VPRO Thema: Iedereen depressief
Een van de mensen die we in de thema-uitzending Iedereen depressief volgen wendt zich, als hij zich depressief voelt, tot een provocatieve coach. Maar wat is dat nu eigenlijk precies, provocatieve coaching? Een gesprek met psycholoog Adélka Vendl.
Adélka Vendl: ‘Ik zie depressieve gevoelens als een vorm van heel natuurlijke afweer. Je lichaam en geest gaan in staking. Je hebt te veel op je bordje gehad. We hebben dan zo’n ingenieus lichaam dat alles schreeuwt: stop ermee! Neem afstand! Ik moedig dat altijd aan. Ik vind dat mensen zich maar eens flink aan die depressieve gevoelens mogen toegeven. Ik vergroot de problemen uit, in plaats van ze te verkleinen zoals soms in de reguliere zorg. Mijn rol is vaak die van advocaat van de duivel. Ik zorg dat ik altijd heel dichtbij iemand kom. Letterlijk en figuurlijk. Letterlijk, door fysiek heel dicht bij te gaan zitten, zo dichtbij dat ze een beetje terugdeinzen en dat het opvalt. Daarmee laat ik zien: ik mag jou, als mens. En figuurlijk, door heel intuïtief te reageren, vanuit een eerste impulsieve reactie. Joh, wat belachelijk! Nee, echt? Dat is toch bespottelijk! Etcetera. Gewone, directe taal. Waarmee ik dichtbij kom. Daarmee kan ik krachten zoals verzet en verdriet, en daarmee verwerking mobiliseren. Mijn houding is dus nooit die van: het komt allemaal goed, het valt allemaal wel mee, heel veel mensen kampen ermee, heus u komt er wel overheen. In mijn wereldbeeld neem je mensen niet serieus door alles te beamen, en met ze mee te gaan in hun behoefte om er op los te klagen, maar door tegen ze in te gaan. Liefdevol tegengas geven, zonder te beledigen, dat is de kern van de provocatieve therapie. Het is niet voor iedereen weggelegd, denk ik, alhoewel, ja uiteindelijk kan het voor iedereen werken. Ik krijg soms coach- en therapie-hoppers over de vloer; mensen die het ook al bij andere vormen van therapie hebben gezocht, en steeds maar niet verder komen. Dan kan provocatieve coaching een verassende invalshoek geven. Toen ik van de universiteit kwam en als psychologe aan de slag wilde kreeg ik al heel snel genoeg van dat begripvol knikken. Ik dacht: moet ik nu echt zo mensen uit de put gaan trekken? Ik wilde een manier vinden waarin ik ook m’n straatwijsheid kwijt kon. Een therapie die veel minder methodisch is, en waarin het ‘gezonde volksgevoel’ ook een rol mag spelen. Waarin je gewoon kunt benoemen dat iemand sloom en futloos is. Veel mensen daag ik uit zodat ze hun kracht weer hervinden om hun probleem aan te pakken. Ik vind dat dat veel meer appelleert aan hoe wij geholpen kunnen worden, die cognitieve methodes staan zo ver af van mensen. De langzame methodes leiden er in de reguliere zorg vaak toe dat de authentieke reacties raken ondergesneeuwd. Juist bij de geïrriteerdheid, boosheid en het verdriet raak je snel de kern. Hup, direct er op af, geen omwegen. Ik krijg veel mensen in de praktijk die zich lusteloos en neerslachtig voelen, terwijl het ze eigenlijk voor de wind gaat: goede baan, leuke relatie, noem het maar op. Ik geloof echt dat het iets is dat deze tijd met zich meebrengt. Honderd of tweehonderd jaar geleden waren er heel andere dingen die we belangrijk vonden: hard werken, de kroost grootbrengen. Het steven naar geluk was niet iets dat voortdurend in de weg zat. Mijn man werkt veel in Afrika, waar mensen streven naar een dak boven hun hoofd. Psychologische hulp is daar niet zo wijd verbreid natuurlijk. Wij hebben hier in Nederland een veilige, luxe samenleving, zo veilig en luxe dat dit onze ziektes zijn. Dat maakt het niet tot aanstellerij; het is gewoon de realiteit waarin wij leven. Naar mijn idee heeft het beslist te maken met de overvloed van alles om ons heen. Met het feit dat er vandaag de dag, om maar een dwarsstraat te noemen, honderdduizend verschillende soorten vla zijn. Een doorsnee mens – en daar reken ik mezelf ook toe – kent de luxe en de weelde maar weet ook absoluut niet meer wat te kiezen. Wat is goed, wat is kwaad, hoe moet ik me gedragen, bij welke groep hoor ik? Daarbij is het haast vanzelfsprekend geworden dat je volop bruist van de energie, dat je een relatie hebt, dat het goed gaat in je werk, terwijl dat alles natuurlijk verre van vanzelfsprekend is. Als je vroeger dat allemaal niet had, dan was het heel normaal dat je gewoon de boel bleef aanharken op een boerenbedrijf, je was dan met je minder sociaal gewenste situatie niet zo zichtbaar. Tegenwoordig stellen we op dit vlak zulke hoge eisen aan elkaar, en aan onszelf. Het is allemaal geinstitutionaliseerd. We dachten dat we gelukkiger zouden worden door de welvaart en de toegenomen keuzemogelijkheden om ons leven in te richten zoals we dat zelf willen, maar we hebben soms de greep verloren op hoe het ook al weer moet in het leven, omdat we het te goed willen doen. Bijvoorbeeld wat betreft de opvoeding. We willen perfecte ouders zijn en voor elk probleem is wel een handboek met een training. Hoe ga ik om met een concentratiestoornis, tips en leefwijze voor ouders. Wat de boel ook versterkt is dat we toch sterk in een slachtoffercultuur terecht zijn gekomen. We willen niemand voor het hoofd stoten. Als je je steeds meer invoelt in een ander vergeet je je eigen basisgevoel. Je eerste impuls is vaak helemaal niet zo slecht. Soms kun je maar beter niet te veel nadenken, omdat het niet altijd tot betere resultaten leidt. Zo werk ik als therapeut ook.’