Interview in de NCRV Gids
Interview in de NCRV Gids

U mag kiezen: abortus of handicap
door Frederiek Weeda, verschenen in NRC Handelsblad op 24 januari 2012 en in nrc.next op 25 januari 2012
Hij is alle stelligheid kwijt. Vroeger, zegt Maarten Slagboom, zou hij stellig hebben beweerd dat hij een baby zou houden, welke afwijking die ook had. Altijd. Zijn vriendin en hij hadden bewust afgezien van een test op het syndroom van Down. Ze wilden dit tweede kind net zo graag als het eerste. Maar toen zag de arts op de 20-wekenecho dat hun dochter twee afwijkingen had. Een waterhoofd en een ernstige open rug.
Vijftien dagen lang hielden drie vragen hen bezig. Wat deden ze een kind aan dat als zwaar gehandicapte zou moeten leven? Wat deden ze haar oudere zusje aan als het tweede meisje zou leven? Wat deden ze zichzelf aan?
Het besluit ontstond in een slingerbeweging. Net op het moment dat zijn vriendin zei: we houden het, we gaan ervoor, dacht hij weer: ‘nee, we kunnen het niet aan.’ En als hij het kind wilde houden, was zij weer op het punt dat ze zei: laten we het niet doen. Ze moesten binnen twee weken kiezen, want een zwangerschap afbreken mag in Nederland tot 24 weken. Na twee weken vonden ze elkaar in één beslissing: afbreken.
Weghalen? Maarten Slagboom (41) vindt het naar dat mensen het hebben over ‘weghalen’, of ‘aborteren’ – alsof het een beslissing van niks is. En alsof het kind even wordt ‘weggehaald’ met een zuigapparaat in een abortuskliniek. Een foetus van 23 weken, voorbij de helft van de zwangerschap, wordt echt geboren; eerst slikt de vrouw een abortuspil (of krijgt een infuus), een paar dagen later worden de weeën kunstmatig opgewekt. De moeder bevalt van een dood kind. ‘Je houdt de baby in je armen. Het is een echt kind.’
Vijf jaar lang hebben zijn vriendin en hij gerouwd. Slagboom vond het moeilijk erover te praten. Zijn zinnen, zegt hij, werden dan vanzelf onsamenhangend. Sinds anderhalf jaar gaat dat beter, al rouwt hij nog steeds. Hij schreef het aangrijpende en informatieve boek Echo, dat vorig jaar verscheen. Hij beschrijft zijn gemoedstoestand in die 15 dagen: ‘De vraag bekruipt me steeds: wat ben je nou voor vader? Geef je je eigen kind geen fatsoenlijke kans om te bewijzen dat het heel misschien allemaal meevalt? Heb je zo weinig vertrouwen in je vrouw? Maar het tegengeluid, het verantwoordelijkheidsbesef, de angst voor een donkere poel waarin we alle vier zullen wegzinken, is nog sterker, en zal in de dagen die volgen alleen nog maar toenemen.’
Het boek is ook een journalistieke zoektocht naar alle mogelijkheden, inzichten en meningen op dit gebied. Hij sprak artsen, wetenschappers en politici. Slagboom werkt bij de VPRO. Hij zag de gestegen afbrekingscijfers onlangs in de krant en zocht contact.
Na elk gesprek dat hij voerde voor het boek zat hij in de auto en dacht: ja, hij heeft gelijk! Een man die vond dat niet één kind met afwijkingen geboren moest worden als dat niet hoefde. Een Kamerlid van de ChristenUnie dat vond dat niet één foetus of embryo geaborteerd mag worden. Een Kamerlid van de VVD dat pleit voor het recht voor ouders om te kiezen of ze de zwangerschap afbreken en dat zelf een kind heeft met het downsyndroom.
Slagboom en zijn vriendin hadden niet eens zelf om de echo gevraagd. De verloskundige had het voorgesteld omdat zijn vriendin een verhoogde kans had op zwangerschapsdiabetes. Op de echo zou te zien zijn of de baby goed groeide. Argeloos hebben ze het maar gedaan.
Hadden ze de echo dan níet moeten krijgen? Hij is er nog steeds niet uit. ‘Ik denk: als we onze dochter gewoon hadden gekregen, zonder echo, dan had ik nu als een leeuw voor haar had gevochten. Voor goede zorg en voor haar rechten. Maar we kregen die echo wel en je blik wordt zó bepaald door wat je meemaakt. Ik heb nu begrip voor elke beslissing die iemand in die situatie neemt.’
En toch weet hij het nog steeds niet: of zij de juiste beslissing hebben genomen. ‘Artsen geven je geen blauwdruk van het leven dat een gehandicapt kind gaat leiden. Haar hersens zouden aangetast zijn door het waterhoofd, maar hoe laag haar IQ zou zijn, was niet te zeggen. Ze zou incontinent zijn, ja. Niet kunnen lopen en verstandelijk gehandicapt zijn. Maar of ze toch een leven zou hebben gehad dat de moeite waard was, weten we niet.’
Ze klampten zich in die twee weken vast aan elke strohalm die duidelijkheid kon geven over de toekomst. Zoals toen de neuroloog ongevraagd zei: ‘Veel mensen beslissen bij zo’n afwijking om af te breken.’ Slagboom was er blij mee. Het gaf tenminste een indicatie van de ernst van de afwijking.
De wetgeving zorgt voor een harde breuk, vindt hij. Tot 24 weken zwangerschap gaan de ouders helemaal zelf over de vraag van leven en dood. Daarna gaan artsen erover. ‘Wij wilden de keuze zelf maken. Mijn grootste angstvisioen was dat het kind geboren zou worden en dat allemaal artsen in de couveuse zouden kijken en zouden beslissen: het is een heel, heel ernstig geval maar net niet erg genoeg voor een ‘negatief behandeladvies’, ofwel: laten sterven.’
Hebben ze later nog een kind gekregen, een gezond kind? Het antwoord verrast: ‘We hebben het nooit meer geprobeerd. We wilden het risico niet lopen dat we weer voor die keuze zouden staan.’
Echo – Maarten Slagboom (Uitgeverij Augustus, 2011). Over zwangerschapsafbreking na de 20-wekenecho, het ethische debat en het gebrek aan praktische informatie voor ouders.
‘Het is aan u. Sterkte’, zei de dokter
door Veerle Beel
‘Het komt veel voor dat mensen in uw situatie besluiten tot zwangerschapsafbreking. Veel mensen kiezen daarvoor.’ Dat is wat artsen tegen het echtpaar Slagboom zeggen als ze vaststellen dat hun ongeboren kind spina bifida en een waterhoofd heeft. En ook nog: ‘Het is aan u. Sterkte.’ De VPRO-journalist en zijn zwangere vrouw hebben zestien dagen de tijd om de knoop door te hakken.
Had u liever een duidelijk advies gekregen?
Maarten Slagboom: ‘Dat zoek je toch in elke woord van de dokter, en in elke intonatie. Je zoekt een houvast, maar dat is er niet. Binnen één aandoening zijn er zoveel gradaties mogelijk. Niemand kan zeggen op welk punt je kind zich zal bevinden.’
‘Er waren meerdere scenario’s. Zou ze sterven bij de geboorte, of zou ze alleen maar met een zware handicap door het leven moeten? Of erger nog: ze kon ook “net niet” voldoende zwaar gehandicapt zijn om in aanmerking te komen voor levensbeëindiging. Kun je een kind zo’n zwaar leven aandoen?’
Vooraf had u nochtans besloten dat elk kind welkom was, ook een kind met een handicap.
‘We gingen op het aanbod van de echo in omdat er een licht verhoogd medisch risico voor mijn vrouw was. Maar we hadden ons voorgenomen dat we de zwangerschap niet zouden afbreken, ook niet als ze iets vonden. Nu vind ik dat we toen naïef waren. Ik kan het idee nog na-voelen: je denkt alleen aan kinderen met Down en dan vooral aan die kinderen die op hoog niveau functioneren en die je op tv ziet.’
Een beslissing tot zwangerschapsafbreking: neem je die met je verstand of op basis van je emoties?
‘Het is alles dooreen. Een wirwar van argumenten en emoties raast door je hoofd. Onze gedachten dreven altijd maar heen en weer.’
‘Voor mij was het erg belangrijk dat we al een dochter hadden, en dat ook haar leven totaal zou veranderen. Ik weet niet wat we beslist zouden hebben als ze hadden gezegd: “Ze zal in een rolstoel zitten, maar verstandelijk oké zijn”. We zaten in die ene, specifieke situatie, en tot op vandaag weet ik nog altijd niet of onze beslissing goed of fout was. Ik kan me nog steeds indenken dat we haar hadden laten leven. Dat zou niet beter of slechter zijn geweest. Want het ging ook om de kwaliteit van háár toekomstige leven.’
U beschrijft het als een T-splitsing: rechtdoor kan niet meer.
‘Na een prenatale test die slecht nieuws brengt, móét je een richting kiezen. Te weinig ouders zijn zich daarvan bewust. Gewoon laten betijen kan niet meer. Ook de ouders die hun kind met een handicap geboren laten worden, zullen eeuwig blijven twijfelen of ze daar wel goed aan hebben gedaan. In beide gevallen hou je er een schuldgevoel aan over. Het is een ingewikkelde verantwoordelijkheid die je als ouder niet past.’
Het is een erg eenzame beslissing, als ik u zo hoor.
‘Je zwemt als toekomstige ouders een soort fuik in, die overigens met de beste bedoelingen is opgezet door de medische wereld, vanuit de gedachte dat de autonomie van de patiënten voorop staat. Maar die zelfbeschikking heeft ook een keerzijde. Daar hebben we het te weinig over.’
‘Het debat wordt altijd teruggebracht tot de grote ideologieën: je hebt de mensen die de zelfbeschikking verdedigen, de liberale kant. En aan de andere kant de pro life-aanhangers die schreeuwen dat abortus moord is. Je bent pro of contra, en zo scheert het publieke debat langs de echte kwestie heen.’
‘Want als je aan het einde van die fuik staat, heb je niets aan ideologieën. Heel die discussie stond mijlenver van ons af. We hadden zelfs niets meer aan ons eigen standpunt! De vraag die we wat vaker zouden moeten stellen, is deze: willen we de regie wel zelf in handen hebben? Let wel, ik ben voor. Uiteindelijk heb ik liever dat we die onmogelijke keuze moeten maken dan dat het ons overkomt. In Nederland wordt hier wel een stevig debat rond gevoerd. De 20-wekenecho wordt nog maar sinds 2007 aan iedere zwangere vrouw aangeboden. Nederland staat ten onrechte bekend als vooruitstrevend in ethische zaken. Dat komt door onze euthanasiewet. In alles wat samenhangt met de geboorte, zijn we behoorlijk terughoudend. Er is altijd een rem gezet op alles wat met prenataal testen te maken heeft. Dat vindt zijn oorsprong in de traditie van het zo min mogelijk medicaliseren van de zwangerschap, een traditie waartoe ook de thuisbevalling behoort.’
Nederland is niet vooruitstrevend, zegt u, en toch is ook het Groningen Protocol in Nederland geschreven: het bepaalt de voorwaarden waaronder artsen een pasgeborene mogen doden, als de handicap erg zwaar is.
‘Ik heb met de opsteller van het Groningen Protocol gesproken. Ik weet dat er internationaal veel protest tegen is gerezen, maar u moet het in zijn context zien: het protocol is geschreven in 2005-‘06 toen de 20-wekenecho nog niet veralgemeend was. Bij gebrek aan een veralgemeende prenatale screening, werden toen nog veel meer kinderen met een zware handicap geboren, die nauwelijks levensvatbaar waren of die een erg slechte kwaliteit van leven zouden hebben. En wat gebeurde er toen? Het Groningen Protocol zette afspraken op papier, om dat schimmige gebied af te bakenen.
Nu wordt in die gevallen meestal voor zwangerschapsafbreking gekozen. Ik heb het nagetrokken, en bij mijn weten is nog maar één kind op basis van het Groningen Protocol gedood: een baby met een zware vorm van de blarenziekte.’
Voorkomen dat kinderen met een handicap geboren worden, wat zegt dat over mensen die leven met een handicap?
‘Niets. Die twee hebben niets met elkaar te maken. Natuurlijk moet er zo goed mogelijk gezorgd worden voor mensen die om welke reden ook een handicap hebben. Dat zeggen ook nagenoeg alle voorstanders van prenataal testen met wie ik voor dit boek een gesprek voerde. Als zou blijken dat de zorg afneemt omdat we prenataal screenen, dan zou ik me echt zorgen maken. Wachtlijsten en tekorten in de zorg zouden het debat sterk vervuilen. Want dan ga je als ouders misschien een zwangerschap beëindigen omdat je denkt dat je niet genoeg hulp gaat krijgen. Gelukkig is de zorg in Nederland goed uitgebouwd.’
U laat in uw boek een politica aan het woord, van de partij van Geert Wilders, die pleit voor lijsten waarop staat welke aandoeningen in aanmerking komen voor een zwangerschapsafbreking: dát wel en dát niet.
‘Zo’n lijst kan natuurlijk niet. Je kunt niet voor een ander gaan beslissen welk leven draaglijk is en wel niet. Elke ouder in onze situatie wil het natuurlijk wel graag horen: zal dit leven de moeite waard zijn? Of zal dit kind mij later verwijten dat het geboren is? Niemand kan je dat vertellen. Keuzevrijheid voor ouders is uiteindelijk de enige reële mogelijkheid om met dit complexe onderwerp om te gaan. Zolang ouders maar écht kunnen kiezen, en nooit een keuze opgedrongen krijgen.’
In Nederland wonnen de ouders van de zwaar gehandicapte Kelly een zogenaamde ‘wrongful life’-zaak.
‘Zij hadden de verloskundige gemeld dat er iemand met een zware aangeboren aandoening in de familie was, maar die had het niet nodig geacht om een prenatale test uit te voeren. De zaak heeft lang aangesleept.Kelly’s ouders hebben een belangrijke strijd gevoerd, want het arrest van de Hoge Raad in 2005 heeft erop gewezen dat het een recht is om prenataal onderzoek te ondergaan, ook voor vrouwen onder de 36, wat bij ons in Nederland toen nog niet vanzelfsprekend was, en dat je het recht hebt om gevolg te geven aan de resultaten van zo’n test.’
Ondertussen zeiden de ouders in interviews wel dat ze haar niet meer zouden kunnen missen. Begrijpt u dat?
‘Ja, natuurlijk konden ze haar niet meer missen. Je houdt van je eigen kind – ook als het er heel erg aan toe is. De zaak-Kelly draaide niet om het al bestaande leven, maar om de vraag of je een leven vol lijden mag voorkomen. Het is misschien lastig om dat onderscheid te maken, maar het is wel belangrijk.’
De Vlaming Gie Van den Berghe, in uw boek, spreekt over privé-eugenetica. Wat vindt u daarvan?
‘Hij juicht de medische vooruitgang toe en vindt dat ouders de plicht hebben om vermijdbaar leed níét op de wereld te zetten. Hij vind het zelfs schandalig als ouders nu nog bewust een kind met een handicap geboren laten worden. Ik snap zijn redenering, maar heb het lastig met zijn woordkeuze. Het is niet prettig om geassocieerd te worden met een tijd waarin de staat aan eugenetica deed. Wij, individuele ouders, staan er helemaal alleen voor en dat maakt ons heel kwetsbaar.’
‘Ik kon me tegelijk goed inleven in het standpunt van Pierre Mertens, ook een Vlaming en vader van een dochter met spina bifida die al overleden is. Mertens is tegen prenataal testen en hij is vooral heel blij dat hij nooit voor de keuze heeft gestaan. Hij heeft voor zijn dochter gevochten als een leeuw. Dat zou ik in zijn geval ook hebben gedaan, kan ik me voorstellen. Ik kon me bij elk van mijn gesprekspartners iets voorstellen: ja, verrek, zo is het! Tot ik de hoek om was…’
Er zijn geen zekerheden meer voor wie iets zoiets ingrijpends meemaakt als u.
‘Er is geen zwart of wit meer. Er zijn alleen nog grijstinten en nuances. Ik ben elke stelligheid kwijt. Ik merk het ook in mijn werk, dat ik ferme uitspraken mijd en huiver bij alles wat naar pamfletten neigt. Wij hebben ons gewaagd aan iets wat zich niet in een standpunt laat vangen.’
Iets wat vaak ook een beetje weggemoffeld wordt, zegt u. Is het daarom dat u ook over de bevalling hebt geschreven?
‘Ik wilde de lezer de afloop niet onthouden. Het is wel degelijk een bevalling. Je haalt het kind niet zomaar even weg, zoals men gewoonlijk zegt. Ze bewoog al in de buik, ze leefde al in ons gezin, en in ons hoofd. Het was een klein mensje met alles erop en eraan. Een kind dat niet ademde, maar dat we even in de armen hebben gehouden en dat van ons daar, op dat moment, voor de tweede keer ouders heeft gemaakt.’
Uw vrouw heeft de zwangerschap mentaal ‘uitgedragen’: ze wilde niets anders doen voor de volle veertig weken om waren. U, als man, hoe keek u daarnaar?
‘Dat was voor mij natuurlijk anders, maar ik begreep het wel. Het was iets wat ze moest doen. Een kleine, stille ode van haar aan onze dochter.’
Maarten Slagboom, ‘Echo, prenataal onderzoek en keuzevrijheid’, Augustus, 255 blz.
Beluister hier het gesprek met Funda Müjde in Dichtbij Nederland (NTR, Radio 5):
Beluister hier het gesprek met Clairy Polak in Met het oog op morgen (NOS, Radio 1):
‘Wat je ook kiest, je hebt levenslang’
door Martine Boelsma, verschenen in Algemeen Dagblad op 26 februari 2011
Ze dachten te weten hoe het leven in elkaar zat. Maarten Slagboom en zijn vrouw, dertigers en in blijde verwachting van hun tweede kind. Tot de 20-weken echo een ernstige handicap aan het licht bracht.
Hun kind was gewenst. Het maakte al bijna deel uit van het gezin. ‘Met twintig weken voelt een vrouw natuurlijk al volop beweging, en als man leg je dan braaf je hand op haar buik en voel je mee. Ook onze dochter vond het geweldig. We verheugden ons alledrie op de komst van de nieuwe baby.’
Journalist Maarten Slagboom en zijn vrouw kregen met 20 weken een echo aangeboden. ‘Dat was toen nog niet standaard. We zouden er zelf ook niet voor hebben gekozen, maar de echo werd ons aanbevolen vanwege een verhoogd risico op zwangerschapsdiabetes.’ Over de consequenties hadden ze nagedacht: ook een kindje met een aandoening was welkom. ‘We hadden zo onze mening over ouders die tot een abortus besluiten als er wat met het kind aan de hand is. Daarbij dachten we voornamelijk aan het Down-syndroom. Zo’n kind kan toch een waardevol leven leiden? We zijn vóór een vrije keuze, maar zelf zouden we een andere afweging maken. Dachten we.’ Uit de echo blijkt dat de baby een meisje is. En dat er iets mis is. Ernstig mis. Het meisje heeft een open ruggetje (spina bifida) en een waterhoofd. Ze zal meervoudig gehandicapt ter wereld komen. Zelfs in het gunstigste geval zal ze haar onderlichaam niet kunnen gebruiken. Ze zal hoogstwaarschijnlijk incontinent blijven. Door de toenemende vochtophoping in haar hoofd, zal de hersenschade alleen maar toenemen. De vraag is of ze überhaupt zal blijven leven.
Het paar betreedt een onbekende, donkere wereld. Een wereld waarin ze moeten beslissen over het leven van hun eigen dochter. Drie weken krijgen ze. Daarna is abortus wettelijk niet meer toegestaan. ‘Ineens blijkt dat alles wat je altijd dacht en vond, niet meer van toepassing is. Ik had altijd mijn oordeel klaar; was stellig in mijn meningen. Maar als je zelf in deze situatie komt, is niets meer zeker.’ Ze verlangden naar hun kind, maar was het wel zo nobel als het leek om haar geboren te laten worden? ‘Haar wachtte zeer waarschijnlijk een leven vol pijn, angst en stress. Ziekenhuisopnames, operaties, nooit zelfstandig worden, nooit kunnen lopen, altijd afhankelijk zijn van anderen. Ook dachten we aan onze andere dochter. Konden we het haar aandoen om ineens al onze tijd en aandacht aan een zwaar gehandicapt zusje te geven? En konden we het zelf eigenlijk wel aan?’ Zij neigde naar: ja. Hij stond achter haar. Maar ja werd nee, en nee werd weer ja. En uiteindelijk, na dagen en nachten van praten, huilen, wakker liggen en vol twijfel: nee. ‘We hebben die dagen geleefd in een cocon van verdriet en eenzaamheid. Je krijgt ineens geen adviezen meer. Artsen nemen afstand en zeggen: het is úw besluit. Na al die begeleiding, al die screenings, al die gesprekken die je als aanstaande ouders krijgt, sta je plotseling volledig alleen. Het is alsof je in een fuik bent gelopen. Die prachtige verworvenheden van de medische wetenschap, monden uit in een keuze die geen ouder zou hoeven moeten maken. Vroeger was een ernstig gehandicapt kind iets wat je overkwam. Door de technologie is het nu iets waar je willens en wetens voor kiest. Dat is voor een ouder een onmogelijke positie. Je weet: wat je ook kiest, je hebt levenslang.’ Het is niet vergelijkbaar met een ‘gewone’ abortus, vindt Slagboom. ‘Bij abortus weiger je een zwangerschap. Meestal als die nog heel pril is. Wij wilden een kind, maar konden we het maken om dit kind het leven aan te doen?’ Een ander belangrijk verschil: ‘Een zwangerschap van 24 weken kun je niet zomaar afbreken. Het kindje is al te groot. Er moet een bevalling worden opgewekt. Daar moet je dus ook nog doorheen, het kan niet anders.’ De bevalling was, hoe vreemd dat ook klinkt, een mooie dag. ‘Je wordt toch voor de tweede keer ouder. Je ziet haar geboren worden. Je mag haar vasthouden, wassen, bekijken. Het is heel verwarrend. En voor anderen ook moeilijk te begrijpen. Dat je ook in deze situatie rouwt om je kind.’
