De Zone is een verlaten gebied vol wuivend onkruid, fabrieksruïnes en roestende, scheve palen. Er meandert een rivier vol chemisch afval doorheen. Door de autoriteiten is het territorium om onduidelijke redenen verboden verklaard. Dat de Zone niet vrij is van gevaar is overduidelijk, maar middenin het gebied, ergens aan het eind van een vochtige tunnel, moet een ruimte zijn, De Kamer, waar alle wensen worden vervuld.

Toen mijn dochter en ik in de bioscoop samen voor het eerst de filmklassieker Stalker zagen keken we elkaar aan: die regisseur, de vermaarde Andrej Tarkovski, die wist het ook. Die wist van de magnetische aantrekkingskracht van verlaten locaties, overgeleverd aan verval en de nukken van de woekerende natuur. Zijn decor, gevonden in de omgeving van een verlaten waterkrachtcentrale in Estland, voelde onmiddellijk vertrouwd aan. Het zag eruit als onze wereld, onze eigen Zone, die we sinds enkele jaren zo vaak samen betreden.

Een andere filmheld die het weet, zoveel is zeker, is de Taiwanese regisseur Tsai Ming-liang. Veel van zijn protagonisten slijten hun dagen in leegstaande appartementen of vervallen complexen die zo’n prominente rol spelen dat je als kijker haast geneigd bent ze zelf als personages te ervaren. In de indrukwekkende VR-film The Deserted begeven we ons in vervallen ruimtes waar het pleisterwerk van de muren bladdert en waterdruppels door het kapotte dak in plassen vallen. Vorig jaar was de grootmeester te gast in Eye in Amsterdam. Hij vertelde dat hij de film had gedraaid in de ruïne van een verlaten appartementencomplex, op steenworp afstand van het huis dat hij en zijn vaste acteur Lee Kang-sheng buiten de stad hadden betrokken. Om te voorkomen dat een projectontwikkelaar het in zijn hoofd zou halen om het te renoveren of te slopen had Tsai het complex zelf ook maar opgekocht. Als de regisseur bezoek ontving en hij zijn gasten langs het verweerde complex leidde, vertelde hij, zei hij steevast hetzelfde. ‘Hier woont alleen de tijd’.

Gezinnen pakten er hun boeltje, een andere familie nam bezit van de ruimtes. Nieuwe dromen, verlangens en herinneringen vulden het pand. Een nieuwe laag verf werd aangebracht, de stroken modieus behang zorgvuldig gladgestreken.

De locaties in de films van Tsai zijn personages, karakters. Voor hij er een scène situeert brengt hij er uren door. Zo zie ik de locaties ook die mijn dochter en ik met onze camera’s bezoeken: als personages. Of we ze nu vinden in Taiwan of in de Verenigde Staten, in Polen, Duitsland of in België, eigenlijk is het overal eender. We zoeken er personages van steen, staal en hout die onderdak hebben geboden aan mensen en verhalen. Gezinnen pakten er hun boeltje, een andere familie nam bezit van de ruimtes. Nieuwe dromen, verlangens en herinneringen vulden het pand. Een nieuwe laag verf werd aangebracht, de stroken modieus behang zorgvuldig gladgestreken. Fabrieken gingen failliet, er werd gestaakt, ideologieën wisselden en gaven huis aan instanties die soms haaks stonden op elkaar, maar de locatie bleef staan, als stille getuige van al die toonbeelden van de menselijke conditie.
Totdat de laatste bewoner of werknemer de deur achter zich dichttrok.

Op dat moment startte het proces.

