Wie door de sjieke buurt SaintGermaindesPrés wandelt, in het zesde arrondissement van Parijs, moet niet verbaasd opkijken als hij in de Rue de Verneuil tussen alle keurige panden plots een pand ontwaart dat is vol gekliederd met leuzen en smoezelige graffiti. Het is het voormalige woonhuis van Serge Gainsbourg (1928-1991), de duivelskunstenaar en aartsprovocateur in wie Frankrijk voor altijd haar modelrebel vond. Doodsbedreigingen ontving hij van rechtse oorlogsveteranen uit de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog toen hij een reggaeversie van het volkslied de Marseillaise opnam, schande werd er gesproken van het feit dat hij met zijn 13-jarige dochter Charlotte een broeierig duet opnam onder de titel Lemon incest.

Het is die dochter Charlotte, inmiddels een 46-jarige gevierde actrice en zangeres, die er vandaag de dag persoonlijk op toe schijnt te zien dat niemand het in zijn hoofd haalt die muur netjes in de verf te zetten. Wie wil, die zet er zijn tag maar op. Het is een plek waar de geest van de rebel rondwaart, zoals er zo vele zijn in Europa. Een in spuitbusverf gevatte middelvinger naar het burgerlijke establishment.

Rebellie is verankerd in Europa, al sinds de klassieke oudheid. Niet lang nadat bij Pieter Steinz, de auteur van het boek Made in Europe dat aan onze serie ten grondslag ligt, de zeldzame spierziekte ALS werd geconstateerd kreeg hij een mail van een oude schoolvriend. Hij wees hem op de parallel tussen zijn lot en dat van de Griekse wijsgeer Socrates die stierf door de gifbeker leeg te drinken. ‘Hij wenste mij toe dat me nog veel tijd vergund zou zijn om door te brengen zoals de oude filosoof, schreef Steinz in 2014 in zijn krant NRC Handelsblad, ‘‘samen met je dierbaren, relativerend en het lot aanvaardend, met humor en ironie’. Ik schreef hem terug dat mijn ziekte verschilde van de gifbeker omdat ALS begint bij je ademhalingspieren, maar dat ik Socrates altijd voor ogen zou hebben’.

Steinz, die stierf in de nazomer van 2016 toen wij al hard op weg waren met het maken van deze serie, heeft Socrates nog welgeteld twee jaar voor ogen gehad. Bepaald niet vreemd dus dat we de serie starten met Socrates. Waar anders zouden we trouwens onze reis moeten beginnen dan in Athene? Griekenland mag nu symbool staan voor de financiële malaise en onmin in Europa, en vooral in het nieuws komen vanwege vluchtelingen die vlak voor haar kust verdrinken, het is juist daar, in die oude bakermat van wat de westerse beschaving plegen te noemen, dat de Europeaan zoals we die in deze eerste uitzending opvoeren, opstond. De Europeaan als rebel.

Misschien is Socrates niet meer dan een idee, een fictieve vertelling. Een harde bron die zijn bestaan bewijst is er niet, we moeten het doen met de geschriften van zijn leerling Plato. Wie de Apologie leest die Plato optekende, leert hoe dan ook een man kennen die opstaat tegen de autoriteit en aan de poten van het systeem zaagt. Hij krijgt de gifbeker omdat hij de goden die door de stad worden erkend, niet erkent, en omdat hij volgens zijn aanklagers de zeden van de jeugd bederft door ze aan te moedigen om alles in vraag te stellen. Met een beetje goede wil staat Socrates model voor de Europeaan die nooit stopt zijn omgeving te bevragen, en geen genoegen neemt met de bestaande status quo. Maar ook: een koppige, oude zeikerd, een badass, een muf ruikende arrogante demon. ‘De meest wijze kletskous die er bestaan heeft,’ volgens Friedrich Nietzsche.

Wie het systeem wil openbreken, wie verandering wil, wie de macht ter discussie stelt, die is er niet in de eerste plaats op uit om vrienden te maken. Die sterft desnoods in het harnas, zoals Socrates die kalm zijn gifbeker leegdrinkt.

Zonder die rotsvaste overtuiging van het eigen gelijk is de rebel nergens. ‘Als ik mijn ziel moet verkopen, om daarmee Poetin te laten verdwijnen, dan doe ik dat’. Dat is de openingszin van de Handleiding voor de Revolutie, het pamflettistische boek dat Pussy Riot-boegbeeld Nadya Tolokonnikowa schreef. Maar ze geeft zich niet zomaar gewonnen. De zin die er direct op volgt is: ‘Verkoop je ziel niet te goedkoop. Ontwikkel een protestcultuur’.