Sinds begin 2007 krijgt elke zwangere standaard een 20-wekenecho aangeboden. Het aantal zwangerschapsafbrekingen tussen de 20ste en de 24ste week is sindsdien verdubbeld. Maarten Slagboom, journalist, schreef het boek Echo over de vraag welke ontwikkelingen ertoe hebben geleid dat ouders steeds vaker in de situatie worden gebracht dat ze moeten beslissen over het leven van hun kind. Hij vraagt zich af: Moeten we wel zo blij zijn de steeds verder voortschrijdende prenatale screening? Wat zijn de gevolgen van dit soort keuzevrijheid?
Zijn boek neemt de lezer mee langs tal van ontwikkelingen die ons hebben gebracht waar we nu zijn. De medische wetenschap, die steeds betere technieken ontwikkelt om voor de geboorte afwijkingen op te sporen. Artsen, die gedreven zijn om onnodig lijden te voorkomen. Ouders die het beste willen, zonder te beseffen wat hen aan keuzes te wachten staat. Politici die soms dwarsliggen (zoals bij de invoering van de combinatietest rond 12 weken), maar dan ineens weer terloops een ingrijpende nieuwe test goedkeuren: de 20-wekenecho. Ook praat Slagboom met mensen die een gehandicapt kind wél ter wereld lieten komen, en met gehandicapten zelf. ‘Mijn boek is niet therapeutisch bedoeld, maar het heeft me toch geholpen om te begrijpen wat ons is overkomen. En het heeft me in bepaalde opzichten ook gerustgesteld. Ik had bijvoorbeeld het gevoel dat we afstevenden op een maatschappij waarin geen plaats meer is voor gehandicapten, maar dat is niet zo. Er zijn allerlei parallelle ontwikkelingen. Veel oudere moeders kiezen juist niet voor prenatale screening, omdat ze hun laatste kans op een kind niet verloren willen laten gaan. Daardoor worden er weer meer kinderen met het syndroom van Down geboren.’
De wettelijke grens waarop een vrouw nog abortus mag plegen, ligt op 24 weken. De christelijke partijen en de PVV willen deze grens ter discussie stellen. Vooral omdat artsen er steeds vaker in slagen om te vroeg geborenen van 24 weken in leven te houden. Het argument is dat het onethisch is om kinderen die kennelijk levensvatbaar zijn, te aborteren. Maarten Slagboom betreurt dat deze discussie zo gepolariseerd is. ‘Het is altijd pro life (tegen abortus) versus pro choice (voor een vrije keuze). Maar daar gaat het niet om. Het in leven houden van te vroeg geborenen en abortussen na prenatale screening: het zijn de keerzijden van dezelfde medaille. Het is de voortschrijdende medische techniek die ons met allerlei nieuwe dilemma’s opzadelt. De helft van de baby’s die met 24 weken levend worden geboren, overlijdt alsnog. Van de overlevenden raakt de helft ernstig gehandicapt. Moet je willen dat artsen deze baby’tjes er doorheen slepen of moet je de natuur zijn gang laten gaan? Het is uiteindelijk precies dezelfde onmogelijke vraag als waar ouders mee worstelen die tijdens de zwangerschap al weten dat hun kind gehandicapt zal zijn’.
Het is nu bijna vijf jaar geleden. Maar de beslissing die hij en zijn vrouw moesten nemen dreunt nog altijd na. ‘De impact is heel groot. Als ik de keuze nog een keer zou moeten maken, zou ik het precies even moeilijk vinden. We weten nu nog steeds niet of we het juiste hebben gedaan. Wel zijn we nu inmiddels zo ver dat we er vrede me hebben dat we dat nooit zullen weten. Meer kun je misschien ook niet verwachten.’ Over de vraag in zijn boek of we nu blij moeten zijn met prenatale diagnostiek en keuzevrijheid, zegt hij: ‘Uiteindelijk denk ik toch van wel. Maar we zouden veel beter moeten beseffen wat de keerzijde is.’ Hun leven is nu opgedeeld in vóór en ná. ‘Alles is veranderd. Ik ga er niet meer vanuit, zoals vroeger, dat het onheil aan ons voorbij zal gaan. Als ik ineens ernstig ziek zou blijken te zijn, dan zou ik daar niet van schrikken. Ik sta nergens meer van te kijken. Ook naar anderen toe, ben ik veranderd. Vroeger had ik mijn oordeel altijd snel klaar: dit deugt wel en dat deugt niet. Maar je weet nooit wat iemand doormaakt, wat iemand beweegt. Er zitten altijd meer kanten aan een verhaal.’
Het boek Echo. Prenataal onderzoek en keuzevrijheid verscheen bij uitgeverij Augustus.
PVV heeft een standpunt over abortus, en toch ook weer niet
door Jan Hoedeman, verschenen in De Volkskrant op 10 februari 2011
DEN HAAG – De verwarring groeit over het abortusstandpunt van de PVV. De partij weigert al weken te reageren op het CDA-plan om de abortusregels aan te scherpen. Woensdag leek er een PVV-standpunt te zijn, maar dat werd prompt ingetrokken.
In het woensdag verschenen boek Echo, prenataal onderzoek en keuzevrijheid van journalist Maarten Slagboom zegt PVV-Kamerlid Karen Gerbrands dat het niet langer de vrouw zelf moet zijn die bepaalt of er abortus nodig is, maar haar arts. Gerbrands vindt dat de beroepsgroep criteria moet formuleren op basis waarvan abortus mag.
Gerbrands: ‘Artsen zouden een lijst moeten opstellen. Als ouders dan horen dat hun kind geen aandoening heeft die ernstig genoeg is voor abortus, dan hebben ze gewoon voor hun kind te zorgen. Zelfbeschikking is mooi, maar verantwoordelijkheid ook. Het moet duidelijk zijn wat we als geldige noodsituatie beschouwen en wat niet.’
Volgens Gerbrands is een zwaar gehandicapt kind niet per definitie reden voor abortus. ‘Het is niet leuk, maar er zijn genoeg gehandicapte kinderen die best een goed leven hebben. Het criterium moet zijn: kan het kind een leven zonder al te veel pijn en ellende leiden?’ Het begrip ‘noodsituatie’ moet ingeperkt, meent Gerbrands. Dat begrip is er nu dertig jaar: na een strijd tussen CDA en VVD kwam in 1981 de Abortuswet tot stand. Daarin is de vrouw de bepalende factor.
Slagbooms uitgeverij Augustus maakte Gerbrands’ standpunt woensdag wereldkundig via een persbericht. Dat leidde prompt tot een telefoontje van Gerbrands naar de uitgever. Publiciteitsmedewerkster Rianne Blaakmeer: ‘Het komt erop neer dat zij nu zegt dat zij dit niet zo heeft gezegd.’ Later stuurde de PVV een persbericht: ‘Er is nog geen fractiestandpunt ingenomen, laat staan dat we een wetswijziging voorstellen’, aldus Gerbrands.
Auteur Slagboom: ‘Gerbrands zei dat de PVV nog een standpunt moet innemen, maar ze sprak vrijuit over haar opvattingen.’ Wat vindt hij van de stelling van Gerbrands dat ze onjuist is geciteerd? Dat verwerpt hij. Hij laat het op band opgenomen interviewfragment horen dat Gerbrands als onjuist typeerde. Na beluistering is er geen andere conclusie mogelijk: het PVV-Kamerlid is correct geciteerd.
Over de uitspraken van PVV-Kamerlid Gerbrands in Echo werd ook bericht in onder meer Trouw, NRC Handelsblad, het Reformatorisch Dagblad en Opzij.
Reageren kan onderaan de pagina.
Uw mailadres wordt niet gepubliceerd.

Dankzij de echo worden er minder levens beëindigd
Maarten Slagboom
Het CDA wil abortus beperken tot de eerste 22 weken van de zwangerschap in plaats van de huidige 24 en vindt daarbij de ChristenUnie en de PVV aan zijn zijde. Aanleiding is een nieuwe richtlijn van kinderartsen die stelt dat extreem vroeggeboren baby’s al vanaf 24 weken actief in leven gehouden kunnen worden. Daarmee komen de abortusgrens en het moment waarop de foetus levensvatbaar wordt geacht vrijwel gelijk te liggen. Hoewel levensvatbaarheid in dit verband een relatief begrip is – het overgrote deel van de baby’s sterft alsnog of gaat ernstig gehandicapt door het leven – is het een legitieme aanleiding om nog eens goed naar de ontstane praktijk te kijken.
Zolang ouders voldoende tijd krijgen om een weloverwogen besluit te nemen op basis van zoveel mogelijk informatie is het ook helemaal niet erg als de praktijk wordt aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Maar het huidige gesteggel over de abortusgrens gaat geheel voorbij aan de onderliggende motieven. De ChristenUnie, de SGP en de PVV hebben – anders dan het CDA – namelijk al veel vaker voorgesteld die abortustermijn te vervroegen, ook toen er helemaal nog geen sprake was van vervroegde levensvatbaarheid.
Nog geen jaar geleden vormde een onderzoek van TNO Preventie & Zorg, waarin een toename van late abortussen werd gesignaleerd sinds het invoeren van de 20 wekenecho, aanleiding voor een vergelijkbaar pleidooi: het vervroegen van de abortusgrens, liefst naar 18 weken of nog eerder. De aanleiding verschilt steeds, maar het achterliggende doel is telkens hetzelfde: zwangerschappen moeten niet langer worden afgebroken omwille van een ernstige aandoening.
Het CDA houdt zich doorgaans opvallend op de vlakte. Noodgedwongen heeft die partij zich in het abortusdebat de voorbije decennia soms pragmatisch moeten opstellen, al was het maar omdat ze zelf mede-verantwoordelijk is voor de Abortuswet, dertig jaar geleden een moeizaam tot stand gekomen compromis tussen het CDA en de VVD, en ook deel uitmaakte van het kabinet Balkenende III dat zonder noemenswaardige discussie de 20 weken-echo invoerde.
Politici zouden misschien nog eens kritisch kunnen terugblikken op het invoeren van die 20 wekenecho. Terwijl er over bloedtesten zoals de combinatietest jarenlang is gesteggeld – bijvoorbeeld omdat het de zwangerschap onnodig zou medicaliseren – werd de 20 wekenecho in januari 2007 vrijwel voetstoots ingevoerd. Ook in retrospectief verbazen vriend en vijand zich erover dat er nauwelijks maatschappelijk debat is geweest. Uit de vele gesprekken die ik voor mijn boek Echo heb gevoerd rijst het beeld op van een ontwikkeling die niet te stoppen was.
CDA-politici erkennen dat het ontbreken van noemenswaardig verzet van hun kant was ingegeven door realiteitsbesef. Nederland, decennialang uiterst terughoudend op het vlak van prenatale screening, was begin deze eeuw een van de weinige Europese landen waar het nog geen praktijk was om zwangeren minimaal één keer een echo aan te bieden. In 2003 bleek bovendien uit onderzoek dat de sterftecijfers rond de geboorte in ons land schrikbarend hoog waren. Minstens zo belangrijk was dat de echo intussen in rap tempo gemeengoed was geworden, mede dankzij de opmars van commerciële bedrijfjes die pretecho’s aanboden. Een echo werd in de beleving in de eerste plaats een feestelijke gebeurtenis, bedoeld om alvast een band met je kind te krijgen. Van dat breed gedeelde sentiment konden medisch specialisten en beleidsmakers dankbaar gebruik maken. Ze sloegen twee vliegen in een klap: de wildgroei aan pret-echo’s werd in goede banen geleid, en er was meteen een instrument waarmee iedere zwangere structureel gescreend kon worden.
Een van de redenen om de 20 wekenecho in te voeren was nu juist om het aantal extreem late abortussen (na de 24e week) en levensbeëindigingen van ernstig zieke pasgeborenen baby’s te doen dalen. Dat is gelukt. Nu veel van de aandoeningen die leiden tot een ernstig gehandicapt leven al gedetecteerd worden vóór de foetus levensvatbaar is, vinden nauwelijks meer zwangerschapsafbrekingen plaats na de 24e week. Niemand is erbij gebaat als we terugkeren naar de praktijk van voor de echo. Dan tonen de statistieken straks weliswaar weer lagere abortuscijfers, maar schieten de sterftecijfers van pasgeborenen weer omhoog en gaan artsen in voorkomende gevallen over op levensbeëindiging van pasgeborenen. Veelal in het geniep, uit angst voor de strafrechter. Daarom getuigt het huidige debat over het verlagen van de abortusgrens van struisvogelpolitiek.
Medici, wetenschappers en politici hebben gezamenlijk beleid gecreëerd waarin keuzevrijheid van ouders het adagium is. Dat leidt, kan ik uit eigen ervaring vertellen, tot ingewikkelde situaties. Vijf jaar geleden stonden mijn vrouw en ik voor de keuze of we de zwangerschap wilden voortzetten toen bleek dat ons kind meervoudig gehandicapt geboren zou worden. De zwangerschap werd na weken van twijfel afgebroken, maar de vragen bleven. Waar je vroeger een ernstig gehandicapt kind met pijn en moeite wist te aanvaarden omdat het je overkwam, heb je nu als ouder voor dat leven gekózen. Ik kan daar kritisch over zijn, en dat ben ik ook, maar tegelijkertijd bekruipt mij aldoor de vraag: wat is het alternatief? Tenzij we de voortschrijdende technologie volstrekt negeren zijn alle denkbare alternatieven op z’n minst gebrekkig te noemen. Ofwel we leven verder met de illusie dan we in dit leven een regierol kunnen hebben, ofwel we draaien de klok terug en aanvaarden lijdzaam wat het lot voor ons in petto heeft. Geen van beide is een lonkend perspectief.
De ironie is dat juist nieuwe technologie op het gebied van prenataal onderzoek mogelijk uitkomst kan bieden. Aan de ene kant zie je dat nieuwe bevruchtingstechnieken, vaak toegepast op een leeftijd waarop de biologische klok al is uitgetikt, de acceptatie van ernstige handicaps juist kunnen doen toenemen. Het feit dat het gaat om je enige en laatste kans op een kind kan de bereidheid om ernstige aandoeningen te accepteren beïnvloeden. Tegelijkertijd breiden de mogelijkheden voor prenataal onderzoek zich in rap tempo uit. Met de introductie van zogeheten preconceptie-testen, waarbij ouders met een kinderwens getest worden op het dragerschap van een ziekte, zullen ouders in de nabije toekomst vaker voor de vraag komen te staan of ze überhaupt wel aan een zwangerschap willen beginnen. Maar ook de mogelijkheden om te speuren naar aandoeningen tijdens de zwangerschap dijen steeds verder uit. Over enkele jaren kan de foetus vermoedelijk getest worden via DNA-analyse van het bloed van de moeder, er komen whole genome-testen voor zwangeren en er wordt gezocht naar mogelijkheden om een twaalfweken-echo in te voeren die een deel van de ernstige aandoeningen die nu pas bij 20 weken aan het licht komen al kan detecteren. Hoewel al die nieuwe tests als ze beschikbaar komen weer nieuwe morele en medische vragen oproepen, hebben ze op voorhand zonder uitzondering één groot voordeel: ze kunnen in een veel vroeger stadium tijdens de zwangerschap plaatshebben. Zolang niemand verplicht wordt al die tests te ondergaan, laat staan vervolgens een keuze wordt opgedrongen, is iedere ouder die voor het ingewikkelde dilemma van een zwangerschapsafbreking wordt geplaatst daarbij in ieder geval gebaat. Tot het zover is zouden we er goed aan doen ouders die voor een haast onmogelijke keus staan niet verder onder druk te zetten.
VPRO Thema: Iedereen depressief
Wie op zoek gaat naar boeken over depressie van ervaringsdeskundigen heeft inmiddels een ruime keus. Hoogleraar Franse letterkunde Maarten van Buuren beschreef zijn depressie in Kikker gaat fietsen!, psychiater J.C. Kuiper de zijne in Ver heen en eerder dit jaar voegde cabaretier Mike Boddé zich in het rijtje met zijn boek Pil. In Pil refereert Boddé op zijn beurt aan een boek van iemand die hem jaren geleden voorging, Jaap Berend Bakker. Het gaat om Krachtmeting uit 1995, een nauwkeurig en indrukwekkend verslag van de depressie die Bakker als student medicijnen gedurende vijf jaar doormaakte. Het werd indertijd geprezen omdat het depressie uit de taboesfeer haalde. Hoe is het Bakker sindsdien vergaan?
Jaap Bakker: ‘Na het schrijven van Krachtmeting dacht ik dat ik hersteld was. Ik had een soort opleving, door de aandacht die de publicatie van het boek met zich mee bracht. De interviews, de lezingen. Achteraf denk ik: hoe bestáát het dat ik toen gedacht heb dat het over was? Het ergste moest toen nog komen. Toen ik 18 was ging ik geneeskunde studeren. Omdat ik ik Nederland was uitgeloot volgde ik de studie in Leuven. Tijdens mijn tweede studiejaar stak de depressie de kop op. Achteraf had ik eigenlijk toen gelijk opgenomen moeten worden. Het was een inktzwarte tijd. Mijn ouders zeiden op een gegeven moment: zou je je verhaal niet eens opschrijven? Ik weet niet eens meer precies hoe, maar op de een of andere manier kwam het bij uitgeefster Eva Cossee van Ambo terecht. Zij wilde het uitgeven. Het nam me eerlijk gezegd allemaal een beetje op sleeptouw. Ik ben daarna weer bij m’n ouders gaan wonen. 27 was ik. De depressie die volgde toen de aandacht voor m’n boek was weggeëbd, was vele malen erger dan de depressie waarover ik mijn boek schreef. Ik was er op zeker moment zo beroerd aan toe dat ik in het Dijkzigt Zekenhuis werd opgenomen op de psychiatrische afdeling, waar het hele medicijnenprotocol over mij werd uitgerold. Daarna kreeg ik ECT-behandelingen. Die hielpen. Ik heb altijd de schijn kunnen wekken dat ik gewoon door kon met mijn leven. Ook tijdens mijn eerste gesprek bij de psychiater in Leuven. Ik liet toen niet het achterste van mijn tong zien, maar achteraf vind ik ook dat mijn psychiater zich indertijd veel assertiever had moeten opstellen. Hij had veel meer door moeten vragen, veel meer op andere signalen letten. Als ik tòen was opgenomen, had het waarschijnlijk niet zo ernstig en zo langdurend hoeven zijn.