Niemand hoeft iets te doen, laat het maar gebeuren. De menselijke hand blijft aanwezig, maar wordt langzaam uitgevaagd, geërodeerd. ‘Het huis was oud, afgeleefd en wekte de indruk alsof het met rust gelaten wilde worden zodat het kon wegrotten in de toekomst,’ schrijft de Poolse schrijfster Olga Tokarczuk in haar roman Jaag je ploeg over de botten van de doden over een pand dat geplaagd wordt door het idee van alwéér een renovatie door nieuwe bewoners. Een gebouw dat hunkert naar overgave, een gebouw dat van zichzelf niet meer zo nodig hoeft. Voetstoots probeert de natuur de overhand te nemen, zij baant zich een weg door kieren en spleten, langzaam doemt die parallelle wereld op. Een zone waarin verpulverde verf, roest en afgebladderde kalk een alliantie aangaat met mos, schimmels, algen en oprukkend onkruid. Wat uiteindelijk resteert is op z’n minst fascinerend en op z’n best van een intense schoonheid. ‘Nature always wins’ zie je vaak staan als caption bij foto’s van fotografen die zich op verlaten locaties richten. Met bewondering kijken we naar de natuur die zelfs op de meest afgeleefde, desolate plek, begint aan nieuw leven, ongehinderd door een narratief, ongehinderd door een besef van eindigheid. Het is een vorm van ‘continuïteit’ waar wij geen grip op hebben. Van de confrontatie met dat aanzicht gaat, als je er gevoelig voor bent, een geruststellende werking uit. Al die verlaten, gehavende locaties die we betreden, het zijn monumenten van de continuïteit. Je voelt je er even nietig als levenslustig. Nergens is het leven meer aanwezig dan waar het is verdwenen.

Hier woont alleen de tijd. Natuurlijk, zelfs al weerklinkt alleen het knisperend glas en gruis onder onze schoenen en het sluitergeluid van de camera, dan nog verbreken we als fotografen het zegel. Soms ook blijken andere ongenode gasten het pand te hebben betreden die met een spuitbus hun tags op de muren hebben achterlaten. Toch is er uiteindelijk maar één echte bedreiging: renovatie of de sloopkogel. In die zin is dit boek een ode aan al die locaties die zich angstvallig stilhouden, als onderduikers die zich weten te onttrekken aan de saneerwoede en oprukkende gentrificatie. Pssst, hou het stil, hier woont alleen de tijd. Hier staat het vrij om de verbeelding de volle ruimte te geven. Een achtergelaten relikwie, zoals een cassettespeler in een oude fabriek of een frivool beeldje in een woonhuis, brengt het mechaniek in het hoofd op gang. Hier kun je fantaseren over de vreugdedansjes die zijn gemaakt, de zuchten die zijn geslaakt, de tranen die zijn gevloeid, de zweetdruppels die van het voorhoofd werden geveegd, de intieme omhelzingen die plaatsvonden na een hoogopgelopen ruzie. Over alles dat overwoekerd is, over alles dat plaats maakt voor wat resteert.

Fabrieken, woonhuizen, scholen, ziekenhuizen, buitenhuizen, pretparken, kazernes, alle groeien ze uiteindelijk naar elkaar toe. De Zone de ze samen vormen kent geen plattegrond, als pelgrims moeten we de locaties zelf vinden en elkaar verbinden. We bereiden ons goed voor. Struinen luchtfoto’s af op ingestorte daken, verzamelen coördinaten. Als jagers gaan we op pad. Besluipen, omsingelen nieuwe locaties als prooien. Soms glippen we in één keer naar binnen via een kapot raam, maar veel vaker zijn er hordes obstakels om te overwinnen. We worden routiniers. Als ijsmeesters keuren we de houten vloeren, we omzeilen gaten en trekken elkaar omhoog – iedere verdieping, iedere ruimte moet verkend. Soms blijkt dat we te laat zijn gekomen, en is het dynamiet al tot ontploffing gebracht. Een heel epos is daarmee verdampt. Maar als we geluk hebben wacht ons binnen de zone van de verbeelding. Dan weerklinkt daar alleen het gekoer van duiven, speelt de wind met een golfplaat, en vallen druppels van het plafond in een plas water die ons trakteert op een oogverblindend lijnenspel. De dompige geur van schimmel, mos, vermolmd hout en verregend pleisterwerk is overal eender. We zakken door de knieën, zoeken het juiste kader, onze ruggen tegen elkaar. Hier woont alleen de tijd, hier laven wij ons aan de continuïteit. We hoeven niet op zoek naar de Kamer, in deze zone hebben we eigenlijk geen wensen nodig want ze zijn plots vervuld.

februari 2020

Ga hier naar de fotografie.