Punk’s not dead. Als er één groep is die daarvoor overtuigend bewijs levert, dan is het Pussy Riot. Laten we wel wezen, we waren eigenlijk allemaal allang weer weggesukkeld, ingedommeld. Wie protesteerde er nu eigenlijk tegen het feit dat de rekken bij warenhuisketen H&M gevuld waren met t-shirts van de Ramones, en wie liet zijn stem horen toen de Sex Pistols hun zakken vulden met alwéér een reünietournee? Punk was nostalgie. Totdat plots die drie vrouwen van Pussy Riot wereldwijd journaalnieuws leverden met hun optreden in de kerk. Punk Prayer – Mother of God, Chase Putin Away! is classic punk: een paar akkoorden, stevig raggen en schreeuwen, niet gehinderd door al te veel muzikaliteit. Een heuse shout along-slogan maakt het af.

Waar haalden ze het vandaan?

Punk Prayer was maar liefst het 42e guerilla-optreden van Pussy Riot. In de jaren negentig, toen de leden van Pussy Riot, nog meisjes waren (en een enkele jongen trouwens), werd punkmuziek steeds populairder in Rusland. Met een beetje goede wil kun je zelfs spreken van een kleine punkgolf, geïnspireerd op Russische pionier-bands als Grazhdanskaya Oborana (vrij vertaald: Civil Defence) en Kino. Nadya Tolikonnikova luisterde niet alleen naar deze Russische punkmuziek, ze zocht ook al snel uit waar die bands de mosterd vandaan haalden. Ze struinde platenzaken en het internet af en belandde bij de oorsprong: bij de Britse punkbeweging van midden jaren zeventig.

Niet zozeer bij de Sex Pistols, die met de gewiekste marketing van Malcolm McLaren de boventoon voerden in de media, maar bij de meest militante sociaal-maatschappelijk geëngageerde punk van obscure groepen als Sham 69, Angelic Upstarts en Cockney Rejects. Het meest inspirerend vond ze de zogeheten George Davis-campagne. Voornoemde groepen alsook graffitti-artiesten namen het rond 1976 op voor de voor een reeks overvallen veroordeelde Davis. Volgens hen was hij zonder deugdelijk bewijs was veroordeeld, en ze droegen songs aan hem op. ‘This kind of campaign to defend human rights and to defend the presumption of innocence inspired me a lot,’ zegt Nadya in het boek Pop Grenade. ‘I’m 100 percent sure that this punk rock tradition played a very important role in developing civil society in Great Britain and it helped the country to get a non-corrupted en fairer police system’.

Dat nu is wat Pussy Riot nog steeds beoogt: met kunstmanifestaties de aanzet geven om het politieke systeem omver te werpen, en het politieapparaat en het rechterlijk apparaat te hervormen. Ze hoeven er zelf niet eens een instrument voor te kunnen bespelen, daar laten ze anderen wel voor opdraven. Een Engelse eigentijdse kunstenaar die Pussy Riot bewondert is street artist Banksy. Zijn werk is anti-kapitalistisch en -racistisch, pacifistisch, politiek en compromisloos. De groep heeft contact met hem sinds 2011, toen de kunstenaar met de verkoop van zijn werk 40.000 pond ophaalde om Voina te ondersteunen, het kunstenaarscollectief waaruit Pussy Riot is voortgekomen. Tijdens Banksy’s Dismaland, een tijdelijke persiflage op Disneyland dat in het diepste geheim werd gebouwd, trad Pussy Riot op met een met veel opruiende slogans (‘Fuck the police!’, ‘Refugees in, nazis out!’) doorspekt optreden. Hoewel het collectief soms ook radiovriendelijker muziek uitbrengt – zoals de hiphop-achtige aanklacht tegen corruptie binnen het Russische openbaar ministerie Chaika – weet Pussy Riot nog altijd vaak de irritatiegrens op te zoeken en te overschrijden. Zoals dat punk betaamt. ‘We are planning to release a lof of disturbing videos,’ liet Nadya weten in een statement ten tijde van Refugees in. Om er direct aan toe te voegen: ‘We hope that you will not like them’.

Behagen, dat is wel het laatste dat Pussy Riot wil. Net als hun grote voorbeeld Pjotr Pavlenski, een kunstenaar die internationale bekendheid verwierf met een protestactie waarbij hij zijn balzak vastspijkerde in het plaveisel van het Rode Plein in Moskou. De Russische punks zagen graag planken van dik hout.