Ik voelde me al anders sinds m’n middelbare schooltijd. Was een beetje teruggetrokken, maar behaalde goede schoolresultaten. Het lastige is dat je omgeving je gedrag wijt aan je puberteit, terwijl bij mij zich achteraf toen al geleidelijk een depressie aankondigde. Daarvoor was ik opgewekt, alles ging vanzelf, ook met vriendjes. Hoewel er geen aanwijsbare aanleiding was, ging het ineens achteruit. Ja, in mijn familie aan mijn moeders kant komt het vaker voor. Ik ben uiteindelijk vijf keer opgenomen geweest. Meestal gepaard aan ECT-behandelingen. De laatste opname was in 2006. Nu gebruik ik alleen nog medicatie, die ik afbouw. De afgelopen jaren heb ik een eigen zaak opgezet, in samenwerking met het Erasmus Medisch Centrum. Ik ben ZZP’ er. Projectmanagement. Omdat de psychiater met wie ik werk bezig is met psychiatrie en zwangerschap, is dat ook mijn terrein geworden. Ik heb tussen de depressies door zo toch een soort arbeidsverleden op kunnen bouwen. Ik ben intercedent geweest bij Randstad, ik heb bij Vopak gewerkt, en bij het basisberaad Rijnmond in Rotterdam. Het is een wrang idee dat ik, als ik niet depressief was geworden, nu arts was geweest. Mijn WAO-uitkering breid ik uit of laat ik inkrimpen al naar gelang mijn situatie het toelaat. Op het moment ben ik voor tachtig procent afgekeurd. Ik moet weer erg oppassen. Ik belast mezelf snel te veel. Op het moment werk ik helemaal niet. Ik lees veel. Romans. Hemingway, thrillers. Die belangstelling heb ik wel. Ik trek redelijk veel op met familie en vrienden. Het eerste waaraan ik merk dat het niet goed met me gaat is de afname van concentratie, en gespannenheid. Ook sluipen er snel negatieve gedachten binnen, over mezelf maar ook over m’n omgeving, ik wantrouw dan iedereen en ga er voortdurend vanuit dat ze achter m’n rug om van allerlei vervelends over me zeggen. Ik heb wel vriendinnen gehad, maar ik heb op dit moment geen relatie. Ik zou dat wel graag willen, ik ben er wel mee bezig. Ik bedoel, ik spreek wel vrouwen. Ik heb een abonnementskaart voor Feyenoord, ik ben lid van een kegelclub; ik heb, mag ik wel zeggen, een rijk sociaal leven. Natuurlijk onderdruk ik vaak de neiging om afspraken af te zeggen, niet mee te doen. Maar ik ben achteraf heel blij dat ik daar meestal weerstand aan heb weten te bieden. Ik heb toch altijd zo veel mogelijk mee gedaan. Fascinerend vind ik dat zelf. Hoe doodziek ik ook was, kennelijk behield ik altijd een eigen persoonlijkheid. Ik heb in wezen geen enkele reden om depressief te zijn. Nooit gehad. Dat maakt me wel woedend. Wat zèg ik, het is onuitstaanbaar. Nadenken over de toekomst doe ik niet echt, ik leef van dag tot dag. Als je me vraagt wat ik zou willen zou ik wel zeggen: ik hoop nog eens een vrouw te vinden, en ik zou ook wel kinderen willen hebben. Maar ik leef ook met, en ben bang voor, mijn gevaarlijke vijand. Een vijand die verraderlijk is. In december ging het goed, maar toen ik te veel hooi op m’n vork nam ging het snel weer mis. Ik moet nog voorzichtiger zijn, nog meer tijd uittrekken. Voor je het weet hapert het mechaniek weer.’ Een paar maanden na bovenstaand gesprek blijkt dat het mechaniek helaas inderdaad weer hapert. Bakker, die het manuscript van het vervolg op Krachtmeting ‘al een tijd’ klaar heeft liggen, laat me weten: ‘Ik ben inmiddels zes keer opgenomen geweest en ik gebruik ook weer braaf mijn lithium. Ik zal het nu echt voor lange tijd heel rustig aan zal moeten doen, een bestaan zonder tijdsdruk en verantwoordelijkheden.’
Er is nauwelijks media-aandacht voor geweest, maar in de schijnbare luwte boekten een aantal vrijgevestigde psychiaters deze zomer een kleine overwinning op de aantasting van de privacy. Althans, daar leek het op, want sinds de rechter begin augustus uitspraak deed in hun zaak tegen de Nederlandse Zorgautoriteit en de psychiaters op vrijwel alle punten in het gelijk stelde, is de praktijk nauwelijks veranderd. Zegt Kaspar Mengelberg, een van de psychiaters van De Vrije Psych die zich de afgelopen jaren opwierpen in de strijd tegen schending van de privacy en het beroepsgeheim. De Nederlandse Zorgautoriteit, in de ogen van de psychiaters verantwoordelijk voor de ‘gedwongen’ privacy-schendingen, beraadt zich momenteel op ‘een nieuwe belangenafweging’.
In februari spraken we Kaspar Mengelberg voor het eerst. Het stelsel waar hij en een aantal van zijn collega’s zich tegen richten is het zogenaamde DBC-stelsel. DBC’s zijn zogeheten diagnose-behandel-combinaties, waarmee bedoeld wordt: unieke codes die passen bij specifieke diagnoses en behandelingen. In het kader van de nieuwe financiering in de zorg, die gericht is meer transparantie, moet iedere behandelaar die code op zijn factuur vermelden. Niemand uitgezonderd. Ook niet de psychiater die patienten behandelt vanwege hun depressie, schizofrenie, seksverslaving of wat dan ook. ‘De DBC-regelving is een dwangvoorschrift van de overheid,’ zei Mengelberg toen beslist. ‘De Nederlandse Zorgautoriteit staat geen uitzondering toe, bij niemand. Door ook de dwang op te leggen aan mensen die zèlf betalen en dus buiten de zorgverzekering vallen laat de bureaucratische staat zich van haar meest totalitaire kant zien. Het is echt een machtskwestie.
Als psychiaters die weigeren de DBC-codes door te geven kunnen wij vervolgd worden. En dan te bedenken dat zorgverzekaars zelf in grote lijnen beamen dat het eigenlijk niet nodig is – daarover hebben we tot op het hoogste niveau contact gehad. Wij worden gedwongen het beroepsgeheim te schenden. Het verweer is altijd: de registratie – met postcode, geboortejaar, geslacht – wordt op de elektronische snelweg gepseudonimiseerd. Ieder individu krijgt een uniek pseudoniem, en het valt niet meer terug te vertalen in een persoon. Daar heb ik grote scepsis over, al was het maar omdat het Collage Bescherming Persoonsgegevens, de privacywaakhond in Nederland, in een brief aan het ministerie te verstaan heeft gegeven dat er één instantie de sleutel zou krijgen om de gepseudonimiseerde gegevens uit de centrale database terug te vertalen in echte gegevens, namelijk het CBS (het Centraal Bureau voor de Statistiek). Waarmee werd beaamd dat het kán. En als het kán, dan gebeurt het. Domweg omdat het gegevens zijn waar veel mensen belang bij kunnen hebben. Gegevens kunnen uitlekken, en zo niet alleen bij de overheid terecht komen, maar ook bij criminelen en bij particulieren die met de gegevens aan de haal kunnen gaan. Denk aan iemand die gescheiden heeft, er is een conflict over zeggenschap over de kinderen, die te weten kan komen dat haar partner een psychiatrische aandoening heeft. Je kunt chantabel zijn. Die gegevens kunnen in sommige gevallen veel geld waard zijn. In de psychiatrische zorg hebben we altijd met eigenaardigheden te maken van mensen, die vaak beschamend zijn. Precies daarom moeten wij patiënten kunnen beloven dat alles binnenskamers blijft. Dat kunnen we niet meer, omdat we economisch gedwongen worden aan het systeem mee te werken. Er woedt daarom volop discussie in de beroepsgroep: het kost je de kop als je er niet aan meewerkt. In mijn geval betekent dat dat ik sinds augustus 2008 geen rekening meer heb geschreven. Ik heb dus geen inkomen. Er is geen legale manier om het systeem te omzeilen. Beroepsverenigingen zijn alle schoorvoetend overstag gegaan. Het is in Nederland dus niet meer mogelijk je in volle discretie tot een psychiater te richten. Ik heb biujvoorbeeld te maken met eerste generatie vervolgingsslachtoffers van de oorlog. Die bij het woord registratie al gek worden. Die moet ik dan gaan vertellen dat het mijn plicht is om hu gegevens te registeren? We riskeren dat we vervolgd worden voor economische delinquentie. Ik verdom het hier aan mee te werken. Het is mijn professionele existentie, een deel van mézelf, m’n roeping om dit werk te doen, kortom, de grondvesten van m’n bestaan staan op het spel. Er zijn al collega’s die de praktijk om deze reden gesloten hebben.’
Uitspraak
Toen de bezwaren door de Nederlandse Zorgautoriteit werden afgewezen, besloten de psychiaters in beroep te gaan bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. 2 augustus deed de rechter uitspraak. Het standpunt van de psychiaters inzake de privacy van de patiënt, en het beroepsgeheim, wordt door het college onderschreven. De verplichting om diagnose-informatie op de declaratie te vermelden is voor vrijgevestigde psychiaters en psychotherapeuten is geschorst.
Op een punt stelt de rechter de psychiaters niet in het gelijk, dat wil zeggen: het college heeft geen uitspraak willen doen over hun bezwaren tegen aanlevering van DBC-registraties aan DIS, de centrale database. Volgens het college bestaat er ‘geen verband tussen het besluit over de tariefstructuur, waartegen de psychiaters zijn opgekomen, en de verplichting informatie aan het DIS te leveren’.
Jan Swinkels, psychiater en bijzonder hoog-leraar richtlijnontwikkeling in de gezondheidszorg aan de UvA, stond aan de wieg van het DBC-systeem in de geestelijke gezondheidszorg. Transparantie in de zorg is zijn devies. ‘Het oude systeem was failliet: er was geen enkele relatie tussen prijs en behandeling,’ licht hij toe in een interview. ‘In opdracht van het ministerie van VWS heb ik met een denktank onderzocht of het mogelijk was DBC’s in te voeren in de geestelijke gezondheidszorg. In de somatiek waren ze er al. Inmiddels zijn er 215 productgroepen die aangeven wat behandelaren en verpleegkundigen in de GGZ doen. Ook emoties kun je in schema’s vatten. De psychiatrie is niet vager dan de somatische geneeskunde. Met de productgroepen kunnen we precies zien wat een behandelaar doet.’ De privacykritiek van psychiaters wuift Swinkels weg: ‘Je kunt de wereld indelen in twee groepen. Tachtig procent bestaat uit de goedgelovige mensen, die lijden aan pronoia. De overige twintig procent lijdt aan paranoia, dat zijn de achterdochtigen. En die hoor je steeds in dit soort kwesties. Ook psychiatrische patienten lijden toch gewoon aan een ziekte? Mensen hebben het recht om ziek te zijn, ook psychisch. Ik wil echt niet meer horen: de patiënt is ziek want hij heeft verdrongen dat hij homo is, maar ik kan het niet opschrijven vanwege zijn vrouw en kinderen. Ik ga niet mee in de idiotie om psychische ziekten totaal geheim te houden. En niemand vertelt het toch aan je werkgever? De zorgverzekeraar krijgt alleen de diagnose, namelijk dat een patiënt depressief is, hij weet niet dat het komt omdat de patiënt vijf buitenechtelijke relaties heeft. De informatie komt gepseudonimiseerd in het systeem. Mevrouw Jansen wordt in die database X 845.’
Ook in het gesprek met ons legde Swinkels uit waarom je in zijn ogen geen uitzondering kunt maken voor een specifieke beroepsgroep. De Nederlandse Zorgautoriteit gaf geen commentaar, en stond niet toe dat de VPRO opnamen maakte tijdens de zitting.
We zijn intussen een aantal maanden verder. Volgens de psychiaters van De Vrije Psych, onder wie Kaspar Mengelberg, blijken de ziektekostenverzekeraars de uitspraak van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven ‘massaal te negeren’. In hun toelichting stellen zij: ‘Zij weigeren systematisch declaraties van psychiaters en psychotherapeuten buiten de DBC-systematiek te voldoen.’
Minister Klink schreef 11 oktober een brief waarin hij de Tweede Kamer informeerde over de gevolgen van de uitspraak van het college. Hij schrijft onder meer: ‘Verder zal de Nederlandse Zorgautoriteit opnieuw een afweging moeten maken met betrekking tot de privacybelangen. Het College heeft weliswaar het belang dat verzekeraars hebben bij het beschikbaar hebben van diagnose- informatie bij de uitvoering van hun controle en inkooptaak onderschreven, maar heeft geoordeeld dat de NZa onvoldoende de noodzaak heeft aangetoond dat deze diagnose-informatie bij verzekeraars onder ogen komt van personen voor wie geen medisch beroepsgeheim geldt en die niet onder medisch tuchtrecht vallen. De Nederlandse Zorgautoriteit verwacht deze nieuwe belangenafweging in oktober 2010 te hebben afgerond’.
De psychiaters van De Vrije Psych zijn het niet eens met de wijze waarop Klink de uitspraak samenvat. ‘Met aan misleiding grenzende simplificatie en eenzijdigheid heeft de demissionaire minister van volksgezondheid de gedifferentieerde uitspraak van het CBb, die als geheel beschouwd moet worden, uitgelegd als zou de Nederlandse Zorgautoriteit slechts een noodzaak onvoldoende hebben aangetoond.’
Wordt ongetwijfeld vervolgd.
VPRO Thema: Iedereen depressief
Een van de mensen die we in de thema-uitzending Iedereen depressief volgen wendt zich, als hij zich depressief voelt, tot een provocatieve coach. Maar wat is dat nu eigenlijk precies, provocatieve coaching? Een gesprek met psycholoog Adélka Vendl.
Adélka Vendl: ‘Ik zie depressieve gevoelens als een vorm van heel natuurlijke afweer. Je lichaam en geest gaan in staking. Je hebt te veel op je bordje gehad. We hebben dan zo’n ingenieus lichaam dat alles schreeuwt: stop ermee! Neem afstand! Ik moedig dat altijd aan. Ik vind dat mensen zich maar eens flink aan die depressieve gevoelens mogen toegeven. Ik vergroot de problemen uit, in plaats van ze te verkleinen zoals soms in de reguliere zorg. Mijn rol is vaak die van advocaat van de duivel. Ik zorg dat ik altijd heel dichtbij iemand kom. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk, door fysiek heel dicht bij te gaan zitten, zo dichtbij dat ze een beetje terugdeinzen en dat het opvalt. Daarmee laat ik zien: ik mag jou, als mens. En figuurlijk, door heel intuïtief te reageren, vanuit een eerste impulsieve reactie. Joh, wat belachelijk! Nee, echt? Dat is toch bespottelijk! Etcetera. Gewone, directe taal. Waarmee ik dichtbij kom. Daarmee kan ik krachten zoals verzet en verdriet, en daarmee verwerking mobiliseren. Mijn houding is dus nooit die van: het komt allemaal goed, het valt allemaal wel mee, heel veel mensen kampen ermee, heus u komt er wel overheen. In mijn wereldbeeld neem je mensen niet serieus door alles te beamen, en met ze mee te gaan in hun behoefte om er op los te klagen, maar door tegen ze in te gaan. Liefdevol tegengas geven, zonder te beledigen, dat is de kern van de provocatieve therapie. Het is niet voor iedereen weggelegd, denk ik, alhoewel, ja uiteindelijk kan het voor iedereen werken. Ik krijg soms coach- en therapie-hoppers over de vloer; mensen die het ook al bij andere vormen van therapie hebben gezocht, en steeds maar niet verder komen. Dan kan provocatieve coaching een verassende invalshoek geven. Toen ik van de universiteit kwam en als psychologe aan de slag wilde kreeg ik al heel snel genoeg van dat begripvol knikken. Ik dacht: moet ik nu echt zo mensen uit de put gaan trekken? Ik wilde een manier vinden waarin ik ook m’n straatwijsheid kwijt kon. Een therapie die veel minder methodisch is, en waarin het ‘gezonde volksgevoel’ ook een rol mag spelen. Waarin je gewoon kunt benoemen dat iemand sloom en futloos is. Veel mensen daag ik uit zodat ze hun kracht weer hervinden om hun probleem aan te pakken. Ik vind dat dat veel meer appelleert aan hoe wij geholpen kunnen worden, die cognitieve methodes staan zo ver af van mensen. De langzame methodes leiden er in de reguliere zorg vaak toe dat de authentieke reacties raken ondergesneeuwd. Juist bij de geïrriteerdheid, boosheid en het verdriet raak je snel de kern. Hup, direct er op af, geen omwegen. Ik krijg veel mensen in de praktijk die zich lusteloos en neerslachtig voelen, terwijl het ze eigenlijk voor de wind gaat: goede baan, leuke relatie, noem het maar op. Ik geloof echt dat het iets is dat deze tijd met zich meebrengt. Honderd of tweehonderd jaar geleden waren er heel andere dingen die we belangrijk vonden: hard werken, de kroost grootbrengen. Het steven naar geluk was niet iets dat voortdurend in de weg zat. Mijn man werkt veel in Afrika, waar mensen streven naar een dak boven hun hoofd. Psychologische hulp is daar niet zo wijd verbreid natuurlijk. Wij hebben hier in Nederland een veilige, luxe samenleving, zo veilig en luxe dat dit onze ziektes zijn. Dat maakt het niet tot aanstellerij; het is gewoon de realiteit waarin wij leven. Naar mijn idee heeft het beslist te maken met de overvloed van alles om ons heen. Met het feit dat er vandaag de dag, om maar een dwarsstraat te noemen, honderdduizend verschillende soorten vla zijn. Een doorsnee mens – en daar reken ik mezelf ook toe – kent de luxe en de weelde maar weet ook absoluut niet meer wat te kiezen. Wat is goed, wat is kwaad, hoe moet ik me gedragen, bij welke groep hoor ik? Daarbij is het haast vanzelfsprekend geworden dat je volop bruist van de energie, dat je een relatie hebt, dat het goed gaat in je werk, terwijl dat alles natuurlijk verre van vanzelfsprekend is. Als je vroeger dat allemaal niet had, dan was het heel normaal dat je gewoon de boel bleef aanharken op een boerenbedrijf, je was dan met je minder sociaal gewenste situatie niet zo zichtbaar. Tegenwoordig stellen we op dit vlak zulke hoge eisen aan elkaar, en aan onszelf. Het is allemaal geinstitutionaliseerd. We dachten dat we gelukkiger zouden worden door de welvaart en de toegenomen keuzemogelijkheden om ons leven in te richten zoals we dat zelf willen, maar we hebben soms de greep verloren op hoe het ook al weer moet in het leven, omdat we het te goed willen doen. Bijvoorbeeld wat betreft de opvoeding. We willen perfecte ouders zijn en voor elk probleem is wel een handboek met een training. Hoe ga ik om met een concentratiestoornis, tips en leefwijze voor ouders. Wat de boel ook versterkt is dat we toch sterk in een slachtoffercultuur terecht zijn gekomen. We willen niemand voor het hoofd stoten. Als je je steeds meer invoelt in een ander vergeet je je eigen basisgevoel. Je eerste impuls is vaak helemaal niet zo slecht. Soms kun je maar beter niet te veel nadenken, omdat het niet altijd tot betere resultaten leidt. Zo werk ik als therapeut ook.’
VPRO Thema: Iedereen depressief
De psychiaters die in Iedereen depressief aan het woord komen nemen heel verschillende stellingen in, zowel over de oorzaak van depressie als over de manier waarop we haar moeten bestrijden. Pim Cuijpers, hoogleraar klinische psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, wil niets weten van de suggestie dat depressie een welvaartsverschijnsel is. Ook stelt hij vraagtekens bij de behandelmethoden die veelal gekozen worden. ‘Van iemand die diabetes heeft of een hartaandoening wordt nooit gezegd dat het een welvaartsverschijnsel is, laat staan dat ze maar gewoon door de zure appel heen moeten bijten.’
Pim Cuijpers: ‘Ik heb geen enkele aanwijzing die er op wijst dat depressie toeneemt. Depressie is er altijd geweest, iedereen loopt het risico depressief te worden, en dat is in de huidige samenleving niet anders of erger dan voorheen. Ik ben er geen voorstander van om levensproblemen te medicaliseren, maar ik zie depressie echt als een groot, belangrijk probleem voor de hele samenleving. In wezen is die hele discussie over de vraag of depressie nu echt een ziekte is of een ‘gewoon’ menselijk probleem irrelevant.
Waar het om gaat is: de impact op de samenleving is enorm. Als je een ziekte definieert als iets waardoor je niet goed kunt functioneren en waarvoor je kosten maakt in de zorg, dan is depressie natuurlijk beslist een ziekte. Ik geloof niet dat depressie een volledig biologische oorzaak heeft. Er zijn wel bepaalde kwetsbaarheden die iemand heeft, die een omgevingstrigger nodig hebben om in een depressie uit te monden. Je komt in een psychologische fuik terecht, en de vorm van die fuik – en daarmee de zuigkracht – wordt bepaald door je biologische kwetsbaarheid. In theoretische taal: als er onvoldoende positieve interactie met je omgeving is, zul je minder geneigd zijn naar positieve interactie te zoeken en kom je in een negatieve spiraal terecht. Die leidt uiteindelijk naar een depressie. In gewone mensentaal: als je te weinig leuke dingen doet, ga je steeds minder leuke dingen doen. Het versterkt zichzelf dus.
