‘Drempel voor nieuwe medicijnen moet hoger’

VPRO Thema: Iedereen depressief

Toen de beroepsgroep er eenmaal van doordrongen was dat ook kinderen depressief kunnen zijn, ontstond een richtingenstrijd over het voorschrijven van medicijnen. Flip Treffers was een believer maar werd in de loop der jaren een non-believer. De emeritus hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, tot een aantal jaar geleden directeur van Curium in Oegstgeest, blikt terug.

Flip Treffers: ‘Toen ik werd opgeleid was de vraag nog: komen depressies voor bij kinderen? Dat lijkt nu vanzelfsprekend, maar stond toen absoluut niet vast. Het is verbazingwekkend dat het bestaan van depressie bij kinderen in de negentiende eeuw, waaruit de eerste kinderpsychiatrische literatuur stamt, wèl erkend werd. In die literatuur wordt veel aandacht geschonken aan depressie en suïcidale gevoelens bij kinderen. Zo rond de eeuwwisseling, rond 1900, is dat verdwenen. Pas in de jaren ’zeventig drong het besef weer door dat kinderen depressief kunnen zijn. Ik heb voor die lange periode waarin depressies bij kinderen werden ontkend geen verklaring gevonden. Het enige dat ook in die jaren bleef was de erkenning van wat toen nog manische depressiviteit heette, de bipolaire stoornis bij kinderen. Het merkwaardige is dat depressie bij kinderen dus 70 jaar lang – internationaal – ontkend is. Toch maakte één geheel op zichzelf staande publicatie uit 1946 grote indruk, ook op mij. Dat was een artikel van de destijds beroemde psychiater René Spitz, waarin hij voor het eerst gewag maakte van depressie bij kinderen in hun eerste levensjaren – baby’s, dus. De zogeheten anaclitische depressie. Later werd zijn artikel waarschijnlijk terecht beoordeeld als een voorbeeld van wetenschappelijke fraude. Omstreeks 1970 keerde de depressie écht terug in de wetenschappelijke literatuur. Er werd toen vaak gesproken van een ‘gemaskeerde depressie’, allerlei vormen van afwijkend gedrag werden uiteindelijk tot depressie herleid. Ook ik heb langzaam moeten ontdekken dat kinderen depressief kunnen zijn. Het duurde nog weer langer voor men onder ogen zag dat kinderen manifest depressief konden zijn. In de jaren zeventig gold eigenlijk voor alle pyschiatrische problemen hetzelfde recept: therapeutische gesprekken met het kind, en met de ouders. Er werden in die tijd nog geen psychofarmaca gegeven.

De jongste kinderen die ik heb gezien die aan een depressie leden verbleven in een Medisch Kleuter Dagverblijf en waren drie of vier jaar oud. Depressieve baby’s heb ik nooit gezien. In de jaren tachtig was depressie bij kinderen weer algemeen erkend. In de jaren negentig volgden de eerste succes stories over anti-depressiva in de literatuur. De voorlopers van de SSRI’s waren dat nog, de eerste generatie antidepressiva, de zogeheten tricyclische antidepressiva. De tweede generatie, de SSRI’s zoals Prozac, werd vanaf 1995 in Nederland op kleine schaal voorgeschreven. Ik geloofde niet in de tricyclische pillen, wel in Prozac en aanverwante SSRI’s. Hoewel ik weinig resultaat zag in de behandelingen, was ik beslist een believer. De gezaghebbende literatuur was zo positief, er ging een buitengewoon grote stimulerende werking van uit. Ik heb zelfs pleidooien gehouden voor het gebruik van SSRI’s, waarbij ik me liet leiden door wetenschappelijke bevindingen. Heel kinderpsychiatrisch Nederland was in de ban van Prozac. Pas rond 2003 kwamen de eerste barsten naar voren in de literatuur. Er werden binnen de beroepsgroep in de VS meer en meer vragen gestelden over de resultaten, en daarnaast verschenen steeds meer publicaties over kinderen die suïcidaal waren, of heel agressief. Ik moet er bij zeggen: ik deed die ervaringen niet op in mijn eigen praktijk, ik nam het tot me via de literatuur. Toen ben ik me er echt goed in gaan verdiepen. Voor het eerst werd me glashelder hoe er met onderzoek op het gebied van psycho-farmaca werd gemanipuleerd. Wat mij het meest trof was het feit dat de onderzoekers op dit gebied stelselmatig alle negatieve resultaten niet naar buiten brachten. De industrie maakte het mogelijk dat gegevens over risico’s onderdrukt werden in onderzoeken en publicaties. De manipulatie van wetenschappelijke gegevens, het gegoochel met statistieken, maakte diepe indruk op me. Ik voelde me belazerd. Ik merkte een geweldige weerstand om open te staan voor de mogelijkheid dat we voor het lapje waren gehouden. Dat hoort bij een arts hè, die is toch blij als hij een recept kan voorschrijven; het is zuur om toe te geven dat iets, dat je al jaren voorschrijft, niet helpt. Als directeur van Curium, maar ook als lid van de Commissie Medische Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum, liet ik me kritisch uit over de SRRI’s. Dat werd mij niet in dank afgenomen. Ik merkte dat men mij binnen de beroepsgroep als een nestbevuiler zag, een onruststoker. Ik heb mij pittig uitgelaten, maar ik zie tot op de dag van vandaag geen enkele reden om aan te nemen dat ik het bij het verkeerde eind had. Samen met Mirjam Rinne publiceerde ik stukken over de negatieve bijwerkingen. Overigens leidde het binnen mijn kliniek Curium niet tot problemen, ik ontried mijn stafleden SSRI’s bij depressieve kinderen en jonge adolescenten voor te schrijven, maar niet bij dwangstoornissen.

De discussie over psychofarmaca in de kinder- en jeugdpsychiatrie duurt voort. Een jaar of twee geleden kwam de zeer gezaghebbende Amerikaanse psychiater Joseph Biederman, wiens adviezen en inzichten leidend waren, in opspraak omdat hij betaald werd door de farmaceutische industrie waar het ging om zijn adviezen over de behandeling van bipolaire stoornissen (zie ook dit artikel). De gevolgen van de ongezonde band tussen de industrie en de psychiatrie zetten dus door, met alle gevolgen van dien, maar er is ook een gunstige ontwikkeling zichtbaar. Heel belangrijk daarbij is de grootschalige parlementaire enquête die in 2005 in Engeland werd gehouden over de banden tussen de beroepsgroep en de farmaceutische industrie. Hoewel weinigen in Nederland dat toegeven – de halsstarrigheid binnen de Nederlandse psychiatrische beroepsgroep is groot – heeft die discussie veel mensen, op z’n minst een beetje, de ogen geopend. Je ziet het in zo’n nieuwe Behandelrichtlijn voor depressie bij kinderen: wat mij betreft had Prozac voor kinderen er niet in gehoeven, maar je kunt ook zeggen: het is winst dat het nu het enige middel is dat mag worden voorgeschreven. Het is vooral ingegeven door angst van artsen voor juridische problemen. Als er zo’n richtlijn is, en je schrijft toch iets anders voor, ben je erg kwetsbaar als arts. Wat de rol van de industrie betreft pleit ik ervoor om voorlopig in de psychiatrie alleen psychofarmaca voor te schrijven waar geen patent meer op rust. De drempel voor de goedkeuring van nieuwe medicijnen moet beduidend hoger worden’.

This entry was published on mei 20, 2010 at 8:49 am and is filed under VPRO Thema. Bookmark the permalink. Follow any comments here with the RSS feed for this post.