Toch zijn er ook protopunkers die met hun kunst juist vaak geassocieerd worden met Music for the Millions en de muzikale fruitmand. Ten onrechte, dat dan weer wel. Ik heb het over de Franse chansonniers en chansonnières uit de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw. Terwijl het in Amsterdam nog naar spruitjes rook, diende zich in Parijs medio jaren vijftig al een nieuwe tijd aan, een nieuwe generatie met een eigen geluid. In dezelfde buurt waar de existentialisten hun oeverloze gesprekken en soirees hielden werden zaaltjes gevuld met jonge mensen in zwarte coltrui die weliswaar poëtische teksten over de liefde zongen maar tegelijkertijd duidelijk maakten dat er een veenbrand woedde. Deze generatie liet zich niet meer kooien. Er kwamen andere tijden aan.

In diezelfde tijd was in Brussel de jonge Jacques Brel voorbestemd om zijn vader op te volgen in de directie van de kartonfabriek. Het scheelde een haar of hij had zich keurig gevoegd in het patroon, dansend naar het pijpen van de gezagsdragers. Met een huisje, een boompje en een beestje. Maar Parijs lonkte. Parijs, Parijs! Dus zei hij de fabriek vaarwel, hing zijn gitaar om z’n schouder en toog naar de stad waar het gebeurde. Dag burgertrutten in jullie vastgeroeste leventjes! Hallo Parijs, hier ben ik! Brel is hier.

Brel was een punk ver voor die term in zwang raakte. Als iemand daarvan doordrongen is, is het de Ierse zanger Gavin Friday. Twee keer in zijn leven viel  Friday totaal achterover door het zien van een optreden. De eerste keer was bij het zien en horen van de Sex Pistols, de tweede keer bij het zien van een registratie van een Brel-concert. En hij zag het meteen! Hier konden die jongens met hun stekeltjeshaar, leren jackjes en veiligheidsspelden een puntje aan zuigen. Die intensiteit, die woede ook, die hartstocht! Het was allemaal heel wel besteed aan een jongen die was opgegroeid in het Ierland dat gebukt ging onder katholieke repressie. Eindelijk werd het gezien: Brel, dat was punk avant la lettre. Tijdens de laatste tournee waarbij hij België aandeed vroeg Gavin Friday het publiek bij de toegiften of ze een cover van Bowie of van Brel wilden. Hij had nog maar tijd voor een nummer. Het publiek riep massaal om Bowie. Waarop Friday, oprecht verbaasd, riep: ‘You fuck up your national treasure for such a cunt?’  Het liefst had hij The Port of Amsterdam ingezet, maar het werd Five Years.

Wie Brel het liefst een ode aan het landschap van zijn jeugd wil horen brengen komt aan zijn trekken in Le Plat Pays, wie hem een ode aan zijn voormalige lief wil horen zingen in Marieke, maar wie de Brel (die aanvankelijk als artiestennaam Berel aannam, nota bene een anagram van rebel) wil horen die zich afzet tegen het knellende keurslijf, tegen zijn bekrompen, hypocriete omgeving en tegen het heersend gezag, die luistert naar Les Bourgeois, naar Les Flamandes, naar Les Singes, en vooral naar Au Suivant.