Cijfers
Depressie neemt volgens mij niet toe, het antidepressiva-gebruik natuurlijk wel. Wat ik mis in de discussie over de zogenaamde depressie-epidemie is dat het verschijnsel depressie aan de ene kant, en het gebruik van de zorg – of het nu om pillen gaat of om andere zorg – aan de andere kant, niet voldoende uit elkaar worden getrokken. Ja, we zijn veel sneller dan vroeger geneigd hulp te zoeken als we somber zijn, en ja, er worden door huisartsen te snel antidepressiva voorgeschreven, maar: dat zegt niets over het aantal mensen dat aan depressie leidt. Je ziet dat het bij veel mensen automatisch leidt tot de aanname dat we met z’n allen steeds depressiever worden, maar ik ga daar dus absoluut niet vanuit. Het klopt dat ik dat ook niet kan staven. Maar we weten wel – op basis van epidemiologische studies – dat er geen dramatische stijging van het aantal depressies heeft plaatsgevonden tussen 1996 en 2008. We weten ook dat tussen 2000 en 2010 het aantal mensen dat hulp gezocht heeft bij de geestelijke gezondheidszorg ongeveer verdubbeld is. Het is dan ook waarschijnlijk geen toename van het aantal depressies, maar wel een toename in het aantal mensen dat hulp zoekt vanwege psychische problemen.
We hebben goede gegevens over hoe vaak depressie voorkomt. Om de zoveel jaar vinden bevolkingsonderzoeken plaats, de zogenaamde Nemesis-onderzoeken. We weten dus vrij goed welk deel van de mensen hulp zoekt. Het laatste onderzoek wijst aan dat ongeveer 60% van de mensen met depressieve klachten hulp zoekt, en 40% niet. In de VS bijvoorbeeld ligt het aantal mensen dat hulp zoekt op ongeveer 40%. In Nederland ligt het cijfer dus inderdaad hoog. Dat was vroeger anders. In zijn algemeenheid komt dat doordat zowel de farmaceutische industrie, maar ook patiëntenbewegingen en de publieke gezondheidszorg actief geprobeerd hebben om het stigma op depressie te verminderen en het zoeken van hulp te bevorderen. In de algemene publieke opinie is depressie gemeengoed geworden, bekend geworden, en daarmee tot op grote hoogte geaccepteerd als maatschappelijk verschijnsel. Dat komt omdat in de media breed is uitgemeten dat je er voor behandeld kunt worden. Dat maakt de gang naar de huisarts natuurlijk gemakkelijker. Vroeger was het niet alleen taboe om jezelf depressief te verklaren, maar je wist ook: wat schiet ik er mee op als ik naar de huisarts ga? Wat dat betreft kun je absoluut spreken van een uiterst succesvolle campagne. Natuurlijk is het onmiskenbaar zo dat de farmaceutische industrie die campagne gestimuleerd heeft, maar de sector zelf – de geestelijke gezondheidszorg – heeft er zelf ook flink aan bijgedragen door regelmatig over de succesvolle behandeling van depressie te rapporteren. Dat heeft als positief gevolg gehad dat mensen sneller hulp zoeken. De keerzijde is dat nauwelijks – of in ieder geval veel te weinig – is gerapporteerd en gepubliceerd over niet-succesvolle behandelingen. De gunstige effecten van antidepressiva zijn overschat, maar recent onderzoek dat ik heb gedaan met een aantal collega’s wijst uit dat ook de effecten van psychotherapie bij depressie overschat worden. Daarmee is niet gezegd dat psychotherapie niet werkt, evenmin als anti-depressiva: het gros van de mensen die het betreft knapt er van op. Maar er is evident sprake van zogenoemde publicatiebias: studies die een gunstig effect van een behandeling aantonen worden veel sneller gepubliceerd dan onderzoeken die geen verschil of ongunstige resultaten laten zien. Wetenschappelijke tijdschriften zijn meer geïnteresseerd in een onderzoek dat grote effecten aantoont dan een onderzoek dat minimale effecten aantoont. In het geval van psychotherapie speelt de lobby van de farmaceutische industrie geen rol. Wat wel speelt is dat psychologen en onderzoekers vaak persoonlijk belang hebben bij het benadrukken van successen van hun type behandeling.
Nieuwe behandelingen
Voor de patient heeft dit alles geen directe gevolgen. Wel hoop ik dat ons onderzoek ertoe bijdraagt dat we verder zoeken naar nieuwe behandelingen. Die zullen zich vooral bevinden op het terrein van de preventie: hoe beter we hoog risicogroepen kunnen identificeren, hoe beter we bijvoorbeeld cursussen als mood management kunnen inzetten. Dat kan alleen bij mensen die depressieve klachten hebben, maar bij wie nog geen sprake is van een stoornis. De hele golf aan mindfullness-behandelingen zie ik niet als iets wat veel toevoegt aan wat er al is. Er bestaat ongelooflijk veel onderzoek naar de behandeling van depressie. Daarbij zijn heel veel verschillende soorten psychotherapie met elkaar vergeleken en steeds weer blijkt dat het type psychotherapie weinig invloed heeft op de uiteindelijke effecten. Verschilende therapieen laten anders gezegd dezelfde eindresultaten zien. Cognitieve therapie wordt het meest gecombineerd met mindfullness, onder de pretentie dat het beter zou werken. Daar is geen bewijs voor. Hetzelfde geldt voor zogenaamde Acceptance & Committment-therapieen. Ik vind: doe eerst onderzoek dat aantoont dat het inderdaad beter is, voor je het in de hele gezondheidszorg gaat implementeren. Er zijn geen studies die aantonen dat mindfullness beter is dan het bestaande aanbod. Eerlijk gezegd denk ik dat het vooral leuk is voor de therapeuten. Leuk om te doen. Als je jaar in jaar uit met chronische patiënten te maken hebt, dan wil je ook wel eens wat anders, ook al is het niet evidence based.
Mensen, ook vakgenoten, die depressie wegzetten als een welvaartsverschijnsel of zelfs benadrukken hoe heilzaam het kan zijn, doen groot onrecht aan het leed dat al die mensen hebben. Van iemand die diabetes heeft of een hartaandoening wordt nooit gezegd dat het een welvaartsverschijnsel is, laat staan dat ze maar gewoon door de zure appel heen moeten bijten. Wat bovendien als een paal boven water staat is dat veel mensen depressief worden na een echtscheiding of nadat een ouder is overleden. Dat gegeven, die gebeurtenis, is nooit voldoende voor een depressieve stoornis. Negentig procent van de mensen die gaat scheiden krijgt immers geen depressie. Ik geloof er ook helemaal niets van dat deze samenleving, waarin inderdaad veel van mensen gevergd wordt, tot meer depressie zou lijden. Al met al vind ik de discussie die de laatste jaren woedt slecht voor de beeldvorming en geen recht doen aan het leed van depressieve mensen.’
Zie ook de weblezing van Pim Cuijpers over Depressie in de puberteit hier.
Cold blooded old times – Bill Callahan
Hij draait al meer dan 20 jaar mee, maar van een live-plaat was het nog niet gekomen. Nu is er Rough travel for a rare thing van Bill Callahan, met opnames die drie jaar geleden werden gemaakt tijdens zijn toernee in Australië. De meeste nummers die hij er speelde waren eerder verschenen onder de naam Smog, zoals ook dit Cold blooded old times. Callahan is behalve een man van weinig akkoorden ook een man van weinig woorden. Maar die woorden die hij kiest treffen voortdurend doel. Zoals wanneer hij zijn herinneringen als kind opdiept en over zijn ouders schrijft: And though you were/ Just a little squirrel/ You understood every word/ And it’s this way/ They gave you clarity/ A cold blooded clarity. Het nummer verscheen oorspronkelijk op de cd Knock knock (1999) maar is het meest bekend van de soundtrack van de Nick Hornby-verfilming High fidelity.
Hoor de originele versie uit 1999 hier.
Numbers don’t lie – Mynabirds
Ze wilde altijd al een plaat maken die klinkt als ‘Neil Young op Motown’, deze Laura Burhenn die vroeger deel uitmaakte van het gitaarbandje Georgie James. Numbers don’t lie is terug te vinden op de debuut-cd What we lose in the fire we gain in the blood van Burhenns nieuwe groep the Mynabirds - een verbastering van The Minah Birds, een groep die daadwerkelijk in de jaren zestig tekende bij Motown en waaraan naast Rick James inderdaad ook ene Neil Young was gelieerd. ‘I went into the studio to make this Neil Young doing Motown thing,’ vertelt Burhenn over haar nieuwe plaat in een interview aan Spinner. ‘I had been listening to a lot of Dusty Springfield, Bobbie Gentry, and other amazing female singers like Carole King and Grace Slick. A little bit of gospel, soul and a little bit of straight country. There is something very comforting about it. The whole record is really about loss and recovery, I wanted to make music that felt comforting, that people felt familiar with, like family.’ Missie geslaagd.
Zie en hoor hier.
Days- Sambassadeur
Days is de eerste single van de nieuwe, derde cd European van de Zweedse groep Sambassadeur, vernoemd naar Serge Gainsbourgs Les sambassadeurs. Sambassadeur, afkomstig uit Göteborg, grossiert in georkestreerde pop die schreeuwt om eindeloze zomerdagen. Open zwiepende tuindeuren, het haar in de wind. Een groep die in een adem genoemd mag worden met de Schotse collega’s van Camera Obscura (die trouwens ook nèt een nieuwe single hebben uitgebracht, een cover van Richard Hawley’s The nights are cold).
Hoor Days hier.
And now – JJ
Eveneens uit havenstad Göteborg, dit duo JJ. Met opvallend weinig middelen en een goed ontwikkeld gevoel voor mysterie weet JJ veel sfeer te creeëren. Dromerig, kwikzilverachtig, soms fragiel. Hooguit net iets te ijl misschien, die stem van Elin Kastlander. Prachtig en onverbeterlijk wordt de cd aanbevolen op Amazon.com: ‘It is the soundtrack for friends packed into the town square’s tiniest tavern, their moontanned, apple-cheeked faces glowing, their dilated pupils filled with all the meaning and meaninglessness of a magic 8-ball’. De cd kreeg de enigszins misleidende titel No. 3 – de eerste singe heette No. 1 en het daarop volgende echte debuut No. 2.
Hoor JJ en And now hier.
What’s in it for? – Avi Buffalo
Avi Buffalo is de naam die de 18-jarige Avigdor Zahner-Isenberg zijn groep gaf. Een typisch West Coast-geluid, waarin onder meer echo’s weerklinken van de Beach Boys. We draaiden What’s in it for? ook al in december, toen het voor het eerst de ronde deed op internet. De debuut-cd op Sub Pop is nu ook verschenen, en stelt beslist niet teleur. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan was Avi Buffalo al het voorprogramma van het populaire Vampire Weekend. Bijzonder debuut.
Zie en hoor Avi Buffalo en What’s in it for? hier.
Lemonade – CocoRosie
Hoewel natuurlijk niet meer zo verrassend als een paar jaar geleden, is het geluid van de feërieke Newyorkse zusjes Bianca en Sierra Cassady, alias CocoRosie, nog altijd bedwelmend. Ze zijn terug met een nieuwe plaat Grey oceans, en eigenlijk is er niet zo veel veranderd in hun biotoop: de muziek blijft theatraal, burlesk soms, met een engelachtige sopraan en een kinderlijke heks die niet kijken op een snor meer of minder. Ongeëvenaard in de categorie Totally weird stuff. Toch klinkt CocoRosie toegankelijker en minder grillig dan voorheen, of is dat gewenning? Misschien heeft het ermee te maken dat er op Grey oceans een grote rol is weggelegd voor jazzpianist Gaël Rakotondrabe, zo groot dat hij hier en daar al als derde vaste bandlid wordt opgevoerd.
Zie en hoor de clip bij Lemonade hier.
En zie en hoor hier het nog altijd betoverende titelnummer van Noah’s ark (2005).
Troubles will be gone – The Tallest Man on Earth
Terug naar Zweden nu. De Zweedse singer-songwriter Kristian Matsson maakt Dylaneske platen onder de naam The Tallest Man on Earth. Van zijn nieuwe cd The wild hunt draaien we Troubles will be gone. ‘The day is never done/ Still there’s a light on where you sleep/ So I hope someday your troubles will be gone.’
Zie en hoor (een amateur-opname) van Troubles will be gone tijdens een live-optreden hier.
The mermaid parade – Phosphorescent
Na zijn tribute-plaat voor Willie Nelson is Matthew Houck alias Phosphorescent terug met een reguliere plaat (Here’s to taking it easy), daarvan draaien we de onbetwiste standout-track The mermaid parade. Net als Will Oldham verspilt Houck soms net te veel tijd aan rammelende, grillige probeersels, liedjes eigenlijk die even onvast zijn als z’n stem, maar het is niet voor het eerst dat hij óók in staat blijkt te zijn tijdloze, perfecte popliedjes te schrijven.
Hoor Phosphorescent en The mermaid parade hier.
Maar zijn mooiste nummer blijft wat mij betreft vooralsnog Joe tex, these taming blues van Aw come aw wry uit 2005. Hoor hier.
Ravenna – Trembling Bells
Track van de tweede cd Abandoned love van de Schotse folkgroep Trembling Bells (op Honest Jon’s). Het kwartet (met als sterkste troef sopraan Lavina Blackwell) heeft een sterke hang naar de experimentele folk uit het Engeland van de late jaren zestig en omschrijft zichzelf ergens als een ‘song-based group who seek to reanimate the psychic landscapes of Great Britain and relocate them to some vague, mythic land where basic human crises are encountered and conquered.’ Ai… Toch niet te versmaden, dit Ravenna.
Equestrienne – Natalie Merchant
Met uitzondering van een retrospectief was het heel lang stil rond Natalie Merchant. De aanvang van die stilte blijkt achteraf gezien samen te vallen met de geboorte van haar dochter, die ze blijkens haar nieuwe project Leave your sleep bedelft onder de kinderpoëzie (en poëzie over kind-zijn). Op de dubbel-cd is een keur terug te vinden die de periode bestrijkt van de Victoriaanse tijd tot nu, rijk gearrangeerd. De wals Equestrienne is een op muziek gezet gedicht van de vroeg-twintigste-eeuwse jeugdschrijfster Rachel Field.
Zie en hoor Natalie Merchant en Equestrienne hier.
Hoor ook haar indrukwekkende versie van Which side are you on? hier. Which side are you on? werd in 1931 geschreven door Florence Reece, de vrouw van een leider van de mijnwerkersvakbond in Kentucky, en verhaalt over de vurige strijd tussen de mijnwerkers en de mijneigenaren. De melodie leende ze van de Baptisten-lofzang Lay the Lily low. Merchant nam deze versie op voor de vorige cd The house carpenter’s daughter (2003).
When I go down on you – Black Francis
Track van de nieuwe plaat Nonstoperotik van Black Francis, ook nog altijd zanger van de weer herenigde groep The Pixies. Solowerk heeft nooit kunnen tippen aan dat van de illustere groep, en dat geldt helaas nog steeds. Dit nummer, live al langer een favoriet op de setlist, kan er in ieder geval prima mee door.
(Maar geef mij als het er op aankomt toch maar dit).
Rio – Hey Marseilles
Hey Marseilles komt uit Seattle en zingt over Rio. Kern van de groep bestaat uit folkies Nick Ward en Matt Bishop. De cd heet To travel and trunks. Het zijn naast de cello, de accordeon, de trompet, de gitaar en de viool ook die handklapjes die het ‘m doen.
Zie en hoor Hey Marseilles en Rio live in een radio-studio hier.
Salt of the earth – Bettye Lavette
Nog zo’n strijdbaar lied dat het opneemt voor de common man. ‘Say a prayer for the common foot soldier/ Spare a thought for his back breaking work/ Say a prayer for his wife and his children/ Who burn the fires and who still till the earth’. Met Salth of the earth sloten de Rolling Stones indertijd (1968) hun elpee Beggars Banquet af. Bettye Lavette, gelouterd soul- en bluesveteraan, nam – doorleefd als altijd – een versie op voor haar nieuwe cd Interpretations - The British Rock Songbook, waarop ze dertien interpretaties laat horen van klassieke Engelse liedjes. Het idee ontstond nadat ze ter ere van The Who ten overstaan van Pete Townshend en Roger Daltrey tijdens een live-optreden liet horen hoe mooi ze Love reign o’er me had bewerkt. Dat nummer is natuurlijk ook terug te vinden op deze cd, evenals onder meer haar bewogen opnames van Don’t let me be misunderstood en Don’t let the sun go down on me. Lavette, die begin deze eeuw geheel terecht eindelijk aan de vergetelheid werd onttrokken, ontwikkelde op latere leeftijd een zwak voor rock, funk en blues. Ik mag het misschien niet hardop zeggen, maar eigenlijk is dat jammer. Want voor mij blijft ze een van de ongekroonde koninginnen van de deep soul uit de late jaren zestig. Haar klassieke Let me down easy is ongetwijfeld een van de allermooiste nummers in het genre. Hartverscheurend, en zonder weerga. Veel van de muziek die ze indertijd opnam werd haar, zo laat ze vandaag de dag niet na te verkondigen, min of meer door de strot geduwd. Zonder een noemenswaardige doorbraak besloot haar toenmalige platenmaatschappij opgenomen materiaal maar op de plank te laten liggen. Verbitterd keerde Lavette – in ’46 geboren als Betty Haskins – de muziek decennia lang de rug toe, om pas begin deze eeuw herontdekt te worden. Twee jaar geleden trad ze op tijdens het concert ter gelegenheid van de inauguratie van Obama. Zestien juni staat ze in Paradiso.
Zie en hoor hier.
En zie en hoor de 19-jarige Bettye Lavette in 1965 met Let me down easy hier.
Yiri yiri bon – Ska Cubano
Als twee Londenaren, onder wie de ska-legende Natty Bo, naar Santiago de Cuba trekken komen ze in contact met Cubaanse musici die er wel voor voelen samen een band op te richten. Dat wordt Ska Cubano. Dit nummer Yiro yiri bon is terug te vinden op de nieuwste compilatie van het Putumayo-label, Latin party.
Clementine – Sarah Jaffe
Track van geslaagd debuut Suburban nature van de 24-jarige Texaanse zangeres Sarah Jaffe (eerder onder meer te horen op de laatste cd van Robert Gomez). Ze toerde eerder als voorprogramma van Midlake, stadsgenoten uit Denton.
Hoor hier.
Cry, cry, baby – Nina Nastasia
Nina Nastasia, de Newyorkse zangeres die John Peel net zo vaak bleef draaien tot haar onverkrijgbare debuut Dogs eindelijk opnieuw werd uitgebracht en ze een vaste schare volgelingen had, keert terug met een zwaar georkestreerde plaat, Outlaster. De opener Cry, cry, baby (nee, het is géén cover van de Garnet Mimms/ Janis Joplin-klassieker) circuleerde al enige tijd op het net. Steve Albini zit nog altijd aan de knoppen.
Zie en hoor Nina Nastasia en Cry, cry, baby hier.
Tamacun – Rodrigo y Gabriela
En bij wijze van toegift: dit was vorige week te horen binnen de muren van Het Witte Huis, waar Rodrigo y Gabriela (net als Obama’s favoriet Beyoncé) een staatsdiner met de Mexicaanse president Felipe Hinojosa en tweehonderd genodigden muzikaal mochten opluisteren. De leden van dit vingervlugge Mexicaanse gitaarduo, Rodrigo Sánchez en Gabriela Quintero, delen een trashmetal-verleden en namen behalve eigen werk ook covers op van onder meer Metallica. Het opgewekte Tamacun, terug te vinden op hun titeloze cd uit 2006, draaiden we indertijd met veel instemming in De Ochtenden.
Zie en hoor Rodrigo y Gabriela en Tamacun hier.
Pascal van Hecke is zelfstandig constultant op het gebied van privacy en internet. Hij werkte onder meer voor het College Bescherming Persoonsgegevens. Van Hecke legt uit hoe het komt dat niet iedereen op internet dezelfde advertenties krijgt te zien: je surfgedrag op internet wordt vertaald in een profiel zodat bedrijven weten waarin jij geinteresseerd bent.
Pascal Van Hecke: ‘Terwijl jij surft met je browser bezoek je niet alleen de site die je denkt te bezoeken , maar surf je als het ware tegelijk op andere sites. In een site zitten namelijk vaak stukjes code van andere sites, en die laten dan weer cookies bijhouden: tekstbestandjes die een site verstuurt naar een computer.
Overal waar je Google-advertenties ziet staan bijvoorbeeld (‘ads by Google’) ben je op een site die meewerkt aan het opstellen van je profiel. Op basis daarvan wordt je bestookt met advertenties die op jouw interessegebieden zijn gebaseerd. Dat heet behavourial targeting. Er zijn, naast Google, een heel aantal bedrijven die daarin gespecialiseerd zijn.
Google is bekend geworden met advertenties die aangepast zijn aan de inhoud van de pagina, maar vorig jaar hebben ze de knop omgedraaid: als er advertenties getoond worden is niet alleen op basis van je bezoek aan die ene pagina, maar ook waar je eerder naartoe bent geweest. Behavourial targeting vindt dus zowel plaats op basis van de sites die Google zelf uitbaat (zoals Youtube) als van sites die op het eerste zicht niks met Google te maken hebben. Je kunt als internetgebruiker ook zelf van invloed zijn op de advertenties die je krijgt. Dat kun je doen door de zogenaamde Google ads preferences in te stellen. Daar kun je zelf aangeven dat je in reizen bent geinteresseerd, of in auto’s. Dat geeft je het idee dat je als gebruiker in controle bent.
