen die reserves hadden – Lucebert bijvoor­beeld, die er later anders over is gaan denken, of critici die al die elektrici­teitstermen in mijn gedichten te modern vonden en daarom maar de toon aansloegen van: misschien zijn we er te oud voor – maar het was pas in de jaren tachtig dat er echte katten kwamen.
Ik liet het succes me aanleunen, ik hoorde in die groep thuis met Sleute­laar en Armando. Ik hoorde Freddy de Vree laatst zeggen dat ze in Vlaande­ren Armando altijd de interessantste hadden gevonden. Dan denk ik: hoe durf je het te zeggen. Armando werd door vrijwel niemand echt serieus genomen. Mensen gaan mee met modes hè. Ik weet nog, in ’67 was er een poëziedag in de Rai. Gerrit Kouwenaar trad op, en Remco Campert, en ik. Ik had al zó vaak voorgedragen, vooral uit Sterren, cirkels, bellen – die men m’n meest typische, eigene bundel vindt maar die ik zelf niet als mijn beste zie­ – dat ik bij die gelegenheid gedichten van Armando voorlas, ook omdat ik het zo gek vond dat hij zo miskend werd. Gedichten die ik als klein jongetje al gretig las. Al die Vijftigers vonden het jammer omdat ze mij vele malen interes­santer vonden. Maar er kwam vervolgens wel meer aandacht voor Armando. Gabriël Smit, de katholieke vedette van de Volkskrant, schreef dat er tòch wel wat uit die gedichten kwam, als ìk ze voorlas. Toen ik later die week op de Haagse Post kwam zei Armando, heel chagrijnig en kortaf: ‘Bedankt’.

hansverhagen2‘Nooit heb ik mijn toevlucht gezocht in een beweging of een sekte, maar in ’69 leed ik gedurende korte tijd aan Messiaswaan, zoals Jezus zelf. Gedurende een korte periode was ik een eenmansbedrijf. Een vlucht, een hoogst individuele trip. Ik werd snel weer op m’n plaats gezet. Wim Schippers, met wie ik tot kort daarvoor veel in Scheltema had rondgehangen, maakte er grapjes over. Als ze me misten riep hij: Hans Verhagen is naar Jeruzalem. Daar op Walcheren schreef ik de eerste gedichten uit Duizen­den zonsondergangen.
Een van m’n schilderijen heet Welcome to Park Golgotha. Een thema­park; to be Jesus for just one day. Je kunt je er een middagje laten kruisigen. Ik wil maar zeggen: iedereen heeft z’n makke.
Ik wil inzicht krijgen in de schepping. Wat gebeurt er, waar zitten we in, waar maken wel deel van uit. Het gaat er niet om dat je daar almaar over schrijft, het gaat er om dat het die nieuwsgierigheid is die je drijft. Er zijn mensen die geen belang hechten aan het stellen van die vraag omdat het nu eenmaal zo is, dat begrijp ik niet. Dat vinden ze logisch, maar het is alleen maar burgerlijk. Logisch is juist dat je je afvraagt waar dat wezen vandaan komt dat al die kleuren kan zien, kan nadenken. Het probleem is: als je er niet over zwijgt geef je een menselijke interpre­tatie, en dat is het nou net niet natuur­lijk.’

Eén van de vele foto’s op tafel. ‘Kijk, dit is mijn portret van Reagan. Je ziet: wat men The great communi­ca­tor noemde, dat was het vrouwelijke element in hem.
De fijnzinniger, vrouwelijke wereld was eenvoudigweg al een hele ontdekking omdat ik geen zusje had, en ook geen dochter. Een jongetje, hoe ontroerend en leuk ook, dat kèn je, dat onhandige en stuntelige dat je zelf ook hebt. Meisjes van een jaar of 8, 9 hebben vaak al een heel rare mind. Rare dromen, fantasieën. Jongens zijn klaar als ze besloten hebben: ik ben Remco Campert, de beroemde voetballer. Meisjes willen een jurk hebben van veren. Dat fascineerde en ontroerde me. Die vertedering ligt dicht tegen erotiek, maar àlles ligt dicht tegen erotiek. De enige maatstaf is: ze geen pijn doen. Ze zijn ontzettend nieuwsgie­rig, weten geen maat te houden, dus ik moet ze vaak afhouden. Ik geef ze aandacht. Via die ontmoetingen geef ik één facet van mezelf meer aandacht.
Eerst was er dus dat meisje Esther, over wie ik je vertelde. Tegenover me woonde ook een meisje van 7, een sprinkhaantje met blonde krulletjes. Haar ouders vonden alles best, voelden feilloos aan dat ik oké was. Op een dag dacht ik: ik ga weg met haar, naar het buitenland. Ik had wat cheques bij me, was een beetje dronken. Goddank ben ik in Rotterdam al tot bezinning gekomen. Haar vader was op zoek naar haar en in het café hadden ze gezegd: o, dat meisje met die krullen, die is met Hans Verhagen mee. Toen was hij gerust, echt.
Ik was altijd al een gewild slachtof­fer van hùn. We waren bij mensen met een jonge dochter en Conny kreeg ineens iets naar d’r hoofd geworpen. Was zo’n meisje jaloers. Ik heb nog altijd van die vriendinnen. Kijk, hier, een foto van Sade, ook al zo’n leuk meisje.’