Van het legertje biografen dat zich op Brel stortte is Johan Anthierens waarschijnlijk degene die nog het meest de punk in Brel herkent. Hij noemt het bijtende, anti-militaristische Au Suivant zelfs een sleutellied, onmisbaar om het overgevoelige en doordenkende individu Jacques Brel enigszins te doorgronden. ‘De recalcitrante Brel ontmaskert in twee regels de ware identiteit van het met een driekleurige schaamlap voorgebonden vaderland: Cette voix qui sentait l’ail et le mauvais alcool, Cést la voix des nations et c’est la voix du sang. Au suivant au suivant. Schiet een beetje op! Wie volgt? Zo ontstaat de dwanggedachte dat wij met zijn allen van de wieg tot aan het graf aansluiten in een vernederende rij, staart aan slurf en slurf aan staart zoals de olifanten, de hand aan de handdoek om niet helemaal voor joker te staan. Met alleen die kleine speling dat het misschien minder vernederend is om te volgen dan om gevolgd te worden. Een lied van existentieel onbehagen. Niet echt zonder uitweg omdat het een lied van verzet is tegen een van hogerhand uitgestippelde levenswandel’. Niet vreemd dat juist Au Suivant een van Brels meest gecoverde chansons is in de popmuziek. Van Alex Harvey tot Nick Cave, van Scott Walker tot Triggerfinger, allen kropen zij in de huid van de jonge soldaat die in de rij staat van het legerbordeel.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de VPRO bij de rebelse Brel bepaald geen beste beurt maakte. In mei 1964, onbetwist op het hoogtepunt van zijn kunnen, wist VPRO-regisseur Warry van Kampen de zanger naar Bergen te halen voor een exclusief optreden in café-restaurant Het Huis met de Pilaren. Brel, inmiddels gewend aan grote theaterzalen, wist werkelijk niet wat hem overkwam. Hij trad er op voor een select gezelschap dat tijdens zijn optreden zat te tafelen, inclusief hinderlijk glas- en bestekgerinkel en geroezemoes. Tijdens het optreden kookte hij van woede. Zingen in een café, die tijd lag ver achter hem! Hoe haalden ze het in hun hoofd om hem naar dit provinciale gat te halen? Toen Brel na afloop de beloofde 12.000 gulden in zijn hand kreeg gedrukt smeet hij het geld ostentatief op de grond. ‘Dat die kloteklappers van de VPRO het maar in hun reet steken!,’ brieste hij en stapte boos in de auto. Zijn vriend en vaste begeleider Jojo raapte het geld op en kroop achter het stuur. Brel schijnt de hele weg terug naar huis, met de van de VPRO gekregen Noord-Hollandse kaas op zijn schoot, te hebben zitten tieren. Liefst 38 jaar waren de tv-opnamen van het concert zoek. In 2002 doken ze plots weer op, in het Instituut voor Beeld en Geluid in Hilversum. En de beelden bevestigen het: Brel was die avond weergaloos als altijd. Niets, maar dan ook niets in zijn optreden verried zijn woede en frustratie. Daarin toonde zich de meester. Een rebel van de volle overgave, compromisloos en nooit verzakend.

Anonimiteit komt in het vocabulaire van de rebel niet voor. De rebel die zijn tag zet, bij wijze van allerindividueelste emotie van de allerindividueelste expressie; het is de crux van de Europese kunst. Als Banksy zijn meisje met ballon achterlaat ergens op een muur in een Europese stad is hij schatplichtig aan Gaius, een Romein van wiens bestaan niemand op de hoogte zou zijn als niet op een opgegraven muur in de resten van Pompeji zijn tekst ‘Gaius was hier’ was gevonden. Ik was hier. Duizenden jaren later is dat nog steeds wat we doen. Ergens een tag achterlaten. Als we onszelf soms, al was het maar voor even, niet het centrum van het universum zouden voelen, zou er nooit een rebel opstaan.

Niemand vertelt mij hoe ik mijn leven moet leiden, ik maak het zelf wel uit. Eigenlijk wil de rebel leven zoals Pippi Langkous, het brutale meisje uit het kinderboek van Astrid Lindgren. In haar Villa Kakelbont, zonder een vader en een moeder die aan haar kop zeuren, doet ze precies waar ze zelf zin heeft. Niemand hoeft ze verantwoording af te leggen. Of, zoals die andere rebelse chansonnier Leo Ferré het uitdrukte: Ni dieu, ni maitre! Toen rechtse provocateurs ooit zijn concert verstoorden draaide hij zich om en toonde hen zijn achterwerk. Dat is precies wat Pippi zou doen.

En dan te bedenken dat het personage Pippi, het rolmodel voor de onafhankelijke geest, minder rebels is geworden dan zij in het oorspronkelijke manuscript van haar schepper Astrid Lindgren was. In de oer-Pippi snuit ze haar neus in de zijden japon van een deftige dame en maakt ze politiek getinte en harde anti-nazi-grappen terwijl ze op een stoel klimt en de Hitlergroet brengt. Lindgren wist dat het een extreem meisje was. Sterker, in haar begeleidingsbrief aan de uitgeverij schreef ze: ‘Ik hoop dat u niet direct de kinderbescherming zult waarschuwen’. Het manuscript werd enigszins gekuist voor de jongste lezers. Te veel rebellie kon zelfs een Zweedse uitgever in 1945 niet aan. En de rebellie van Lindgren zelf kende ook haar grenzen. ‘Lindgrens grootste belang was dat haar boek gedrukt kon worden,’ zegt Pippi-kenner Astrid Surmatz, ‘daarom was ze tot aanpassing bereid’. Het kon allemaal niet verhinderen dat er, na een aanvankelijk juichend onthaal in de kranten, een storm van kritiek losbarstte van pedagogen. Pippi was ‘waanzinnig’, ‘smakeloos’, ‘ziek’ en ‘schadelijk voor het gemoedsleven van kinderen’.