De hamvraag is: hoe erg vind je het dat een bedrijf meekijkt met jouw surfgedrag? Sommigen vinden het beangstigend, sommigen minder. De meeste mensen zien hun surfgedrag toch als iets intiems.’
IP adres
‘Een website-uitbater kan niet onmiddellijk zijn wie er naar de site surft. Het IP-adres verwijst naar een computer, maar je weet niet wie er nu achter plaats neemt. Maar… De meeste websites zijn intussen ‘beschrijfbaar’, dat wil zeggen: interactief. Je kunt comments plaatsen, produkten bestellen, een gastenlijst invullen of op een andere manier iets van jezelf invullen, achterlaten. In de loop van de jaren zijn er behoorlijk veel sites waar je dit soort sporen achterlaat. Dan is vervolgens je IP-adres wel te koppelen aan je adres- en naamgegevens. In de bloggers-wereld is het een bekend spelletje: iemand doet zich hier voor als een beroemdheid, maar heeft datzelfde IP-adres bij jou op je blog ook wel eens een commentaar geplaatst? Wie is die persoon?
Heel veel partijen hebben zo veel kleine stukjes informatie over je, die te koppelen zijn. In de VS zijn er bedrijven die, vooral met behulp van gegevens verstrekt door webwinkels, grote databases hebben aangelegd met miljoenen IP-adressen met bijbehorende NAW-gegevens.’
En als je nou alleen rondsurft en nooit iets achterlaat? ‘Dan is de koppeling alleen door je provider te maken. Dat gebeurt ook, bijvoorbeeld omdat politie en justitie een beroep doen op providers. Dat gebeurt aan de lopende band. De politie kan een vraag stellen als: welke abonnee zat op welk moment op welk IP-adres online? Het is ook al herhaaldelijk voorgekomen dat zoektermen meespelen in rechtzaken. Maar daarvoor kan ook gewoon de history in je browser worden bekeken.
Het zal steeds lastiger worden om nooit iets in te vullen, geen gegevens achter te laten, omdat het internet steeds interactiever wordt. Het neemt dus alleen maar toe.
Een bedrijf als Wunderloop, dat een kleinere behavioural targeting-speler is, zegt privacy-voorzorgen te hebben genomen. Het waakt ervoor dat het net niet te veel informatie opslaat. Het is in hun belang dat te doen. Er komt een Europese richtlijn aan die het dit soort bedrijven lastig kan gaan maken. Wunderloop zegt geen gebruik te maken van IP-adressen, alleen van cookies. Dat is op zichzelf minder privacygevoelig. Maar die nieuwe richtlijn stelt straks misschien dat alleen van cookies gebruik gemaakt mag worden als de klant vantevoren op de hoogte is gesteld. Dat zou de doodsteek zijn voor deze sector. Het verweer van Wunderloop op deze richtlijn is juist: als je je zo gaat concentreren op de cookies, zijn we als industrie genoodzaakt om naar andere manieren te kijken, en die zijn juist privacy-gevoeliger (zoals IP-adressen).
Het is lovenswaardig dat bedrijven als Wunderloop en Google soms wel degelijk inspanningen doen om gevoelige gegevens niet onnodig op op te slaan, maar in algemene zin weten we dat bedrijven data-hongerig zijn. De natuurlijke reflex van een IT-specialist is: je kunt nooit genoeg opslaan, want je weet nooit wanneer de gegevens nog van pas komen.’
Maar als een bedrijf meer over me weet, dan word ik toch gewoon beter bediend? ‘Het is beslist niet zo dat het voor jou als consument altijd prettiger is dat een commerciële partij meer kennis over jou heeft. Je zou zeggen: fijn, ik krijg gericht advertenties die bij mijn interesses aansluiten. Maar als je binnen een site van elektronica klikt op luxe produkten, of binnen de site van een hotel klikt op luxe-arrangementen, dan onthoudt het systeem dat jij in luxe geïnteresseerd bent, dat je je kennelijk wat kunt veroorloven, en dus krijg jij niet de advertentie met die aantrekkelijke korting of die aanbieding te zien. Je krijgt misschien juist nog meer dure, luxe advertenties te zien waarin geappeleerd wordt aan exclusiviteit. Bij vliegmaatschappijen wordt daar ook naar gekeken: investeren in een trouwe klant die altijd bij jou boekt heeft niet zo veel nut, je kunt die kortingen beter afvuren op kritische klanten. Behavourial targeting kan zo dus ook in je nadeel werken als consument. Er is een informatie-ongelijkheid tussen jou en de aanbieder van de site: jij weet niet wat zij van jou weten.’
Nieuwe risico’s
‘Wat super-hot is: adverteren via sociale netwerken. Dan hebben we het dus over Facebook, Twitter, Hyves en LinkedIn. Reuze-interessant voor bedrijven, omdat je niet alleen letterlijk kunt zien wie je bent, maar ook de communicatie met je vrienden. Facebook is aan het experimenteren met ‘scriptjes’ die ze aanbieden aan andere websites. Kennis van jouw surfgedrag is nog aantrekkelijker als bedrijven echt je identiteit kennen, met al die intieme informatie op die sociale netwerken. Dat gaat de grenzen van online privacy verder oprekken. Je kunt steeds vaker ‘meekijken in de hersenpan van iemand’. En als het gaat om zulke grote bedrijven als Google en Facebook… daar werken nogal wat mensen. De controle daarop is niet geregeld, er is eigenlijk nauwelijks iets over afgesproken. Anders dan Google weet Facebook vaak wel heel precies wie je bent, wat je doet, waar je van houdt, wie je vrienden zijn, etcetera.
Iets anders dat de komende jaren heel belangrijk wordt is: gezichtsherkenning. Google heeft gezichtsherkenning bewust weggelaten uit Google Goggles. Bedrijven leggen zichzelf nu nog restricties op, maar het gaat de komende jaren een hot topic worden. Wat technisch kan: je maakt op straat een foto van iemand en via gezichtsherkenning wordt via een zoekmachine informatie over die persoon gezocht. Je ziet dan meteen met wie je te maken hebt, en wat over over hem of haar online staat!
Tenslotte: locatiebepaling. Alle hippe mobieltjes, Androids en iPhones, hebben dit standaard ingebouwd. Telkens wanneer je Google Maps opstart gaat je telefoon na welke Wifi-hotspots er in de buurt zijn. Die info stuurt de telefoon door naar een van de providers. Zo kan je hele leef- en reispatroon gevolgd worden.’
VPRO Thema: Iedereen depressief
Toen de beroepsgroep er eenmaal van doordrongen was dat ook kinderen depressief kunnen zijn, ontstond een richtingenstrijd over het voorschrijven van medicijnen. Flip Treffers was een believer maar werd in de loop der jaren een non-believer. De emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, tot een aantal jaar geleden directeur van Curium in Oegstgeest, blikt terug.
Flip Treffers: ‘Toen ik werd opgeleid was de vraag nog: komen depressies voor bij kinderen? Dat lijkt nu vanzelfsprekend, maar stond toen absoluut niet vast. Het is verbazingwekkend dat het bestaan van depressie bij kinderen in de negentiende eeuw, waaruit de eerste kinderpsychiatrische literatuur stamt, wèl erkend werd. In die literatuur wordt veel aandacht geschonken aan depressie en suïcidale gevoelens bij kinderen. Zo rond de eeuwwisseling, rond 1900, is dat verdwenen. Pas in de jaren ’zeventig drong het besef weer door dat kinderen depressief kunnen zijn. Ik heb voor die lange periode waarin depressies bij kinderen werden ontkend geen verklaring gevonden. Het enige dat ook in die jaren bleef was de erkenning van wat toen nog manische depressiviteit heette, de bipolaire stoornis bij kinderen. Het merkwaardige is dat depressie bij kinderen dus 70 jaar lang – internationaal – ontkend is. Toch maakte één geheel op zichzelf staande publicatie uit 1946 grote indruk, ook op mij. Dat was een artikel van de destijds beroemde psychiater René Spitz, waarin hij voor het eerst gewag maakte van depressie bij kinderen in hun eerste levensjaren – baby’s, dus. De zogeheten anaclitische depressie. Later werd zijn artikel waarschijnlijk terecht beoordeeld als een voorbeeld van wetenschappelijke fraude. Omstreeks 1970 keerde de depressie écht terug in de wetenschappelijke literatuur. Er werd toen vaak gesproken van een ‘gemaskeerde depressie’, allerlei vormen van afwijkend gedrag werden uiteindelijk tot depressie herleid. Ook ik heb langzaam moeten ontdekken dat kinderen depressief kunnen zijn. Het duurde nog weer langer voor men onder ogen zag dat kinderen manifest depressief konden zijn. In de jaren zeventig gold eigenlijk voor alle pyschiatrische problemen hetzelfde recept: therapeutische gesprekken met het kind, en met de ouders. Er werden in die tijd nog geen psychofarmaca gegeven.
De jongste kinderen die ik heb gezien die aan een depressie leden verbleven in een Medisch Kleuter Dagverblijf en waren drie of vier jaar oud. Depressieve baby’s heb ik nooit gezien. In de jaren tachtig was depressie bij kinderen weer algemeen erkend. In de jaren negentig volgden de eerste succes stories over anti-depressiva in de literatuur. De voorlopers van de SSRI’s waren dat nog, de eerste generatie antidepressiva, de zogeheten tricyclische antidepressiva. De tweede generatie, de SSRI’s zoals Prozac, werd vanaf 1995 in Nederland op kleine schaal voorgeschreven. Ik geloofde niet in de tricyclische pillen, wel in Prozac en aanverwante SSRI’s. Hoewel ik weinig resultaat zag in de behandelingen, was ik beslist een believer. De gezaghebbende literatuur was zo positief, er ging een buitengewoon grote stimulerende werking van uit. Ik heb zelfs pleidooien gehouden voor het gebruik van SSRI’s, waarbij ik me liet leiden door wetenschappelijke bevindingen. Heel kinderpsychiatrisch Nederland was in de ban van Prozac. Pas rond 2003 kwamen de eerste barsten naar voren in de literatuur. Er werden binnen de beroepsgroep in de VS meer en meer vragen gestelden over de resultaten, en daarnaast verschenen steeds meer publicaties over kinderen die suïcidaal waren, of heel agressief. Ik moet er bij zeggen: ik deed die ervaringen niet op in mijn eigen praktijk, ik nam het tot me via de literatuur. Toen ben ik me er echt goed in gaan verdiepen. Voor het eerst werd me glashelder hoe er met onderzoek op het gebied van psycho-farmaca werd gemanipuleerd. Wat mij het meest trof was het feit dat de onderzoekers op dit gebied stelselmatig alle negatieve resultaten niet naar buiten brachten. De industrie maakte het mogelijk dat gegevens over risico’s onderdrukt werden in onderzoeken en publicaties. De manipulatie van wetenschappelijke gegevens, het gegoochel met statistieken, maakte diepe indruk op me. Ik voelde me belazerd. Ik merkte een geweldige weerstand om open te staan voor de mogelijkheid dat we voor het lapje waren gehouden. Dat hoort bij een arts hè, die is toch blij als hij een recept kan voorschrijven; het is zuur om toe te geven dat iets, dat je al jaren voorschrijft, niet helpt. Als directeur van Curium, maar ook als lid van de Commissie Medische Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum, liet ik me kritisch uit over de SRRI’s. Dat werd mij niet in dank afgenomen. Ik merkte dat men mij binnen de beroepsgroep als een nestbevuiler zag, een onruststoker. Ik heb mij pittig uitgelaten, maar ik zie tot op de dag van vandaag geen enkele reden om aan te nemen dat ik het bij het verkeerde eind had. Samen met Mirjam Rinne publiceerde ik stukken over de negatieve bijwerkingen. Overigens leidde het binnen mijn kliniek Curium niet tot problemen, ik ontried mijn stafleden SSRI’s bij depressieve kinderen en jonge adolescenten voor te schrijven, maar niet bij dwangstoornissen.
De discussie over psychofarmaca in de kinder- en jeugdpsychiatrie duurt voort. Een jaar of twee geleden kwam de zeer gezaghebbende Amerikaanse psychiater Joseph Biederman, wiens adviezen en inzichten leidend waren, in opspraak omdat hij betaald werd door de farmaceutische industrie waar het ging om zijn adviezen over de behandeling van bipolaire stoornissen (zie ook dit artikel). De gevolgen van de ongezonde band tussen de industrie en de psychiatrie zetten dus door, met alle gevolgen van dien, maar er is ook een gunstige ontwikkeling zichtbaar. Heel belangrijk daarbij is de grootschalige parlementaire enquête die in 2005 in Engeland werd gehouden over de banden tussen de beroepsgroep en de farmaceutische industrie. Hoewel weinigen in Nederland dat toegeven – de halsstarrigheid binnen de Nederlandse psychiatrische beroepsgroep is groot – heeft die discussie veel mensen, op z’n minst een beetje, de ogen geopend. Je ziet het in zo’n nieuwe Behandelrichtlijn voor depressie bij kinderen: wat mij betreft had Prozac voor kinderen er niet in gehoeven, maar je kunt ook zeggen: het is winst dat het nu het enige middel is dat mag worden voorgeschreven. Het is vooral ingegeven door angst van artsen voor juridische problemen. Als er zo’n richtlijn is, en je schrijft toch iets anders voor, ben je erg kwetsbaar als arts. Wat de rol van de industrie betreft pleit ik ervoor om voorlopig in de psychiatrie alleen psychofarmaca voor te schrijven waar geen patent meer op rust. De drempel voor de goedkeuring van nieuwe medicijnen moet beduidend hoger worden’.
‘De opslagwaanzin wordt steeds erger,’ zegt Bart Jacobs, hoogleraar beveiliging en correctheid van programmatuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘Zowel bij de overheid als in het bedrijfsleven. De doeleinden van hun opslagwaanzin zijn sterk verschillend. Kort gezegd is het bedrijfsleven uit op zo fijnmazig mogelijke profielen van mensen. Om ze zo veel mogelijk te verkopen, of om commerciële risico’s te beperken. Als het gaat om de overheid is de inperking van privacy gericht op veiligheid, en soms een beetje op dienstverlening. Ik vind dat in de veiligheidsdiscussie alle nuance verloren gaat. Als je kritische kanttekening plaatst bij privacy-inperkende maatregelen is de tegenvraag meteen: o, wil jij verantwoordelijk zijn voor de volgende terroristische aanslagen?
Terwijl het inleveren van die gegevens vaak niets voorkomt. Dat hebben we met Kerstmis weer gezien met die Nigeriaan die een mislukte aanslag pleegde. Zijn gegevens, en riskante profiel, waren genoegzaam bekend, maar het heeft niemand in staat gesteld hem te kunnen weerhouden van zijn plannen. Je kunt bovendien ook te veel data verzamelen. Dan raak je het overzicht kwijt. De signaal-ruis-verhouding is volkomen zoek. Uit recent Amerikaans onderzoek bleek dat ongeveer 1% van alle gesprekken die door de Amerikaanse afluisterdienst worden getapt ook daadwerkelijk beluisterd wordt. Na 9/11 had je ook van die profileringsbedrijven zoals LexisNexis die allemaal zeiden: had maar naar ons geluisterd. 9/11 was ook in Nederland niet de katalysator, maar wel een versnelling.
Die Nigeriaan, daar werd weer zo absurd op gereageerd, nu helemaal met die bodyscanners op Schiphol. Totale onzin, want die scanners zien dat poeder niet! Waarom doen we dit in godsnaam? Het is cover your ass-politiek: politici kunnen het zich niet veroorloven om later geconfronteerd te worden met ‘u heeft indertijd besloten die poortjes niet te laten plaatsen’. Je zou bij al dit soort maatregelen kunnen zeggen ‘baat het niet, dan schaadt het niet’, maar daar ben ik het mee oneens. ‘
Disciplinering
‘Ik zie dat al deze maatregelen tot disciplinering leiden. Het effect is: bek houden, in de rij staan, waag het niet om uit de rij te stappen. Het opslaan van gegevens heeft een disciplinerende werking. Je durft er niet door uit de rij te stappen. Wie durft er nog met zijn OV-chipkaart naar de hoeren te gaan? Het is natuurlijk niet zo dat er permanent mensen al die data van mensen zitten te bespieden en analyseren, maar het geeft een voortdurende onzekerheid. Op al die plekken waar data verzameld worden zitten systeembeheerders. Dat zijn bijvoorbeeld studenten van mij. Die denken: laten we ‘ns kijken of we iets over professor Jacobs kunnen opduikelen. Je weet het domweg niet wie, waar en wanneer die data inziet. Als je betaal-tv hebt kan de commerciële sector heel exact bijhouden waar u naar kijkt, of u wel eens porno bekijkt bijvoorbeeld. Ook dat heeft een zelf-disciplinerende werking die ik niet wenselijk vindt. Mensen zullen zich steeds bewuster worden van de mogelijke opslag van hun gegevens. Mobiele telefoons gaan al uit ver voor de Wallen bereikt zijn. Met het rekeningrijden idem dito. De minister bezweert dat de gegevens uitsluitend gebruikt zullen worden om een rekening op te stellen, niet bijvoorbeeld voor snelheidscontroles. Maar hoe ver gaat de disciplinering die het gevolg is? Er kunnen patronen worden gezien, en gezocht. Als ik dit doe, gebeurt er iets raars. De Nederlandse privacywet laat koppelingen tussen al die verschillende bestanden overigens niet toe. Dat zag je ook in de veroordeling van dat Hilversumse bedrijf Advance (klik hier voor meer informatie over die zaak). Maar, en dat benadruk ik graag, wat niet is, kan nog komen. Van alle gegevens die je inlevert bij de huidige overheid moet je je realiseren dat het in handen komt van alle toekomstige regeringen. Er zijn ook maatregelen die ik heel wel begrijp, zoals wanneer het gaat om de medische wereld, waar het heel wenselijk is dat er meer informatie wordt uitgewisseld. Ziekenhuizen werken met ketenzorg: het is een soort wasstraat waar je doorheen gaat, de een gaat over dit, de ander over dat, al die kleine stukjes belanden in afzonderlijke dossiers, intussen wisselt het personeel, dus het is onvermijdelijk en ook heel legitiem dat er een centraal systeem is gekomen. De inrichting van dat Elektronisch Patiëntendossier kent op detailniveau zwakheden. De grootste zwakheid is de mens: peroneel in de medische sector is notoir slordig. De overheid heeft daarom een heel belangrijke taak om de wereld van de behandelaars en de verzekeraars gescheiden te houden. De DBC’s (diagnose-behandelcombinaties) maken het veel verleidelijk dat die werelden in elkaar grijpen.
‘Dan zijn er nog de RFID-chips. Het uiterste is dat de minister van Binnenlandse Zaken zou voorstellen om alle Nederlanders maar zo’n chip in de nek te schieten. Dat is verre science fiction, maar er wordt intussen natuurlijk al behoorlijk met die RFID-chip gewerkt: in de OV-chipkaart, in het nieuwe paspoort. Tot nu toe is het vooral het bedrijfsleven dat er meer uit wil halen. De supermarkt wil in ‘e’en keer een vol winkelwagentje kunnen scannen, hup het totaalbedrag. Erg fraudegevoelig natuurlijk, daarom wordt er nog flink aan gesleuteld en over nagedacht. Op Europees niveau wordt de discussie gevoerd: wat moet er gebeuren nadat je langs de kassa bent gelopen? Er wordt al driftig gefantaseerd door fabrikanten over de mogelijkheden: kleding die door de RFID weet bij welke temperatuur het gewassen moet worden. Dat er een rood lampje gaat branden als er iets in de was van 60 graden zit dat op 30 graden moet. De koelkast die aangeeft dat de melk bijna op is, etcetera.
Wat nu nog erg speelt is de wijze waarop die telecom-bewaarplicht, de dataretentie, wordt geïmplementeerd. De wetgeving is afgerond, maar hoe gaat dat gebeuren? Hoe wordt ons mail- en belgedrag bewaard? Ook rekeningrijden is natuurlijk spannend. Ook bij de biometrie ontwaar ik wat wij onder vakgenoten function creep noem: al die vingerafdrukken, waarom zouden we die eigenlijk in een paspoort zetten? Waarom geen centrale databank? Mijn hoofdpunt is: de overheid hanteert steeds meer instrumenten van een politiestaat. Goed voorbeeld is die dataretentie waar ik het net over had: dat je dat voor verdachten of veroordeelden doet is een ding, maar voor alle Nederlanders, ook voor onverdachte mensen! Het verzamelen van data onder het mom van: mocht je ooit iets verkeerds doen, dan hebben we die gegevens maar vast, dat is een instrument van een politiestaat. En dat is uiterst zorgelijk. Hetzelfde geldt voor de ANPR-scans boven de snelwegen. Dat de politie, op zoek naar misdadigers, de opnames tegen een hit-lijst houdt, kan ik me voorstellen, maar ze moeten de no-hit-gegevens dan weggooien. Maar wat er gebeurt is: ze blijven bewaard. En nog steeds is niet bekend voor hoe lang.’
Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?

Tabaco y Ron – Rodolfo y Su Típica Ra7
Van de nieuwe compilatie-cd Afro Sound of Colombia, weer zo’n parel op het Spaanse Vampi, komt dit Tabaco y Ron, een oorspronkelijk Venezolaans liedje, door velen opgenomen, maar hier in de definitieve versie, van Rodolfo Aicardi (echte naam: Marco Tuilo Aicardi Rivera, overleden in 2007). Alle hier gepresenteerde muziek verscheen in de late jaren zestig en vroege jaren zeventig in Colombia op het Discos Fuentos-label, dat zich had toegelegd op de Afro-Latin-cocktail van salsa, boogaloo, afrobeat en cumbia. Een glansrol was weggelegd voor de salsa van beroepsprovocateur Fruko en zijn begeleidingsgroep Sus Tesos. De tracks zijn volgens de samensteller DJ Bongohead gekozen omdat ze ‘fun, funky, unexpected, crazy and hot’ zijn, maar ik heb zo’n donkerbruin vermoeden dat dat voor de volledige archieven geldt. Fijn dus dat er in kleine letters ‘volume 1′ onder staat.
Zie en hoor Rodolfo Aicardi (op latere leeftijd) en Tabaco Y Ron hier.
Surprise hotel – Fool’s Gold
Nog meer Afrobeat die niet uit Afrika komt. Je zou het op het eerste gehoor niet zeggen, maar deze muziek komt uit Los Angeles. Lewis Pesacov kon zijn obsessie met Afrikaanse muziek maar mondjesmaat kwijt in zijn band Foreign Born en zag zich genoodzaakt om – samen met de van oorsprong Israëlische Luke Top – de groep Fool’s Gold op te richten. Op de titelloze debuutplaat experimenteren ze er lustig op los met Afrikaanse klanken en ritmes. ‘An Afrobeat Talking Heads’, schreef de criticus van The Guardian over deze groep, waarin ook leden van We Are Scientists en The Fall zijn opgenomen. Luke Top zingt voornamelijk in het Hebreeuws, zoals ook in deze aanstekelijke opener van de plaat, Surprise hotel.
Zie en hoor hier.
How come that blood – Sam Amidon
Twee jaar geleden hoorde ik voor het eerst van folkzanger Sam Amidon door zijn bijdrage aan de cd Mothertongue van de Newyorkse componist en arrangeur Nico Muhly. Het drieluik waarmee die cd besluit wordt gezongen door Amidon. Iedere keer dat hij zijn tekstregel in The only tune opnieuw zingt wordt de regel langer, wat de muziek iets meditatiefs geeft, en herinneringen oproept aan Gavin Bryars’ Jesus blood never failed me yet. Intussen hebben beide muzikanten (die samen ook deel uitmaken van de zogenaamde Bedroom Community, een gezelschap dat nogal artistiekerige, maar wel interessante muziek opneemt in een Ijslandse studio) op eigen kracht naam gemaakt. Muhly vooral als arrangeur, op platen van bijvoorbeeld Antony & The Johnsons en Sigur Rós-zanger Jónsi. Amidon met een reeks platen vol eigenzinnige versies van traditionals. De 29-jarige Amidon (oorspronkelijk uit Vermont) zingt ze eigenlijk behoorlijk monotoon, maar weet steeds een subtiele spanning te creeëren met behulp van strijkers en verstoorde elektronica. Op z’n nieuwe cd I see the sign – opnieuw een verzameling traditionals, aangevuld met een nummer van R. Kelly – wordt hij onder anderen bijgestaan door de Britse zangeres Beth Orton, met wie hij eerder ook al een duet-versie opnam van Big Stars klassieker Thirteen. Het nummer dat we draaien is de opener van de plaat, een echte murder ballad waarin een man z’n broer vermoordt, de misdaad opbiecht aan z’n moeder en vervolgens het land onvlucht. How come that blood.
Zie en hoor hier.
Hoewel – zowel audio als visueel – van aanzienlijk magerder kwaliteit, maar toch: zie en hoor ook Sam Amidon en Nico Muhly die How come that blood spelen in de Londense Union Chapel, januari jl. hier.
You’ve been warned – Dirty Sweet
De southern blues rockers van Dirty Sweet uit San Diego maakten drie jaar geleden naam met het debuut Of monarchs and beggars, stonden in de tussentijd al in een uitverkocht Paradiso, en brengen nu hun tweede in omloop, American Spiritual. Soms neigt de muziek van het langharige viertal te veel naar volvette rock die niet zou misstaan op Arrow Classic Radio, maar tegen zoiets als deze aanstekelijke single is geen weerstand te bieden.
Zie en hoor Dirty Sweet en (de clip bij) You’ve been warned hier.
Vaporize – Broken Bells
Toegankelijke, aangename popplaat van een duo waarvan de leden hun sporen al ruimschoots hebben verdiend. De ene helft van Broken Bells bestaat uit Danger Mouse, sterproducer, helft van het duo Gnarls Barkley dat tekende voor dé zomerhit van 2006 (Crazy), en niet te vergeten de man achter The Grey Album, het project dat bestond uit een totale mash up van The White Album van The Beatles en The Black Album van Jay-Z. De andere helft van Broken Bells is James Mercer, in het dagelijks leven zanger van de gitaargroep The Shins. Werkt heel erg goed, deze combinatie.
Hoor hier.
Tighten up – The Black Keys
Dezelfde Danger Mouse is als producer ook verantwoordelijk voor het geluid van de nieuwe (zesde alweer) van The Black Keys, het bluesrock-duo dat hier minder vuig klinkt dan voorheen. De single heet Tighten up, de cd Brothers verschijnt komende week. 28 juni in Paradiso, Amsterdam.
Hoor hier.
Wire wire – Jen Olive
Van het bijzondere officiële debuut Warm robot van Jen Olive, gecontracteerd door XTC’s Andy Partridge die haar ‘this astounding allegro algorhythm from Albuquerque’ noemt. Folk-knutsel-pop, maar toch gloedvol. Olive is de dochter van een jazz-zangeres en een trombonist, en het nichtje van de leading saxofonist in het orkest van Count Basie.
Hoor (en zie) ook de track Querquehouse hier.
Belly of June – Horse Feathers
Track van de nieuwe, derde cd Thistled spring van de folkgroep Horse Feathers uit Portland, het geesteskind van Justin Ringle en Peter Broderick. Multi-instrumentalist Broderick heeft de band inmiddels verlaten, maar het weelderige geluid is daarmee niet wezenlijk veranderd. Het aantal in het oog springende (folk-)acts uit Portland in Oregon is trouwens inmiddels bijna niet meer te tellen… wat een rijkdom daar.
Zie en hoor Horse Feathers en Belly of June hier.
Demon kitty rag – Katzenjammer
Noorse damesfolkgroep, ontstaan op de Popacademie in Oslo. Mag in de Gouden Gids onder de rubriek ‘Geschikt voor bruiloften en partijen’ en het mooie is: dat wordt nog een leuk feestje ook. De vrouwen, niet zelden gehuld in dirndljurkjes, maken er een sport van op het podium zo vaak mogelijk te wisselen van instrument. De naam Katzenjammer staat zowel voor ‘tumult’ als voor ‘kater’ (in de zin van: the morning after), de muziek is een potpourri van folk, bluegrass, Balkan-muziek en klassiek. Demon kitty rag staat nu als extra track op de cd-single Tea with cinnamon (ter promotie van een nieuwe versie van hun cd Le Pop), maar verscheen vorig jaar ook al zelfstandig als single.
Zie en hoor Katzenjammer en Demon kitty rag in de radio-studio van Giel Beelen hier.
Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?
Stranger – Dr. Dog
Openingstrack van de nieuwe (vijfde) cd Shame, shame van het kwintet Dr. Dog uit Philadelphia, dat nog altijd uitblinkt in pakkende liedjes en Beatleske harmoniezang. 25 mei in Paradiso, Amsterdam.
Hoor Dr. Dog en Stranger hier.
The marquee – Gigi
Gigi is het project van twee Canadese muzikanten, Colin Stewart en Nick Krgovich – niet te verwarren dus met de Ethiopische zangeres met dezelfde naam. Stewart en Krgovich, liefhebbers van georkestreerde jaren zestig-pop van Burt Bacharach en Phil Spector, schaften twee ouderwetse plate reverbs aan en trommelden voor Maintenant half Vancouver op in de plaatselijke Hive Studio’s. Zo treden onder meer Owen Pallett (voorheen Final Fantasy) en Mirah aan. Zangeres Katie Eastburn, die Krgovich kende van haar band Young People, neemt de honneurs waar in het aanstekelijke Bacharach-achtige The marquee. Eigenlijk was het meeste materiaal al in 2006 klaar, maar toen had Krgocvich nog niet bedacht dat het hij de liedjes niet allemaal zelf hoefde te zingen. Dat inzicht maakte het wachten meer dan waard. De cd is minstens zo geslaagd als die van het verwante Schotse God Help the Girl (2009).
Hoor Gigi en The Marquee hier.
En No, my heart will go on hier.
Blackberry stone – Laura Marling
My husband left me last night zingt de twintigjarige Britse folkzangeres Laura Marling in het titelnummer van haar nieuwe, tweede cd. ‘Soms heb ik geen controle over de manier waarop tekstregels zich presenteren,’ zei ze onlangs tegen NRC’s Jan Vollaard. ‘Die openingszin is het beste bewijs van het feit dat ik als liedjesschrijver doe wat het moment mij ingeeft. De vorm is die van een oude folksong, maar het liedje geeft mij het platform om mijn hart te luchten.’ En dan te bedenken dat het materiaal op de cd I speak because I can voor het overgrote deel al een paar jaar oud is. Het was geen huwelijk weliswaar, maar inmiddels heeft Marling wel een verbroken relatie achter de kiezen, die door haar partner ook al in muziek is omgezet (de cd First days of spring van Noah & The Whale, rond zanger Charlie Fink). En de derde cd van de produktieve Marling is al onderweg, dus wie weet kan de getalenteerde zangeres dan nu toch putten uit eigen ervaring. Het nummer Blackberry stone stond ook al op de playlists tijdens de eerdere toernees van Marling (ze speelde het ook vaak van Marcus Mumford, die intussen folkgroep Mumford & Sons heeft opgericht) en wordt op de nieuwe plaat prachtig subtiel aangekleed.
Hoor Laura Marling en Blackberry stone hier.
Forget it – Holly Golightly & The Brokeoffs
De Britse zangeres Holly Golightly, vroeger frontvrouw van Thee Headcoatees, raakt met iedere plaat verder verwijderd van het lo fi geluid waarmee ze in de jaren negentig naam maakte. Haar nieuwe cd Medicine county behoort tot de meest toegankelijke in de lijst. Daarvan draaien we Forget it, dat ook op single is uitgebracht.
Hoor hier.
Walk it off – Angus & Julia Stone
Het was die kinderlijke stem van Julia Stone die me ten tijde van het debuut A book like this van Angus & Julia Stone een paar jaar geleden een beetje te veel tegenstond, maar op de opvolger Down the way is het songmateriaal van het broer-zus-duo (oorspronkelijk uit Sydney, maar tegenwoordig woonachtig in Londen) bij tijd en wijle zo sterk dat er bijna geen ontkomen meer aan is. Zoals dit nummer Walk it off, waarin Julia Stone vooral doet denken aan de Ijslandse Emiliana Torrini. Vooruit, ik geef me gewonnen. Angus & Julia Stone waren trouwens onlangs te zien en te horen op het Motel Mozaique festival, maar keren komende week al weer terug naar Nederland; op Bevrijdingsdag staan ze in Paradiso, Amsterdam, een dag later in de Oosterpoort in Groningen.
Hoor hier.
Dear Friend – Emanuel & The Fear
Prachtig dwingende titel heeft dit debuut: Listen. Emanuel & The Fear is een elfkoppige groep uit Brooklyn die tot vervelens toe vergeleken wordt met The Polyphonic Spree. In een interview met een Vlaamse journalist zei bandleider Emanuel Ayvas zelf: ‘Wij zijn een soort mini-orkest. We gebruiken naast de gewone rockinstrumenten ook violen, trombones, cello’s en trompetten. We hebben elf leden, dat is ongewoon. Maar ik vind het interessant om met zoveel mensen muziek te maken. Enkelen van hen hebben al heel wat ervaring opgedaan, bij Sufjan Stevens bijvoorbeeld. Ik ben via via met die muzikanten in contact gekomen, en ik ben zeer blij dat ik met hen mag samenwerken. Het is trouwens altijd grappig om te zien of we met z’n allen op het podium passen! Dat kan dan misschien vol lijken, niemand voelt zich in een hoekje gedrukt, letterlijk én figuurlijk. Het genre dat we brengen kun je in het vakje orkestrale rock plaatsen’.
The keeper – Bonobo
Bonobo is de artiestennaam van de Britse triphop-producer Simon Green, die al jaren vol overgave laat horen dat lome lounge-achtige muziek ook spannend kan zijn. Dat doet hij door een consequent mooie spanningsopbouw, door onverwachte instrumenten voor het genre (strijkers, met name) en zeker ook doordat hij de juiste neus heeft voor gastzangers en – zangeressen. Op voorganger Days to come waren dat Fink en met name Bajka, op deze nieuwe plaat Black sands is dat zangeres Andreya Triana, zoals in dit nummer The keeper.
Zie en hoor hier.
Hoor ook het oudere Recurring van Bonobo hier.
Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?
Something, somewhere, sometime – Ben Sollee & Daniel Martin Moore
Something, somewhere, sometime van het gelegenheidsduo Ben Sollee en Daniel Martin Moore, dat de krachten bundelde voor een plaat waarmee ze protesteren tegen mountaintop removal in de Appalachen, de vorm van mijnbouw waarbij bergtoppen worden opgeblazen om toegang te krijgen tot de bodemschatten. Heel ecologisch verantwoord dus, maar dat mag de pret niet drukken. Sollee is cellist, Martin Moore debuteerde twee jaar geleden overtuigend met het ingetogen Stray age, dat herinneringen opriep aan Nick Drake. Ze komen allebei uit Kentucky, en schijnen elkaar te hebben leren kennen via MySpace. De cd, geproduceerd door Jim James (My Morning Jacket), heet Dear companion.
Zie en hoor Ben Sollee en Daniel Martin Moore tijdens een optreden hier.
And it spread – Avett Brothers
Scott en Seth Avett, alias The Avett Brothers, maakten in thuisland Amerika al naam met een reeks platen (negen, maar liefst), de nieuwste cd I and love and you is ook hier in Europa uitgebracht. Dat de plaat meer aandacht krijgt dan z’n voorgangers is ongetwijfeld onder meer te danken aan de naam van producer Rick Rubin. Gijsbert Kamer van De Volkskrant interviewde het duo onlangs en schreef in zijn artikel dat Rubin een specifiek geluid dat de broers maakten had onthouden. ‘Werkend aan de onlangs verschenen zesde en laatste plaat met uit de reeks American Recordings van Johnny Cash, moest hij er weer aan denken,’ schrijft Kamer. ‘Hij nodigde de broers uit en hun stemmen en hun voetstampen zijn te horen in het titelnummer Ain’t No Grave. Seth Avett: ‘Toen we met Rubin onze plaat opnamen, was ik geen moment nerveus, maar nu wel. Ik kreeg de kale stem van Cash over de koptelefoon en mocht met hem meedoen. Een liedje dat nog niemand kende, kregen wij als eerste te horen. Eng wel. Een mooie bekroning ook.’
Hoor The Avett Brothers en And it spread hier.
Immaterial – LoneladyZoals het al even Engelse La Roux vorig jaar de elektropop uit de jaren tachtig deed herleven, zo put deze Lonelady, een pseudoniem waarachter Julie Campbell uit Manchester schuil gaat, uit een ander jaren tachtig-vaatje. Volop echo’s van Joy Division, PIL en Gang of Four hier. Hoekige riffs, arty zang. De plaat is zelfs geheel in stijl opgenomen in een leeg industrieel pand: hoe eighties kun je worden. 23 april in Paradiso.
Hoor hier.
Til eru frae – Benni Hemm Hemm
Van 8 tot en met 11 april vond in Rotterdam weer het Motel Mozaique-festival plaats. Een van de bijzonderste acts was de Ijslandse groep Benni Hemm Hemm, die daar niet één keer optrad maar een paar dagen aaneen in steeds wisselende bezettingen. Dit nummer Til eru frae is terug te vinden op het debuut uit 2005. Het regende positieve reacties toen we het indertijd draaiden in De Ochtenden. Benni Hemm Hemm, tot op grote hoogte het project van Benedikt H. Hermannsson, bracht na dat debuut nog de – in de studio van Sigur Rós opgenomen – cd Kajak uit en eerder deze maand nog een nieuwe EP. Nog altijd mooi, maar jammer dat hij steeds meer in het Engels zingt. Het verbreekt een beetje de betovering.
Hoor hier.
Go do – Jónsi
Dat geldt zeker ook voor Sigur Rós-zanger Jónsi (Birgisson), op zijn solodebuut. Kennelijk is dat Ijslands een belangrijk ingredient van de toverformule waarvan ook Sigur Rós zich bedient. Sterker nog, bij Sigur Rós zong hij vaak met diezelfde kopstem in een zelfbedacht taaltje waardoor zijn muziek per definitie niets anders uitdrukte dan de muziek zelf. Jónsi, die voor zijn soloproject onder anderen arrangeur Nico Muhly inschakelde, klinkt in deze uitbundige single behoorlijk schaamteloos. Het grenst aan jubel-kitsch wat hij doet, maar hij komt er mee weg. Zeker in een week waarin vulkanisch as uit Ijsland ons luchtverkeer lam legt.
Zie en hoor Go do hier.
Zie en hoor ook Sigur Rós met Starálfur (1999) hier.
Zebra - Beach House
Beach House is een wonderlijk duo uit Baltimore, en het typerende stemgeluid is van de oorspronkelijk Franse zangeres Victoria Legrand. Zebra heet het nummer en het staat op hun nieuwe, derde cd Teen dream.
Zie en hoor Beach House en Zebra hier.
En zo klinkt het als een kinderkoor het zingt!
True love castout all evil – Roky Erickson with Okkervil River
Een eerste muzikaal levensteken van de inmiddels 63-jarige psychedelica- en garagerocklegende Roky Erickson (van de jaren zestig-band The 13th Floor Elevators) in veertien jaar tijd, deze geslaagde samenwerking met de mannen van Okkervil River onder leiding van Will Shef. Titelnummer van de cd, verschenen op het Schotse Chemikal Underground.
Zie en hoor hier.
Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?
In the sun – She & Him
Twee jaar geleden maakten ze als She & Him al samen een plaat vol zonnige sixtiespop, zanger-gitarist M. Ward en zangeres-actrice Zooey Deshanel. Volume One heette die plaat, dus daarin school al een belofte. En inderdaad, het net verschenen Volume Two is van hetzelfde laken een pak, en gelukkig maar. In the sun, met medewerking van Tilly & The Wall, is de single. Het duo leerde elkaar indertijd kennen op de set van de film The Go-Getter, waarin Deshanel de hoofdrol vertolkt. Het eerste dat ze samen opnamen was een versie van Linda & Richard Thompsons When I get to the border, maar van hun gedeelde interesses is de muziek van Phil Spector het meest hoorbaar. Dat maakt She & Him tot een van de leukste acts in de almaar uitdijende lijst van jonge Spector-adepten (denk ook aan The Morning Benders, Gigi, The Last Shadow Puppets). Om de Spector-mania luister bij te zetten verscheen ook zojuist de cd Phil Spector – The Early Productions, waarop de beginjaren van het Wall of Sound-genie in wording zijn gedocumenteerd. Van de allereerste opname met The Teddy Bears in 1958 tot de vooravond van zijn doorbraak in 1963. Spector zelf zit intussen een gevangenisstraf uit van 19 jaar vanwege doodslag op de actrice Lana Clarkson.
Zie en hoor hier.
She & Him treedt 6 mei op in De Melkweg in Amsterdam.