Aandacht

‘Als ik de wereld zou zijn zou ik veel meer aandacht voor mij hebben.’

‘Als ik de wereld zou zijn zou ik veel meer aandacht voor mij hebben. Het is me opgevallen dat als ik me ergens mee bezighoud het iets is dat algemeen geldend wordt. Ik schreeuw niet om aandacht hoor, dat denken ze maar. Ik vind het goed om op de voorpagina’s van alle kranten in de wereld te staan, zo lang ik maar niet bij hoef te zijn. Ik verf mijn haar oranje­rood omdat ik, denk ik, inmiddels helemaal grijs ben. Ik hou van die kleuren. Hetzelf­de met de make-up, de lippenstift. Iedereen associeert dat, volkomen gefrustreerd, direct met seks. Ja zeg – seksuele revolutie, m’n hol. Het roept agressie op, daarom ben ik ermee gestopt. Al die aandacht voor seks komt voort uit gebrek aan aandacht, uit versluiering.
Ik had een goede vriend, hij kwam terug uit een zenklooster in Japan en hoorde hier dat ik scharrelde met jonge meisjes. De vlam sloeg in. Hij bazuinde overal rond dat ze mij moesten boycotten, omdat ik met een kind samenwoonde, met Maaike – wat niet eens waar was. Heel merkwaar­dig. Doré, die hem goed kende, zei: ach, hij wil met z’n eigen dochter neuken. Hij durft zich dat niet te realise­ren, maar denkt toch: die Verhagen doet ’t wel. Dat is die woede. Zo gaat dat.

Hans Verhagen, foto: Maarten Slagboom‘Mijn zoon ja, dat is een heel geslaagd exemplaar. Norman. To know him is to love him. Ook al weer 32, die gozer. Hij is drummer, schrijft songs. Hij is heel solide, terwijl hij toch heel veel met z’n moeder heeft meegemaakt. Als je ruzie met ‘m wou, moest je iets ten nadele van Conny zeggen. Hij hield zielsveel van d’r. Conny is met hem teruggegaan naar Vlissingen. Toen zag ik ‘m niet zo veel meer; af en toe gingen we samen op reis. Hij lijkt op Conny en mij, ik heb het gevoel dat hij het beste van ons beiden in zich verenigt. Hij beschouwt me als z’n beste vriend; af en toe komt hij hier; we moeten veel lachen samen. Ik hoorde van de juffrouw van de kleuterschool indertijd dat ze een rondje had gedaan met de vraag: wat doet je vader? Norman had gezegd: mijn vader is een Rolling Stone.’

Hij pakt zijn laatste bundel Echoput & Luchtkasteel en geeft me het volgende gedicht te lezen.

Nadat je in de windstille natuur hebt afgewacht/ tot je lang genoeg gewacht had/ liepen je voeten vanzelf door de stad tot je wist/hoe laat je moest zijn waar je was/ op 11 uur 8 op gelijknamig plein/ Plein 11 uur 9/ waar tijd en ruimte/ 1 ondeelbaar ogenblik/ mekaar kruisten/ de totale kringloop/ zich voltrekkend/ op een speld’s tel,/ één perpetueel moment, zo snel/ dat geen oog het ziet, zelfs dat van een ziener/ niet, of gier./ O grote god, we lopen met z’n allen,/ dood en levend,/ het hele pandemonium van de geschiedenis/ van de planeet,/ te hoop op de naaldeprik van een seconde./ En nòg weten we geen reet.

Hij zegt: ‘Het leven is een selffulfilling prophecy. Tijd bestaat niet. Alles gebeurt op één moment maar dat kunnen wij niet bevatten. Alles stroomt. Als je daar doorheen ziet, dan kom je bij wat ik inzicht in de schepping noem. Panta rhei. Je zit het zelf allemaal te doen, denk ik wel ‘ns. Je kiest zèlf je geboorteplek. Spoken, zijn dat.’

Pakt de bundel weer en leest nu zelf hardop: Ondertussen zit je zo alleen als toen je werd geboren, op een rondvliegend bemost stuk rots, ergens in een enge, eindeloze ruimte – en op je lippen ligt, ja, op je lippen, dat alles wat je hier ervaart door je eigen zintuigen veroorzaakt wordt.

6 juni 1995

PDF cover Hans Verhagen en inhoudsopgave