Het moet een hard gelag zijn geweest voor de nog jonge Astrid Lindgren die tot dan toe toch al geen gemakkelijke leven leidde. Op haar 18e was ze zwanger geraakt van de hoofdredacteur van de krant waarvoor ze als verslaggeefster werkte. Een getrouwde man van bijna 50, met een gezin. Niet verliefd op hem, vlucht ze naar Stockholm, maar ze is een ‘gevallen vrouw’. In het geheim bevalt ze vervolgens in Denemarken waarna ze haar zoontje onderbrengt in een pleeggezin. In latere perioden zorgt haar zus voor hem of verblijft hij bij zijn vader. Als ze uiteindelijk een nieuwe relatie krijgt – opnieuw met een getrouwde man – zegt ze toe dat ze met hem wil trouwen op voorwaarde dat haar zoontje Lasse bij hen mag komen wonen. Drie jaar later wordt dochter Karin geboren, het meisje voor wie ze later de verhalen over Pippi bij elkaar zal fantaseren, maar de geschiedenis met Lasse, haar zoon die ze ook nog eens overleeft, is een ervaring die haar leven tekent.

Uiteindelijk, na de storm van kritiek, valt vrijwel iedereen alsnog voor de opstandige Pippi en groeit Lindgren uit tot een van Zwedens meest geliefde auteurs. Generaties zijn intussen met Pippi opgegroeid. Nadya Tolikonnikova van Pussy Riot, opgroeiend in het Rusland van de jaren negentig, lustte ook wel pap van Pippi Langkous. Niet verwonderlijk dat zij op haar beurt haar  dochtertje Gera het boek te lezen gaf. Volgens Tolikonnikova en haar man Pyotr Verzilov is Gera nu, op haar achtste, al gevormd tot een volleerd punker en feministe.

In hun boek Pippi og Sokrates uit 2000 trekt het Noorse filosofenduo Jørgen Gaare en Øystein Sjaastad een directe lijn tussen Socrates en Pippi Langkous. Toch kun je vraagtekens stellen bij Pippi’s rebellie, net als bij die van haar schepper. Tegen wie rebelleer je immers, als alles kan en mag en niemand je tegenhoudt? In wezen zit de rebel Pippi vooral in het hoofd van het buurjongetje en –meisje Tom en Annica, een tweetal dat hunkert naar diezelfde vrijheid en onverschrokkenheid.

Over de vraag of Pippi nu wel of niet een rebel was zal de misdaadauteur Stieg Larsson niet lang hebben getwijfeld. Hij fantaseerde erover hoe Pippi moest zijn geworden als ze nu volwassen was. Het resultaat is zijn personage Lisbeth Salander in de succesvolle Millennium-trilogie. Naast de deur van haar appartement hangt een bordje met de naam ‘V. Kulla’, een verwijzing naar Villa Kakelbont, het huis van Pippi. Het rode haar heeft ze zwart geverfd, haar lichaam is versierd met tatoeages van een wesp en een draak. Larsson, zelf als ultralinkse activist ook gerust een rebel te noemen trouwens, moet hebben aangevoeld dat niet voor elke opstandige rebel een mooie toekomst gloort. Lisbeth is een totaal verknipte maar intrigerende hacker met veel problemen. Ergens in haar adolescententijd is Larssons volwassen Pippi vijandig, getraumatiseerd en eenzaam geraakt. Een in zichzelf gekeerde, gewelddadige punker, maar ook nog altijd onafhankelijk, stijfkoppig en briljant.

In zijn verdedigingsrede zegt Socrates dat hij in de samenleving is ‘neergezet’ als iemand om de autoriteiten wakker te houden. Hij weet dat hij ter dood veroordeeld zal worden, maar waarschuwt maar vast dat er vele rebellen na hem zullen volgen. ‘Er zullen meer mensen komen die u om verantwoording vragen en die tot dusver door mij zijn tegengehouden, zonder dat u het merkte. En ze zullen lastiger zijn naarmate ze jonger zijn, en uw ergernis zal groter zijn. Want als u denkt dat u door mensen te doden kunt voorkomen dat men u het verwijt maakt dat u verkeerd leeft, dan ziet u het verkeerd.’

Sommige van onze literair-historische helden zijn spreekwoordelijk geworden, merkte Pieter Steinz op in zijn boek Made in Europe. ‘In de Van Dale staan Don Juan, Robin Hood, Uilenspiegel en Don Quichot als soortnamen. Waarom spreken we eigenlijk nooit over ‘een Socrates’?,’ vroeg hij zich af. Wie onze eerste uitzending bekijkt zal beseffen dat dat een retorische vraag is. Jacques Brel, Gavin Friday, Banksy, Pippi Langkous, Serge Gainsbourg, Lisbeth Salander, Nadya Tolikonnikova, zij allen zijn Socratessen.