Lion face boy – Seabear
Wat is dat toch met dat Ijsland? Nog altijd dienen zich nieuwe, inventieve groepen aan die alle wel wat van elkaar weg hebben, maar toch ook een eigen geluid hebben. De tijd dat Ijsland muzikaal gezien gelijk stond aan Björk, ligt ver achter ons. Het debuut van Seabear had ik twee jaar geleden over het hoofd gezien, maar de nieuwe cd We built a fire komt nu bovendrijven in het aanbod. Een zevenkoppige groep, ooit begonnen als eenmansproject van student visuele kunsten Sindri Mar Sigfussen, met zachtaardige folky liedjes die soms een venijnig randje hebben. Met glansrollen voor trombone, hoorn, trompet , ukelele en banjo, dus dan weet u wel hoe laat het is. Lion face boy is de nieuwe single. De teksten zijn alle in het Engels – net als op de nieuwe EP van het al even Ijslandse Benni Hemm Hemm trouwens, waar het de oude betovering een beetje verbreekt.
Hoor Lion face boy hier.
Tramps and hawkers – Erland & The Carnival
Van het titelloze debuut van Erland & The Carnival, een Engelse groep die zich onder meer laaft aan Schotse en Engelse folkklassiekers zoals dit Tramps and hawkers. De groep heeft zich vernoemd naar het nummer My name is carnival van Jackson C. Frank. Spil van Erland & The Carnival is het duo Erland Cooper en Simon Tong, die eerder onder meer deel uitmaakte van Blur. Cooper deed speurwerk bij het Vaughan Williams-museum in zijn woonwijk, en bestudeerde de oeuvres van Bert Jansch en Davey Graham als bijbels.
Zie en hoor ook de single Was you ever see hier.
Our team is grand – Clare & The Reasons
Vorige week traden ze op in Paradiso, deze Newyorkse groep Clare & the Reasons rondom de klassiek geschoolde zangeres en songschrijver Claire Muldauer. Muldauer is de dochter van songschrijvers Geoff Muldauer en Maria Muldauer en de zus van Jenni Muldauer, die onlangs nog een soulplaat uitbracht. Het begint al met al dus een beetje te lijken op het verhaal van de familie Wainwright. De tweede cd Arrow is verschenen, even rijk georkestreerd als het debuut twee jaar geleden en even schatplichtig aan Disney, vintage Hollywood en Van Dyke Parks. En met een even glansrijke hoofdrol voor het zoetgevooisde stemgeluid van Clare zelf. Met een gastrol van Shara Worden van My Brightest Diamond.
Zie en hoor een live-versie van Our team is grand van Clare & The Reasons hier. En het bewijs dat je ook van Everybody wants to rule the world iets moois kunt maken (als je maar wìl..) hier.
Do wah do – Kate Nash
Ook zoetgevooisd, maar dan wel héél anders. Drie jaar geleden debuteerde ze met een door-en-door-Engelse plaat vol leuke, grofgebekte grotestadsliedjes, deze Kate Nash uit Londen. Kitchen sink drama’s van telkens drie-en-halve minuut, waaraan de Engelse censoren met hun bliepjes en ***jes een harde dobber hadden. Nu is ze terug, met deze single die de voorloper is van haar tweede cd My best friend is you, en kennelijk is er nog altijd een bitch die haar het leven zuur maakt. Net als collega Lily Allen weet Kate Nash haar streetwise teksten te koppelen aan vrolijke, inventieve melodieën. Do wah do had zo op het debuut Made of bricks gekund. Waarmee is gebleken dat ze ons met I just love you more, een stevig punky nummer dat een maand geleden al als voorbode op het net werd vrijgegeven, een beetje op het verkeerde been zette. Kate Nash staat 30 mei op Pinkpop, en doet een week later Paradiso aan.
Zie de clip bij Do wah do hier.
En haar doorbraakhitje Foundations uit 2007 hier.
Reflecting light – Sam Phillips
Reflecting light van Sam Phillips, het maakte al indruk toen ze het zes jaar geleden uitbracht (het stond op haar cd A boot and a shoe), maar het is nu in een geremixte versie ook terug te vinden op de soundtrack van de film Crazy heart. De film, waarin Jeff Bridges een country-zanger op z’n retour speelt, draait momenteel in de bioscoop. Phillips, de ex van T-Bone Burnett en ooit begonnen als reli-zangeres, maakte zelf overigens ooit furore als terroriste in (echt waar!) het Bruce Willis-vehikel Die hard with a vengeance. Van veel markten thuis dus, deze vrouw.
Hoor Sam Phillips’ Reflecting light hier.
Spit on a stranger – Pavement
Terug met een best of-cd (Quarantaine: The Past) en een reünietoer, deze groep Pavement, die elf jaar geleden uit elkaar ging. In de jaren negentig een van de boegbeelden van wat we toen lo fi noemden. Spit on a stranger verscheen oorspronkelijk op de laatste reguliere Pavement-cd, Terror twilight. Klinkt nog altijd goed, met die onweerstaanbaar lijzige zang van Stephen Malkmus. Pavement werd aanvankelijk sterk beïnvloed door The Fall. Fall-zanger Mark E. Smith deed de groep aanvankelijk af als een ‘rip off’ van zijn groep (maar goed, wat moest hij anders?), maar staat straks met The Fall wèl op het door Pavement te organiseren All Tomorrows Parties-festival, in mei in Somerset. De nieuwe (28e!) Fall-plaat The future our clutter is dan intussen ook uit. Voor wie het dichter bij huis zoekt: Pavement is 8 mei te zien in Paradiso.
Zie en hoor Pavement en Spit on a stranger hier. En in de hoogtijdagen, in ’94 in de Tonight Show van Jay Leno met Cut your hair hier. En drie jaar later in de show van Conan O’ Brien met Stereo hier.
Reach out for me – Lou Johnson
De tekst in het boekje bij de cd Lou Johnson – Incomparable soul artist (op Ace/Kent) begint met een retorische vraag: ‘If there were to be pop quiz questions as to who first recorded classics songs as Reach out for me, Always something there to remind me and Message to Martha, how many people beyond the circles of the readership of In the Basement could answer, without hesitation, Lou Johnson?’ Inderdaad, het zijn liedjes van Bacharach & David die stuk voor stuk vooral gelieerd zijn aan Dionne Warwick. Dat geldt ook voor Walk on by en The last one to be loved, ook allebei present op deze compilatie. Eigenlijk diende, zo maak ik uit de begeleidende tekst op, Lou Johnson voor Bacharach & David als proefkonijn. Hij was inderdaad de eerste die deze klassiek geworden nummers opnam, maar dat neemt niet weg dat Bacharach ze niet voor hem, maar voor Dionne Warwick had geschreven. ‘He told me that,’ vertelt Johnson. ‘But at that time, for some reason, they did them on me first’. Het leidde tot nauwelijks vergelijkbare versies van liedjes die domweg niet stuk kunnen. Een geluid ook dat nog altijd geïmiteerd en soms geëvenaard wordt, zoals op de net verschenen plaat Maintenant van het project Gigi. Op Reach out for me (1963) zijn Cissy Houston en Judy Clay te horen als achtergrondzangeressen.
Hoor Lou Johnson en Reach out for me hier.
Revolution – Mavis presented by Ashley Beedle & Darren Morris, feat. Candi Staton
Over Bacharach gesproken… Het was de versie van Bacharachs A house is not a home van Mavis Staples (hoor hier), die het Britse DJ-producersduo Ashley Beedle en Darren Morris op het idee bracht voor een hommage aan Mavis Staples (en de Staple Singers). Resultaat is de cd Mavis. Een opmerkelijk gevarieerd gezelschap treedt aan op het zwoele klanktapijt van Beedle en Morris, van Lambchop’s Kurt Wagner en Edwyn Collins (remember Orange Juice?) tot de altijd overtuigende Candi Staton.

Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?
Thirteen – Big Star
Invloedrijk is waarschijnlijk het woord dat het meest valt in de postuumpjes over Alex Chilton. Dat is terecht, maar ook een beetje tragisch omdat zijn naam bij het grote publiek ondanks al die invloed waarschijnlijk geen bel doet rinkelen. Aan z’n liedjes ligt het niet. Thirteen, afkomstig van #1. Record uit 1972, is onbetwist één van zijn mooiste. Ik ken in elk geval geen liedje dat de aantrekkingskracht van popmuziek als je opgroeit zo voelbaar maakt. Een ontroerende kalverliefde doet de rest.
Won’t you let me walk you home from school
Won’t you let me meet you at the pool
Maybe Friday I can
get tickets for the dance
and I’ll take you
Won’t you tell your dad, ‘Get off my back’
Tell him what we said ’bout ‘Paint It Black’
Rock ‘n Roll is here to stay
Come inside where it’s okay
And I’ll shake you.
Won’t you tell me what you’re thinking of
Would you be an outlaw for my love
If it’s so, well, let me know
If it’s ‘no’, well, I can go
I won’t make you
Gisterochtend werd bekend dat Alex Chilton woensdag in een ziekenhuis in New Orleans is overleden. Voor Top 2000-liefhebbers is hij vooral de zanger van The Letter van The Box Tops uit 1967 (Chilton nog met een geaffecteerd ‘zwarte’ stem), maar het zijn vooral zijn platen uit de jaren zeventig met de groep Big Star die hem tot een van de meest invloedrijke popmuzikanten van zijn generatie maakten. Platen waarmee hij, zoals overal wordt gememoreerd, de weg bereidde voor latere bands als The Replacements (die het nummer Alex Chilton schreven), R.E.M., Jeff Buckley en vele, vele anderen. Chilton was ook producer van de vroege platen van The Cramps. David Kleijwegt schreef een paar weken geleden nog een mooi stukje over hem in Vrij Nederland, nadat hij de breekbare Chilton ergens in de VS op een vliegveld had gespot: ‘Ik zoek en herken Alex Chilton – en dat is voor een echte fan behoorlijk treurig – aan het volmaakt ronde kale plekje op zijn achterhoofd en, minder erg, zijn opvallend grote bruine schoenen. Hij zit bij gate D3, bestemming Newark New York, bleke french fries uit een bakje te eten. Ik blijf voor een moment staan kijken. Even zoekt Alex Chilton mijn blik, of misschien lijkt het maar zo. Ik hoor hem, de bitterste ex-popster die er bestaat, in mijn gedachten zeggen: ‘Laat me met rust.’ Maar hij hoeft niet te vrezen, geen moment zou ik het in mijn hoofd halen hem lastig te vallen.’ Morgen zou Chilton met Big Star in Austin op het SXSW-festival optreden. Hij is 59 jaar geworden.
Hoor Big Star en Thirteen hier. Er zijn ook mooie versies van onder meer Elliott Smith, Evan Dando en Teenage Fanclub.
En September gurls hier. En Holocaust hier. En The Letter van The Box Tops hier.
Flowers (Eurydice’s song) – Anaïs Mitchell
Samen met componist Michael Chorney bewerkte zangeres Anaïs Mitchell de Griekse mythe van Orpheus en Eurydice en maakte er een folk opera van, die de afgelopen jaren in Amerikaans theaters te zien was en waarin de onderwereld Hades bestaat uit een stadje in het Amerika ten tijde van de Great Depression. Orpheus bespeelt derhalve niet zijn lier, maar de banjo. De muziek uit die folk opera Hadestown verschijnt nu op cd en daarvan draaien we Flowers – Eurydice’s song.
Zie en hoor een impressie van de folkopera Hadestown hier.
Kala Djula – Ali Farka Toure & Toumani Diabate
Kort na het succes van hun gezamenlijke cd In the heart of the moon vijf jaar geleden namen de Malinese kora-speler Toumani Diabaté en gitarist Ali Farka Touré improviserenderwijs nóg een gezamenlijke plaat op. Het zouden de laatste opnamen worden voor Touré, die in het voorjaar van 2006 overleed. Het heeft een kleine vijf jaar geduurd, maar die tweede plaat (Ali and Toumani) , als even hemels als de eerste, ligt nu in de winkels en daarvan draaien we Kala djula.
Zie en hoor Kala djula hier.
Ain’t no grave – Johnny Cash
Nog meer postuum werk. Ain’t no grave is het titelnummer van het zesde en laatste deel van de serie American Recordings, de platen die Johnny Cash tijdens de laatste jaren van zijn leven opnam met producer Rick Rubin. De plaat werd opgenomen in de periode tussen de dood van zijn vrouw June Carter en zijn eigen sterfdatum in september 2003. Indrukwekkende zwanezang.
Hoor en zie hier.
Protection racket – Fionn Regan
Fionn Regan is een singer-songwiter uit Dublin die vier jaar geleden debuteerde met een plaat vol dromerige akoestische folkliedjes en nu – een stuk geruislozer dan zijn held Bob Dylan in 1965 die er voor van hoogverraad werd beticht – de overstap maakt naar een elektrisch versterkt, steviger geluid. Staat ‘m wel goed. Die pompeuze titels (de cd heet The shadow of an empire, de voorganger The end of history) nemen we maar voor lief.
Hoor hier.
Excuses – The Morning Benders
Big echo heet de charmante cd van dit Californische kwartet The Morning Benders dat de beroemde Wall of Sound omarmt. Zo dol zijn ze op dat geluid en eigenlijk op alles dat naar de sixties riekt, dat de plaat zelfs begint met het geluid van een pick-up-naald die in de groef landt. We hebben het allemaal al veel vaker gehoord, maar het sprankelt als de lente die zich aankondigt, en daar gaat het om.
Hoor en zie hier.
Oh, the divorces! – Tracey Thorn
Oh, the divorces! is de eerste vrijgegeven track van de nieuwe cd Love and its opposite van voormalig Everything But The Girl-zangeres Tracey Thorn (ook de stem op Massive Attacks hit Protection), die later dit voorjaar uitkomt. Mooie wals, die met stip binnenkomt in het lijstje van rake echtscheidingsliedjes. That one is his fault/ That one is her fault/ No one gets off without paying the ride. Voor het B-kantje nam ze trouwens een versie op van Vampire Weekends Taxi cab, dat een paar weken geleden nog op onze playlist stond.
Hoor hier.
Measure – Field Music
Titelnummer Measure van de nieuwe dubbel-cd van Field Music, de groep van de broers David en Peter Brewis uit het Engelse Sunderland. Ongrijpbare plaat en groep door de veelvoud aan stijlen en ideeën, al zijn de jaren zeventig nooit ver weg.
Zie en hoor Field Music en Measure live tijdens een instore hier.
I learned the hard way – Sharon Jones & The Dap-Kings
Titelnummer I learned the hard way van de nieuwe cd van Sharon Jones & The Dap-Kings, het paradepaardje van het toonaangevende soul-label Daptone uit Brooklyn. Sharon Jones & The Dap-Kings zijn met hun vintage soul natuurlijk ook ruimschoots vertegenwoordigd op de prima Daptone Gold-verzamelaar, die onlangs verscheen.
Hoor hier.
Welke muziek klonk deze en vorige week in Villa VPRO?
5 steps 7 swords – Get Well Soon
Een conceptplaat maken over het stoïcisme, dat bedenkt waarschijnlijk alleen een Duitser. Eerste gedachte: wat een pretentieuze snob is deze Konstantin Gropper uit Hamburg, de man achter de groep Get Well Soon. Maar indrukwekkend is zijn muziek bij tijd en wijle wel, zoals in dit pompeuze, door Balkanblazers gedragen 5 steps 7 swords. De cd heet Vexations, naar een compositie van Erik Satie. Wie de moeite neemt de teksten te analyseren stuit op Jean Paul Sartre, op Werner Herzorg, Peter Sloterdijk en Moby Dick. En dat is nog maar een kleine greep, want namedropping is klaarblijkelijk Groppers middle name. En dat schilderij op de hoes, dat is van de Roemeense kunstenaar Adrian Ghenie. En Wim Wenders heeft ‘m ook al gestrikt voor een soundtrack. Zo, nu houden we op. Gewoon maar luisteren.
Hoor hier.
Iemand wees me ook nog op de gelijkenis met de melodie van de opening van het Stabat mater van Pergolesi. En inderdaad. Hoor hier.
Trouble you a trouble me – Ini Kamoze
Op Dancehall 2 – The rise of Jamaican Dancehall Culture wordt de draad opgepakt waar deel 1 van deze cd-serie op Soul Jazz stopte. We zijn aanbeland in de vroege jaren ’80, met onder anderen Ini Kamoze‘s Trouble you trouble me, indertijd een van zijn eerste 12 inches, en geproduceerd door Sly & Robbie. Volgens Villa VPRO-presentator Pieter van der Wielen roept het herinneringen op ‘aan menig weggespijbelde middag met Trik Trak, flipperkast en waterpijp’. Kan ik me alles bij voorstellen. Andere dancehall-grootheden op deze compilatie zijn onder anderen Buju Banton, Shabba Ranks en Yellowman.
Hoor hier.
Taxi cab – Vampire Weekend
Een van de revelaties twee jaar geleden, deze Newyorkse groep Vampire Weekend, razend populair op de college-radiozenders in Amerika. Van de nieuwe, tweede cd Contra draaien we ditmaal Taxi cab, een buitenbeentje op de plaat dat een vergelijkbare rol speelt als het nummer M79 op het titelloze debuut: het is elegant en barok – in de meest letterlijke zin, door het gebruik van klavecimbel, piano en cello – maar de pulse is elektronisch. Veel minder een smeltkroes dan het gros van de liedjes, maar beslist een van de sterkste tracks.
Hoor hier.
Vendela Vida – Dinosaur Feathers
Het Newyorkse trio Dinosaur Feathers wist de afgelopen maanden geheel buiten de oude geijkte kanalen – via weblogs en gratis downloads – de aandacht op zich te richten. Deze maand verschijnt de eerste volwaardige cd Fantasia memorial, daarvan draaien we het latin-achtige Vendela Vida. Het nummer is vernoemd naar de schrijfster en scenariste Vendela Vida (gehuwd met Dave Eggers, met wie ze het script voor de film Away we go schreef), maar gaat niet echt over haar. I got Vendela Vida/ You got Boris in tow/ She only comes when I read her/ You only come when I go/ I got a past and a future/ You’re working on your present tense/ And while I examined the sutures/ You were mending your fence/ And I have got the cross to bear for your confusion/ Dreamers always end up back in Chinatown/ And if you really, really, really are connected to the things that you believe/ Well, to finally write your story is to let a thousand other stories bleed.
Zie en hoor Dinosaur Feathers ook met Know your own strength hier.
Sailor song – First Aid Kit
Zoals dat gaat: wat lang als gedateerd klonk, klinkt nu weer modieus, met dank aan bijvoorbeeld deze Zweedse folkie zusjes Klara en Johanna Söderberg, respectievelijk 16 en 18 jaar, uit Enskede, een voorstadje van Stockholm. Twee jaar geleden viel First Aid Kit op met een mooie debuut-EP en een cover van Tiger mountain peasant song van de populaire groep Fleet Foxes, geheel in stijl opgenomen in het Zweedse bos (zie en hoor hier), nu zijn ze terug met een nieuwe cd The big black and blue. De belofte wordt nog niet helemaal ingelost, daarvoor is het materiaal nog net iets te weinig onderscheidend, maar mooi is hun samenzang wel.
Zie en hoor First Aid Kit en een live-versie van Sailor song hier. De dames namen onlangs ook een cover op van Buffy Sainte-Marie’s Universal soldier, zie en hoor hier. Voor doorluisteren: toevallig verscheen zojuist een compilatie van de Canadese zangeres en (Indianenrechten-) activiste Buffy Sainte-Marie onder de titel Soldier blue – The best of the Vanguard years.
Written in reverse – Spoon
Spoon is terug. De Texanen, die zich 17 jaar geleden bij de oprichting vernoemden naar een liedje van de Duitse avantgarde-groep Can, schurken op de zevende cd Transference meer dan ooit aan tegen recht-toe-recht-aan-rock, maar alleen al die vlijmscherpe stem van zanger Britt Daniel maakt dat Spoon eigen blijft klinken. Gaat er nog altijd in als koek.
Zie en hoor Spoon en Written in reverse hier.
Modern drift – Efterklang
Nieuwe single van de groep Efterklang uit Kopenhagen. Efterklang – Deens voor ‘nagalm’ – schildert nog steeds met trefzekere penseelstreek laag op laag, maar het resultaat is steeds minder hermetisch. Op de nieuwe plaat Magic chairs blijkt het gezelschap prima in staat om liedjes met een kop een staart te maken, overigens zonder hun eigenzinnigheid en oorspronkelijkheid te verliezen. In Modern drift, waarin zich de invloed van mimimal music doet gelden, klinkt Efterklang even sprookjesachtig als levenslustig. Een nummer dat hevig doet verlangen naar het voorjaar (en dat deden we toch al zo). De toegankelijkere fase van Efterklang gaat gepaard met een overstap van het kleine experimentele label Leaf naar het grotere 4AD. Efterklang treedt nog altijd in steeds wisselende bezettingen op. Komende week treedt de groep bijvoorbeeld op in Manhattan met een achtkoppig kinder-orkestje, voor de gelegenheid omgedoopt tot Efterkids. In mei komt de groep naar Nederland.
Zie en hoor Efterklang met Modern drift hier.
Sam Clemens – Young Republic
Sam Clemens staat op de nieuwe, tweede cd Balletesque van de groep Young Republic uit Boston. Spil van de groep is Julian Saporiti, die in oktober tegen The Daily Growl over dit Dickensiaanse nummer zei: ‘It is one of our more original pieces of music as the harmony took us into new territory with the first appearance of a minor-major 7 chord and some clever modulation. I have a very fond memory of playing this song under falling leaves in full skeleton make up on Halloween of last year. To me, that image is the best way I can describe it. Maybe Chris will release the video someday. The tuba solo is my favorite musical moment of the whole album.’
Die ‘Halloween’-video in de vrije natuur is intussen op YouTube te vinden. U vindt hem hier.
Good intentions paving company – Joanna Newsom
Tot bloedens toe bespeelt ze soms haar harp, de klassieke geschoolde folkzangeres Joanna Newsom, die de laatste jaren een grotere schare fans heeft gekregen de toernees die volgden op haar imposante door Van Dyke Parks gearrangeerde cd Ys (2006) waarop de meeste nummers veel te lang zijn voor Radio 1. Haar heks-achtige stemmetje heeft steeds meer weg van het geluid van de jonge Joni Mitchell. Maar liefst 3 cd’s telt haar nieuwste, Have one on me, opnieuw opgedeeld in – naar popmaatstaven – lange stukken. Daarvan draaien we Good intentions paving company (of in ieder geval een deel ervan). Hoor hier.
House on the hill – Emma Pollock
Vroeger zong ze bij de Delgados, deze Schotse zangeres Emma Pollock. Eigenlijk was ze toen al degene die die groep zo aantrekkelijk maakte. Haar tweede soloplaat is net uit, The law of large numbers, en verschijnt natuurlijk op het illustere Chemical Underground-label waarmee de Delgados bekend werden. Sfeervolle plaat, mooie liedjes – niets nieuws onder zon.
The beautiful young crew – Lawrence Arabia
Nieuw-Zeelander James Milne, bekend van The Brunettes maar ook onder meer als bassist in Okkervil River en de groep van Feist, heeft een nieuw vehikel om zijn Beatles- en Beach Boys-voorliefdes aan op te hangen, het project Lawrence Arabia. Van de (tweede) cd Chant darling draaien we The beautiful young crew. Zie en hoor hier.
Go on – Basia Bulat
Een van de grootste folktalenten van de jongste generatie, deze Basia Bulat uit Canada (onlangs nog hier in Utrecht in het kader van het Le Guess Who?-festival). Haar langverwachte tweede cd is net uit, heet Heart of my own, en daarvan draaien we de onstuimige opener Go on. Zie en hoor een akoestische solo-live-versie hier.
Valencia – Josh Rouse
Met de emigratie van Nebraska naar de Spaanse kust (de liefde van z’n leven achterna) is de muziek van Josh Rouse ook steeds Spaanser geworden. Z’n nieuwe cd die binnenkort verschijnt heet El Turista, is doordrenkt van Mediterrane en Zuid-Amerikaanse sferen, maar opgenomen in Nashville. Dat dan weer wel. Dit opwindende nummer Valencia, vernoemd naar zijn Spaanse woonplaats, verscheen alvast op een EP. Hoor de cd-versie hier en een versie op straat hier.
California dreamin’- Barry McGuire
You heard it here first! is de titel van de onvolprezen cd-reeks waarop de originele versies van latere hits zijn te vinden. Toen Barry McGuire deze opname van California dreamin’ maakte, waren de bevriende leden van The Mamas and the Papas nog naarstig op zoek naar nummers en een producer. ‘Joh, mogen wij dat nummer niet van je overnemen?’ vroegen ze, en ja, Barry McGuire was de beroerdste niet. Sterker nog, hij koppelde ze aan Lou Adler, de producer bij wie hij onder contract stond. McGuires stem werd van de opname gewist. Wie alleen het linkerkanaal beluistert van de hitversie hoort zijn stem heel even aan het begin, waarna hij ruw wordt weggefaded. De mondharnicasolo werd een altfluitsolo (van Bud Shank) en de rest is geschiedenis. California dreamin’ , geschreven door John en Michelle Phillips, werd later ook opgenomen door onder anderen Bobby Womack, de Four Tops, de Beach Boys, The Carpenters, The Jacksonians en Lee Moses.
Hoor de prachtige versie van Lee Moses hier. Zie en hoor de hitversie van The Mamas and the Papas hier. En Barry McGuire een paar jaar geleden die ‘zijn’ nummer nog eens vertolkt hier.
Andere originelen op deze tweede uitgave in de reeks You heard it here first! zijn onder meer het Italiaanse origineel van Dusty Springfields melodramatische You don’t have to say to love me, geschreven en vertolkt door Pino Donaggio (Io che non vivo senza te) en de opname uit 1939 van Mbube door Soloman Linda’s Original Eving Birds, een improvisatie die via een lange omweg (Pete Seeger doopte het Wimoweh) leidde tot het nummer The lion sleeps tonight, in 1961 een hit voor de Tokens en in 1985 voor Tight Fit.
Two friends like us – Musee Mecanique
Ze grossieren in liedjes van weemoed en verlangen, dit duo Musee Mecanique uit Portland, vernoemd naar een museum in San Fransisco vol mechanisch verkregen muziekinstrumenten. Micah Rabwin en Sean Ogilvie maakten met Hold this ghost een plaat die soms een tikkie psychedelisch klinkt, maar op de beste momenten herinnert aan Air (denk Cherry blossom girl), zoals in dit dromerige Two friends like us.
I don’t want to have to wait – Barbara & The Browns
Tot slot: op de site van Ace Records las ik dat Barbara Brown op 3 februari is overleden. Geweldige southern soul-zangeres, die weliswaar al bijna veertig jaar geen muziek meer had opgenomen maar van wie drie jaar geleden nog een mooi overzicht verscheen, Can’t find happiness.
Welke muziek klonk deze week in Villa VPRO?
Lewis takes action – Final Fantasy
Walt Disney, musical, Van Dyke Parks en de Beach Boys – je hoort het allemaal terug in deze avontuurlijke track van de nieuwe cd Heartland van Michael James Owen Pallett, een veelzijdige Canadese muzikant die schuilgaat achter het pseudoniem Final Fantasy. Pallett, wiens vader kerkorganist was, is van huisuit violist, werkte met onder meer Beirut en The Hidden Cameras en is arrangeur van de orkestpartijen op de beide albums van The Arcade Fire. Vorige maand verspreidde Pallett het bericht dat hij zich genoodzaakt voelt het pseudoniem Final Fantasy niet langer te gebruiken. Friends, I began playing solo violin shows in 2004. Although it was essentially a solo project, I named the band Final Fantasy, as the experience– and the tone of the material– was reminiscent of the hours and hours I had spent as an adolescent playing those epic JRPGs. But the laws of trademark infringement exist for good reason, and so I am voluntarily retiring my band name. I feel it is in my own best interests to definitively distinguish my music from Square/Enix’s games. So, I am no longer playing shows as Final Fantasy. Nou was het ook al niet erg handig gekozen, die artiestennaam, want wie googlede ving altijd bot en belandde bij de games waar Owen als kind zo verzot op was. Ook dat probleem is nu verholpen.
Zie en hoor Owen Pallett en Lewis takes action met orkest live hier.
Paradise circus – Massive Attack
Massive Attack keert half februari terug met een nieuwe cd en dit is de single die de plaat vooruitsnelt, voorzien van een controversiële clip waarin flarden van het nummer worden afgewisseld met een interview met de inmiddels 73-jarige oud-porno-actrice Georgina Spelvin. ‘When there’s a camera running, it’s so thrilling. God help me, I love the camera’. Het filmpje toont ook de hoogtepunten uit haar porno-oeuvre, dus dat brengt de tv-muziekzenders weer in problemen. De zangeres in het nummer is Hope Sandoval, tot nog toe vooral bekend als de schuwe frontvrouw van Mazzy Star. Andere vocalisten op de cd Heligoland zijn onder anderen usual suspects als Horace Andy, Martina Topley-Bird en Damon Albarn. Massive Attack zelf is al enige tijd teruggebracht tot het kernduo Robert Del Naja (3D) en Grand Marshall (Daddy G).
Zie de film van Toby Dye bij Paradise circus hier.
Addicted to love – Florence & The Machine
U kent het origineel waarschijnlijk nog van Robert Palmer, deze versie is van de Engelse groep Florence & The Machine. Niet terug te vinden op de cd Lungs, wel onder meer als extra track op de single You got the love. De single van Robert Palmer werd indertijd voorzien van een clip met fotomodellen die een gitaar kregen omgehangen en moesten optreden als showroom mannequins – een concept dat Palmer nog een paar keer herhaalde in latere clips. Addicted to love werd ook al eens gecovered door Ciccone Youth, een gelegenheidsproject van Sonic Youth. Die versie, met Sonic Youths Kim Gordon op zang en terug te vinden op The Whitey Album, werd opgenomen in een karaoke booth. Kim Gordon kon er al wat van, maar deze versie van Florence Welch overtreft wat mij betreft alle eerdere versies.
Hoor de versie van Florence & The Machine hier. Het origineel van Robert Palmer (1986) hier. En de versie van Ciccone Youth (1988) hier.
Whiskey flats – Bosque Brown
Whiskey flats staat op de cd Baby van Bosque Brown, het alias van zangeres Mara Lee Miller, vernoemd naar de troebele rivier die door het kleine Texaanse dorp Stephenville stroomt, waar ze opgroeide.
Zie en hoor Bosque Brown ook met Went walking hier.
Bandsman shooting case – Wilmouth Houdini & His Humming Birds
Track van de prachtige nieuwste compilatie op het Trikont-label, ditmaal rond het thema Moord. Op Murder: Songs from the dark side of the soul is superieure blues, calypso, bluegrass en rhythm & blues te vinden waarin de continuë dreiging van moordenaars voelbaar is. In de categorie calypso valt deze opname uit 1934 van Wilmouth Houdini & His Humming Birds. Houdini werd geboren in Trinidad, maar maakte z’n belangrijkste werk in New York, waar hij in ’47 een calypso-festival organiseerde. Andere klinkende namen op deze cd zijn onder anderen Sonny Boy Williamson, Memphis Mennie, Ethel Waters en Billie Holiday.
When we swim – Thao with The Get Down Stay Down
Thao Nguyen heet ze voluit, deze zangeres uit San Fransisco met Vietnamese roots. Het nummer staat op de tweede cd die ze met haar begeleidingsgroep The Get Down Stay Down opnam: Know better learn faster. Thao dus.
Hoor Thao en When we swim hier.
Horchata – Vampire Weekend
Een van de revelaties twee jaar geleden, deze groep Vampire Weekend, razend populair op de college-radiozenders in Amerika. Een Newyorkse groep die er lustig op los experimenteert met Afrikaanse ritmes en Mexicaanse melodiëen. De langverwachte tweede cd is nu uit (Contra), daarvan draaien we de openingstrack Horchata. 24 februari treedt de groep op in Paradiso.
Zie een live-versie voor de televisie hier.
Is there nothing we can do – Badly Drawn Boy
Het eerste levensteken van Damon Gough alias Badly Drawn Boy in ruim drie jaar tijd is een soundtrack voor een Engelse tv-film van Caroline Aherne en Jeff Pope getiteld The fattest man in Britain. Een typische soundtrack, met schetsjes en motieven die terugkeren in instrumentaaltjes, maar ook affe liedjes waarin Gough laat horen dat hij nog altijd een van de beste Engelse songschrijvers van zijn generatie is, die opnieuw weet te ontroeren, ook weer met dit herfstige Is there nothing we can do, de titelsong van de soundtrack. Badly Drawn Boy, die eerder al de muziek schreef bij de Nick Hornby-verfilming About a boy, komt later dit jaar met een reguliere nieuwe plaat.
Zie en hoor een akoestische versie van Badly Drawn Boy – met onafscheidelijke muts – en Is there nothing we can do hier.
Welke muziek klonk deze week in Villa VPRO?
Airplanes – Local Natives
Airplanes is één van de prijsnummers op de eersteling van de Californische belofte de Local Natives, afgelopen week op toernee in Nederland. De cd heet Gorilla manor, en dat is ook de naam die het vijftal het huis gaf waar ze enige tijd hun muziek en artwork maakten. Groep grossiert in spannende ‘tribal’ ritmes en klinkt op haar debuut al behoorlijk volgroeid.
Zie en hoor Local Natives met Airplanes hier. En een live-versie voor BBC Radio 1 hier.
Goodbye England (covered with snow) – Laura Marling
Eén van de indrukwekkendste optredens tijdens het Crossing Border-festival in november was dat van de 19-jarige Britse folkzangeres Laura Marling. Haar krachtige stemgeluid vulde een veel te krap bemeten zaaltje, waar ze optrad samen met een celliste, terwijl ze zichzelf begeleidde op gitaar. In 2008 had Marling, dochter van een folkmuzikant, al grote indruk gemaakt met haar debuut Alas I cannot swim. Afgelopen jaar werkte ze onder meer samen met de bevriende muzikanten van Noah & The Whale en Mumford & Sons. In afwachting van haar tweede volwaardige cd dit voorjaar bracht ze net voor de jaarwisseling deze wintersingle uit, Goodbye England (covered with snow). Eerder deze week onthulde ze aan de NME dat er dit jaar maar liefst twéé cd’s zullen verschijnen, I speak because I can in maart (waarop dit nummer te vinden zal zijn) en een minder ingetogen plaat in het najaar, beide geproduceerd door Ethan Johns. U hoort mij niet klagen.
Zie en hoor Laura Marling over besneeuwd Engeland tijdens een recent optreden in het Bandra Fort-theater in Mumbai hier.
What makes him act so bad – Adam Green
Van de nieuwe, alweer zesde solo-cd Minor love van Adam Green, de voormalige zanger van de Moldy Peaches, die na Roy Oribson en Frank Sinatra nu vooral op Lou Reed begint te lijken. Het mag dan al jaren weinig opzienbarend zijn wat Green laat horen, charmant is het nog altijd. Hoor What makes him act so bad hier.
Free to walk – Mark Lanegan & Isobell Campbell
Op de cd We are only riders – The Jeffrey Lee Pierce Sessions Project zijn vrienden en bewonderaars te horen van de zanger Jeffrey Lee Pierce, die medio jaren negentig overleed. ‘When I would talk with Jeffrey, I felt I was spending time with a ghost. It was like he was already gone somehow. Jeffrey was in touch with something that was very huge and very dark. Eventually it got him. I think he always knew it was only a matter of time’, zegt Henry Rollins in het begeleidende boekje. Rollins is overigens één van de weinige bevriende tijdgenoten die niet te horen is op deze bijzondere plaat. Pierce, vooral bekend als boegbeeld van de legendarische groep The Gun Club, liet een aantal schetsen na van country-songs die hij opnam met zijn begeleider Cypress Grove en die nu worden afgemaakt door onder anderen Debbie Harry (Pierce was ooit voorzitter van de Blondie-fanclub), The Raveonettes, Nick Cave, Lydia Lunch (ja, die is er ook nog!) en Johnny Dowd. Ook van de partij zijn Mark Lanegan en Isobel Campbell, the beauty and the beast, die aan het werk zijn gegaan met de ruwe demo van Free to walk.
Zie en hoor Jeffrey Lee Pierce zelf met Robert Wilkins’ Alabama blues hier. En in de gloriedagen van The Gun Club met zijn weergaloze en angstaanjagende versie van Robert Johnsons Preaching the blues hier.
I am the resurrection – Codeine Velvet Club
Codeine Velvet Club is een zij-project van zanger Jon Fratelli van de Schotse groep The Fratellis, waarin hij blijk geeft van een zwak voor zonnige sixtiespop. Op de titelloze cd van Codeine Velvet Club werkt hij nauw samen met jazz-zangeres Lou Hickey, zoals in deze door dat stampende einde tikkie pompeuze Stone Roses-cover, die een dubbele A-kant vormt met single Hollywood.
Zie en hoor een live-versie van I am the resurrection in Glasgow in november jl. hier. En zo klonk het live in Blackpool ten tijde van de Madchester-rage in 1989 bij de Stone Roses.
I’ve got a feelin’ – Jenni Muldaur
Jenni Muldaur, dochter van folkblues-zangeres Maria Muldaur en gitarist-songschrijver Geoff Muldaur, stond als achtergrondzangeres al menige grootheid bij, zoals Lou Reed, John Cale en Eric Clapton. Op haar eigen Dearest darlin’ (de eerste na haar titelloze debuut in 1992) toont ze zich van haar meest soul-volle kant. Plaat is opgedragen aan gitarist Sean Costello, die vlak na de opnames op 29-jarige leeftijd overleed.
The pharmacy – Bettie Serveert
En tot slot dit opwindend gretige nummer van de nieuwe studioplaat Pharmacy of love van de Amsterdamse trots Bettie Serveert in topvorm. Zie en hoor ook Deny All vorige week in De Wereld Draait Door hier.
Welke muziek klonk deze week in Villa VPRO?
Cars – The Leisure Society
De Engelse groep The Leisure Society brak vorig jaar op bescheiden schaal door met de cd The sleeper. De groep bestaat uit een paar neo folk-jongens uit Burton-on-Trent met een voorliefde voor banjo’s, ukeleles, violen en dwarsfluiten. Dat zanger Nick Henning in het verleden onder meer zijn geld verdiende met het schrijven van filmmuziek zal de luisteraar niet verrassen. The sleeper gaat vergezeld van een bonus-cd met b-kantjes en restmateriaal A product of ego drain, waaronder deze mooie, rijk gearrangeerde en zorgvuldig opgebouwde versie van het eighties-elektro-hitje Cars van Gary Numan.
Zie en hoor een live-versie van Cars door The Leisure Society hier.
En zo herinneren zich de veertigplussers onder u Cars nog. Tegen wil en dank, vermoedelijk, maar toch.
My persecution complex – Zoey van Goey
My persecution complex van het Schotse trio Zoey van Goey, vernoemd naar een meisje dat de Amish-gemeenschap ontvluchtte en onder de hoede terecht kwam van kunstenaar Keith Haring, onder wiens vleugels zij zich zelf ook ontwikkelde als kunstenares. De cd The cage was unlocked all along verscheen op het illustere label Chemikal Underground (Delagados, Arab Strap). Zie en hoor ook Zoey van Goeys We all hid in basements hier.
Climbing the fjelds of Norway – Thus: Owls
Hoewel de titel misschien anders doet vermoeden, is Climbing the fjelds of Norway echt van een Zweedse groep, die zich Thus: Owls noemt. Zo artistiek als die naam klinkt, klinkt ook de muziek. Blikvanger is de enigszins Björkiaanse zangeres Erik Alexandersson. Vorig jaar was Thus: Owls het voorprogramma van de Canadees Patrick Watson – dat Erika Andersson zich sinds kort ook Erika Angell noemt komt omdat ze in het huwelijk is getreden met de gitarist uit Watsons band. Climbing the fjelds of Norway is terug te vinden op de cd Cardiac malformations. Hoor een flard Thus: Owls hier.
Demon host – Timber timbre
Openingsnummer van de nieuwe, titelloze derde cd van de Canadese groep Timber timbre, tot op grote hoogte het project van Taylor Kirk uit Toronto. Dat hij zijn muziek zelf graag als ‘gothic rockabilly blues’ betitelt zet je al snel op het verkeerde spoor, want de nummers zijn rustig en subtiel. Gothic zijn wel de teksten, want Kirk houdt wel van een tikkie luguber, zoals in Demon host.
Zie en hoor Timber timbre en Demon host http://hier.
Aretha, sing one for me – George Jackson
Eén van de nummers die Cat Power uitkoos voor haar cover-cd Jukebox (2008) was Aretha, sing one for me uit 1972, van de relatief onbekende zanger en songschrijver George Jackson. Van deze Memphis soul-zanger verscheen vlak voor de jaarwisseling op Kent Records een uitstekende overzichts-cd, George Jackson in Memphis 1972-77. Jackson werkte overigens ook veelvuldig samen op Hi met de deze week overleden legendarische soul-producer Willie Mitchell. Mitchell, die vooral bekend werd als de man verantwoordelijk voor het prachtige geluid op de platen van Al Green in de jaren zeventig, is één van de twee muzikale doden die deze eerste week van 2010 waren te betreuren (de andere is Mexicaans-Canadese zangeres Lhasa de Sela, die op nieuwsjaarsdag op 37-jarige leeftijd overleed aan de gevolgen van longkanker).
Hoor George Jackson en Aretha, sing one for me, geproduceerd door Willie Mitchell, hier.
Surface of the sun – Exene Cervenka
Ze noemt zich nu eens Christene of Exene Cervenka, dan weer Exene Cerkenkova of Christene Edge, deze zangeres die enige bekendheid geniet als zangeres van de punkgroep X uit Los Angeles. Dit nummer staat op haar nieuwe cd Somewhere gone, waarop de punkdiva de country ontdekt.